RECHTBANK DEN HAAG
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35641
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer]
Mede namens haar minderjarige kinderen,
[kind], [kind], [kind] en [kind], V-nummers: [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer], eisers
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden, en hetgeen de rechtbank ambtshalve in het verloop van de procedure ter kennis is gekomen, beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het vooronderzoek moet worden heropend om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stellen van Mongolische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum], [geboortedatum], [geboortedatum], [geboortedatum] en [geboortedatum]. De minister heeft met het besluit van 10 september 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit. De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep op de zitting van 6 maart 2025 behandeld. Als gevolg van het bewijsaanbod van eisers is de zaak na de zitting heropend. Eisers hebben vervolgens foto- en filmmateriaal overgelegd. De minister heeft eiseres daarop aanvullend gehoord en heeft daarna een aanvullend voornemen uitgebracht. Nadat eisers een zienswijze tegen dit aanvullende voornemen hadden ingediend, heeft de minister op 26 juni 2025 een aanvullend besluit genomen, waarbij hij met een aanvullende motivering bij de afwijzing van de asielaanvraag is gebleven. Het besluit van 10 september 2024 wordt tezamen met het aanvullende besluit van 26 juni 2025 hierna aangeduid als het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 31 oktober 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eisers en een tolk.
Beoordeling door de rechtbank
59. In de vijfde plaats staat het aan de betrokken lidstaat om bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming dat gebaseerd is op het behoren tot een bepaalde sociale groep, na te gaan of de persoon die zich op deze vervolgingsgrond beroept „gegronde vrees” heeft om in zijn land van herkomst te worden vervolgd omdat hij tot een bepaalde sociale groep behoort in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95.
5. Voor de toepassing van lid 1 houdt de beslissingsautoriteit rekening met:
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig. De minister heeft zich in het bestreden besluit evenwel op het standpunt gesteld dat eiseres afkomstig is uit een veilig land van herkomst en dat uit haar verklaringen niet blijkt dat Mongolië voor haar persoonlijk niet veilig is. De minister wijst erop dat sinds het vertrek van de ex-partner, hij geen contact meer heeft gehad met eiseres. Eiseres heeft via zijn familie gehoord dat hij terug is in Mongolië. Dat hij eiseres bij terugkeer iets zou willen aandoen, is niet onderbouwd. Dat zij voor hem moet vrezen, omdat zij de politie erbij heeft gehaald, wordt niet gevolgd omdat hier geen concrete aanknopingspunten voor zijn. Verder wordt overwogen dat eiseres inmiddels een nieuwe partner heeft waarvan zij zwanger is. Niet wordt ingezien dat eiseres nog te vrezen heeft voor huiselijk geweld van de ex-partner, nu zij een nieuwe relatie heeft en dus niet naar haar ex-partner hoeft terug te keren. Verder heeft eiseres in Mongolië tegen de ex-partner eerder ook hulp van de politie gezocht, zodat niet valt in te zien dat zij dat niet weer opnieuw zou kunnen doen. Bij de eerdere meldingen is de ex-partner steeds door de politie meegenomen, maar ook weer vrijgelaten. Er is door eiseres echter nooit aangifte gedaan. Van haar mag echter wel worden verwacht aangifte te doen. De minister meent dat de ex-partner misschien daardoor steeds is vrijgelaten. Eiseres heeft dus niet alle mogelijke rechtsmiddelen uitgeput. Het gegeven dat de politieagenten ter plaatse kwamen bij de melding van een incident en dat de ex-partner daarbij werd meegenomen, wijst erop dat effectief bescherming wordt geboden. Dat door het ontbreken van een aangifte geen verdere stappen werden ondernomen, is niet aan de autoriteiten te wijten.
Ook uit openbare informatie blijkt dat bij de Mongoolse autoriteiten bescherming kan worden gevraagd. Verder zijn er in Mongolië tal van andere officiële instanties en ondersteuningsorganisaties, zoals de “One Stop Service Centers” en het landelijk nummer voor huiselijk geweld. Niet is gebleken dat eiseres om hulp heeft gevraagd bij deze organisaties of dat deze organisaties haar hulp hebben geweigerd. Aan de asielaanvraag doet ook afbreuk dat eiseres pas een jaar na aankomst in Nederland, en enige tijd na de mishandelingen in Nederland, asiel heeft aangevraagd. Dat bij de mishandeling in Nederland niet meteen de politie is ingeschakeld, doet ook afbreuk aan de gestelde vrees. Zij heeft weliswaar gesteld dat zij dit niet heeft gedaan uit angst voor repercussies, maar niet is onderbouwd welke repercussies dit dan zouden zijn.
Beroepsgronden
4. Eiseres voert, voor zover thans van belang, samengevat het volgende aan:
Volgens eiseres heeft de minister onvoldoende onderbouwd dat effectieve bescherming daadwerkelijk beschikbaar is. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat zij bescherming kon krijgen van de Mongoolse autoriteiten enkel omdat de politie na haar meldingen is verschenen. De aanwezigheid van wetgeving of incidenteel optreden door de politie is niet gelijk aan daadwerkelijke bescherming. Uit internationale rapporten, blijkt dat vrouwen in Mongolië die melding doen van huiselijk geweld regelmatig worden genegeerd of dat daders na korte tijd weer op vrije voeten worden gesteld. Het feit dat de politie haar ex-partner telkens meenam maar hem daarna zonder vervolging vrijliet, illustreert juist het gebrek aan effectieve bescherming. Dat de minister verwijst naar instellingen als “One Stop Service Centers” of een landelijk meldnummer, is onvoldoende. Deze voorzieningen zijn in de praktijk ontoegankelijk, onderbemand en geografisch beperkt. De minister heeft geen enkel concreet onderzoek gedaan of eiseres zich daadwerkelijk tot deze instanties kon wenden, noch of deze hulp effectief zou zijn geweest in haar persoonlijke omstandigheden. Eiseres betoogt dat de minister heeft miskend dat zij een alleenstaande moeder is, wat haar in een uitzonderlijk kwetsbare positie brengt. De minister heeft zonder deugdelijke motivering gesteld dat haar zwangerschap en moederschap geen belemmering vormen om bescherming te zoeken. Daarmee negeert de minister de realiteit dat vrouwen in dergelijke omstandigheden vaak economisch en sociaal afhankelijk zijn, en daardoor nauwelijks toegang hebben tot hulp of opvang. Ook de verwijzing naar twee opvangcentra in de regio doet hieraan niets af. Beschikbaarheid betekent nog niet dat eiseres daar feitelijk terecht zou kunnen. Capaciteitsproblemen, bureaucratische drempels en sociale stigma’s vormen aanzienlijke belemmeringen. Het argument dat eiseres “niet alle rechtsmiddelen heeft uitgeput” miskent dat de verplichting tot uitputting alleen geldt wanneer bescherming daadwerkelijk effectief en beschikbaar is. Uit de feiten blijkt het tegendeel.
5. Eiseres stelt dat de minister het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. De minister heeft weliswaar kennisgenomen van haar verklaringen en overgelegde stukken, maar heeft geen nader onderzoek gedaan naar de effectiviteit van bescherming tegen huiselijk geweld in Mongolië. Eiseres heeft gemotiveerd aangegeven dat zij herhaaldelijk de politie heeft ingeschakeld, maar dat deze tussenkomsten niet hebben geleid tot daadwerkelijke bescherming. Dat zij geen formele aangifte heeft gedaan, doet hier niet aan af, aangezien slachtoffers van huiselijk geweld vaak door angst, schaamte en gebrek aan vertrouwen in de autoriteiten worden weerhouden om formeel aangifte te doen.
6. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat het risico op herhaling van geweld door haar ex-partner reëel is. Dat er op dit moment geen direct contact bestaat, sluit een dreiging geenszins uit. Eiseres voert aan dat daders van huiselijk geweld vaak ook na beëindiging van de relatie overgaan tot represailles, zeker wanneer sprake is van eerverlies. De stelling van de minister dat eiseres “geen concrete aanknopingspunten” heeft gegeven, miskent de aard van het risico bij eergerelateerd of huiselijk geweld, waarbij dreiging niet altijd in concrete feiten vooraf zichtbaar is.
7. Eiseres voert verder aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat haar huidige relatie en zwangerschap het risico op geweld verminderen. In patriarchale samenlevingen kan juist het hebben van een nieuwe relatie of zwangerschap van een andere man de aanleiding vormen voor eerwraak of represailles.
8. Eiseres stelt dat de minister ten onrechte aan haar tegenwerpt dat zij geen aangifte heeft gedaan tegen haar ex-partner. De minister miskent dat slachtoffers van huiselijk geweld zich vaak in een positie van angst, afhankelijkheid en sociaal isolement bevinden, waardoor het doen van aangifte feitelijk niet van hen kan worden gevergd. Eiseres heeft verklaard dat zij ernstige repercussies vreesde wanneer zij formeel aangifte zou doen. Deze vrees is reëel en kenmerkend voor slachtoffers van langdurige mishandeling, waarbij de dader structureel controle uitoefent over het slachtoffer. Daarnaast heeft de minister miskend dat ook in Nederland veel slachtoffers geen aangifte durven te doen uit angst voor de dader. De minister mag deze omstandigheid daarom niet tegen haar gebruiken.
9. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat het feit dat zij enige tijd heeft gewacht met het indienen van haar asielaanvraag “afbreuk doet aan haar vrees”. De minister miskent dat slachtoffers van huiselijk geweld vaak tijd nodig hebben om hun situatie te verwerken, veiligheid te organiseren en praktische obstakels te overwinnen voordat zij een formele aanvraag kunnen indienen. De omstandigheid dat eiseres kort na haar traumatische ervaringen haar aanvraag indiende, getuigt juist van haar behoefte aan bescherming.
Het oordeel van de rechtbank
Procesbelang
10. Een belanghebbende kan slechts opkomen tegen een besluit, indien zij bij het instellen van dat rechtsmiddel belang heeft.
11. Ter zitting is naar voren gekomen dat eiseres inmiddels is bevallen van haar kind, dat de vader de Nederlandse nationaliteit heeft en dat eiseres, als gevolg daarvan, naar alle waarschijnlijkheid een reguliere verblijfsvergunning (afgeleid verblijfsrecht) zal worden verstrekt. In zoverre zal eiseres aldus naar alle waarschijnlijkheid legaal in Nederland kunnen blijven. Dit doet evenwel geen afbreuk aan haar procesbelang. Blijkens de rechtspraak van de Afdeling volgt uit de wetssytematiek dat een verleende (of in casu: te verlenen) reguliere verblijfsvergunning geen afbreuk doet aan het procesbelang bij het beroep dat tegen de afwijzing van een asielvergunning is ingediend.
Inhoudelijke beoordeling
Vrees voor vervolging en reëel risico op ernstige schade
12. Het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b Vw, of dat zij hiermee rechtstreeks is bedreigd, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Dit volgt uit artikel 31, vijfde lid Vw, waarmee artikel 4 lid 4 van Richtlijn 2011/95/EU is geïmplementeerd.
13. Niet in geschil is dat het huiselijk geweld dat eiseres heeft ondergaan als ernstige schade dan wel als daad van vervolging valt te kwalificeren. De minister stelt zich in het bestreden besluit evenwel in wezen op het standpunt dat uit het feit dat de ex-partner sinds zijn terugkeer naar Mongolië geen contact meer heeft gehad met eiseres, er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
14. De rechtbank volgt de minister hier niet in. Het gegeven dat de ex-partner zich nu in Mongolië bevindt, maakt weliswaar dat eiseres in Nederland niet meer voor die ex-partner te vrezen heeft, maar er is geen enkele indicatie dat de ex-partner haar ook met rust zal laten als zij weer naar Mongolië zou terugkeren. De rechtbank betrekt hierbij dat eiseres en de ex-man via hun kinderen nog met elkaar zijn verbonden en de laatste mishandeling (en vervolgens het vertrek van de ex-man) enkele dagen voor haar asielaanvraag hebben plaatsgevonden. Uit de verklaringen van eiseres blijkt bovendien dat haar ex-man haar gedurende de hele periode dat zij samen waren, zowel in Mongolië als in Nederland, heeft mishandeld en ernstig heeft bedreigd (onder andere door een mes mee te nemen).
15. Voor zover de minister erop wijst dat eiseres (ook in Nederland) geen formele aangifte heeft gedaan, doet dit aan de gegronde vrees voor vervolging c.q. het reëel risico op ernstige schade geen afbreuk. Voor zover de minister hiermee heeft willen stellen dat er bij eiseres geen innerlijke vrees aanwezig is, overweegt de rechtbank, zoals ook eiseres naar voren heeft gebracht, dat door slachtoffers van huiselijk geweld vaker geen aangifte wordt gedaan juist vanwege de vrees voor de dader en de structurele controle die de geweldpleger over het slachtoffer uitoefent. Eiseres heeft in die stellingen de wetenschap aan haar zijde. In zoverre kan aan de afwezigheid van een aangifte dan ook niet zonder meer de afwezigheid van een innerlijke (subjectieve) vrees worden afgeleid.
16. Daarnaast kan zelfs bij een afwezigheid van subjectieve vrees, nog steeds sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade moet namelijk op objectieve basis worden onderzocht. Voor zover uit de afwezigheid van een aangifte dus het ontbreken van een innerlijke (subjectieve) vrees zou moeten worden afgeleid, is dat onvoldoende om voornoemd rechtsvermoeden te weerleggen.
17. Dat eiseres pas een jaar na aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd doet evenmin afbreuk aan haar vrees. In een deel van die periode kwam haar ex-man immers ook (illegaal) naar Nederland, zodat asiel aanvragen op dat moment niet noodzakelijkerwijs de gewenste bescherming zou hebben geleverd.
18. Aldus moet ervan worden uitgegaan dat de vrees van eiseres voor vervolging gegrond is c.q. het risico op ernstige schade reëel is, en eiseres in beginsel voor internationale bescherming in aanmerking komt, tenzij zich een uitzonderingsgrond voordoet. De minister heeft in dit verband aanvankelijk verwezen naar de destijds door de minister gehanteerde kwalificatie van Mongolië als veilig land van herkomst. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat die kwalificatie is komen te vervallen, maar dat op basis van de informatie waarop die kwalificatie was gebaseerd en ook op grond van de informatie die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, ervan kan worden uitgegaan dat er voor eiseres binnenlandse bescherming aanwezig is. De minister heeft daarbij gewezen op rechtspraak van de Afdeling.
Binnenlandse bescherming
19. In artikel 3.37b van het Vv is, voor zover relevant, geregeld dat wordt aangenomen dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming indien zij toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c van het Vv tegen vervolging of tegen ernstige schade en zij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang kan verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij er zich vestigt. De artikelen 3.37b en 3.37c van het Vv zijn een implementatie van artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU.
20. De Afdeling heeft meermaals overwogen dat als de minister voldoende heeft onderbouwd dat in het land van herkomst bescherming bij de autoriteiten kan worden gevraagd, het aan de vreemdeling is om aan te tonen dat het land voor haar toch niet veilig is. Dit geldt zowel bij veilige landen van herkomst, als ten aanzien van landen waarvan de minister in een individuele beschikking heeft gemotiveerd dat er beschermingsmogelijkheden in dat land bestaan. Daarbij is volgens de Afdeling voldoende dat er wetgeving aanwezig is die in bescherming voorziet en dat er voorbeelden van optreden van de autoriteiten bestaan. Volgens de Afdeling bieden de bewoordingen van artikel 7 van Richtlijn 2011/95/EU geen grond voor het oordeel dat het bestaan van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, een zelfstandig criterium is voor de beantwoording van de vraag of bescherming wordt geboden, in die zin dat die vraag altijd ontkennend moet worden beantwoord als van een dergelijk doeltreffend juridisch systeem geen sprake is. Indien in landeninformatie naar voren komt dat overheidsoptreden niet altijd effectief is en bijvoorbeeld afhankelijk is van degene die een klacht indient, is dat volgens de Afdeling niet relevant. Volgens de Afdeling is het evenmin relevant dat de bereidheid om een aangifte in behandeling te nemen per geval, per regio en per behandelende politieambtenaar kan verschillen, indien er – in theorie – mogelijkheden zijn om hierover bij hogere instanties te klagen en er andere theoretische beschermingsmogelijkheden bestaan. Daarbij lijkt de Afdeling bovendien niet relevant te achten of de effectiviteit van die theoretische mogelijkheden vaststaat. Volgens de Afdeling brengt namelijk het feit dat de mate van effectiviteit van de bescherming niet op voorhand vaststaat niet reeds met zich dat in feite geen bescherming kan worden verkregen.
21. In artikel 8 van Richtlijn 2011/95/EU is geregeld dat als de vreemdeling in een deel van het land toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of ernstige schade in de zin van artikel 7 van die richtlijn, zij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang kan verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij er zich vestigt, geen internationale bescherming hoeft te worden verleend. Bescherming tegen vervolging of ernstige schade moet doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot dergelijke bescherming heeft, dit volgt uit artikel 7 van de richtlijn. De bewijslast hiervoor ligt bij de beslissingsautoriteit, die daartoe informatie moet verzamelen over het land van herkomst die relevant is voor de behandeling van verzoeken tot toekenning van internationale bescherming, waaronder over de bescherming die zij genieten.
22. Tegen de achtergrond van het bepaalde in artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU en de rechtspraak van het HvJ, twijfelt de rechtbank of de jurisprudentielijn van de Afdeling stand kan houden. Indien immers vaststaat dat een vrouw bij terugkeer naar het land van herkomst risico loopt op vervolging of ernstige schade door haar ex-man, dan lijkt de jurisprudentie van het HvJ te vereisen dat de beslissingsautoriteit (in casu de minister) juist de effectiviteit van de bescherming in het land van herkomst beoordeelt. Dit lijkt ook voort te vloeien uit artikel 7 van Richtlijn 2011/95/EU. Zulks zou temeer moeten gelden, indien de vrouw reeds tot op zekere hoogte bescherming heeft ingeroepen en die niet effectief is gebleken. De rechtbank zal dan ook komen tot het stellen van prejudiciële vragen, die hieronder worden geformuleerd.
Prejudiciële vragen
23. De rechtbank zal de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ voorleggen:
De rechtbank verzoekt het HvJ expliciet om in de beantwoording van de prejudiciële vragen ook het nieuwe asielstelsel dat per 12 juni 2026 van kracht wordt, in het bijzonder Verordening (EU) 2024/1347, te betrekken. Uit artikel 46, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU volgt namelijk dat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek moet verrichten van zowel de feitelijke als juridische gronden. Aangezien naar verwachting de doorlooptijd van de prejudiciële procedure anderhalf jaar of langer in beslag zal kunnen nemen, zal de rechtbank, wanneer het HvJ de vragen heeft beantwoord, de zaak waarschijnlijk onder het nieuwe asielstelsel moeten afdoen.
Relevantie van de vragen
24. De relevantie van de eerste vraag is in het volgende gelegen.
25. De minister is in het bestreden besluit uitgegaan van een algemene analyse van Mongolië zoals hij die oorspronkelijk aan de kwalificatie van Mongolië als veilig land van herkomst ten grondslag had gelegd. In de kamerbrief die aan de laatste herbeoordeling van Mongolië als veilig land van herkomst ten grondslag was gelegd, die dateert van voor de intrekking van de kwalificatie van veilig land van herkomst, is echter geen specifieke informatie over de veiligheid van vrouwen of huiselijk geweld opgenomen. De minister heeft in het bestreden besluit evenwel expliciet verwezen naar algemene bronnen waaruit blijkt dat er onderduikcentra aanwezig zijn die geografisch bereikbaar zijn voor eiseres, op wetgeving in Mongolië, op algemene informatie van de US State Department, UNFPA Asia-Pacific en op het gegeven dat er ook een landelijk telefoonnummer is dat gebeld kan worden bij huiselijk geweld. Indien wordt uitgegaan van de Afdelingsjurisprudentie, en bijgevolg de eerste en tweede vraag ontkennend en de derde vraag bevestigend moeten worden beantwoord, dan is het bestreden besluit daarmee voldoende onderbouwd.
26. De rechtbank overweegt echter dat hoewel er zeker vergaande ontwikkelingen zijn op het gebied van wetgeving, waaronder strafbaarstelling, beschermingsbevoegdheden en rapportageverplichtingen voor onder meer medische professionals, uit algemene informatie ook kan worden afgeleid dat het optreden tegen huiselijk geweld nog tamelijk “soft” van aard is. Volgens algemene informatie van de OHCHR is er nog sprake van “deep-seated harmful gender stereotypes that exist in Mongolian society and that normalise violence against women and blame victims”.In een US State Department rapport over het jaar 2023 wordt nog vermeld: “The government did not enforce laws against rape and domestic violence effectively”.
27. Hoewel er aldus beschermingsmogelijkheden bestaan, is onduidelijk of die bescherming, mede bezien tegen de maatschappelijke achtergrond van Mongolië, ook effectief is. Waar de minister wijst op de aanwezigheid van onderduikadressen en een algemeen telefoonnummer, betwijfelt de rechtbank of dergelijke faciliteiten als effectief kunnen worden gekwalificeerd, omdat deze bezwaarlijk kunnen worden gezien als een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen. Noch is daarmee sprake van redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade. Het enkele onderduiken is immers niet een op de agressor gerichte interventie, en dus ook geen opsporing, gerechtelijke vervolging of bestraffing als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2011/95/EU. Daarnaast wordt met onderduiken in wezen van het slachtoffer verwacht zich te verbergen, om vervolging te voorkomen, zodat – in ieder geval voor de langere termijn – daarmee ook anderszins – naar het de rechtbank voorkomt – geen sprake is van een doeltreffende maatregel. Daarnaast komt het de rechtbank voor dat zolang de straffen en/of het optreden tegen huiselijk geweld “soft” van aard zijn en huiselijk geweld niet effectief voorkomen of beëindigen, er geen sprake is van een doeltreffend juridisch systeem.
28. Indien het aldus op de weg van de minister ligt om de effectiviteit van de bescherming in het land van herkomst te beoordelen, en daarmee de eerste vraag bevestigend dient te worden beantwoord, dan zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en de zaak terugverwijzen naar minister voor een nieuwe beoordeling ten aanzien van de effectiviteit van de beschikbare beschermingsmogelijkheden. Daarbij is dan ook relevant om te weten hoe effectief de bescherming moet zijn en waar deze ten minste uit moet bestaan, zodat aan de minister ook een concrete bewijsopdracht bij die vernietiging kan worden gegeven.
29. De relevantie van de tweede en derde vraag is in het volgende gelegen.
30. Dat er “soft” wordt opgetreden bij huiselijk geweld komt overeen met de verklaringen van eiseres. Uit de gehoren blijkt immers dat eiseres in Mongolië de politie meerdere keren heeft ingeschakeld, maar dat daarbij de ex-man steeds weer werd vrijgelaten. Het geweld richting haar is daarbij tot aan haar asielaanvraag nooit gestopt. Mocht het antwoord van het HvJ op de eerste vraag aldus zijn dat de minister in beginsel wel van theoretische beschermingsmogelijkheden mag uitgaan, dan zou het gegeven dat eiseres tot op zekere hoogte die bescherming heeft gezocht maar niet heeft gekregen relevant kunnen zijn. In dat geval zou de bewijslast weer kunnen “omklappen” naar de minister, ook als nog niet alle theoretisch beschikbare beschermingsmogelijkheden zijn aangewend. In dat geval is dan ook van belang om te weten in hoeverre van de vreemdeling mag worden verwacht van de theoretische mogelijkheden gebruik te maken, zodat de rechtbank kan beoordelen bij welke mate van inspanning om bescherming te krijgen, de bewijslast omklapt. De minister heeft eiseres immers tegengeworpen dat zij geen formele aangifte bij de Mongolische autoriteiten heeft gedaan en dat zij ook geen gebruik heeft gemaakt van onderduikmogelijkheden, terwijl de minister tegelijkertijd de effectiviteit van die mogelijkheden niet heeft onderzocht.
Voorgestelde beantwoording van de vragen
31. De rechtbank meent dat de eerste prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord, en dat de mate van effectiviteit van de bescherming zodanig moet zijn dat ervan kan worden uitgegaan dat de vreemdeling die de bescherming van de autoriteiten inroept, die bescherming ook daadwerkelijk ontvangt, waarbij in het bijzonder geldt dat de dreiging van de actor van vervolging/ernstige schade door die bescherming effectief wordt weggenomen. De rechtbank meent verder dat het antwoord op de tweede vraag zou moeten zijn dat de beslissingsautoriteit bij de beoordeling van de effectiviteit van de bescherming in het individuele geval rekening moet houden met de verklaringen van de vreemdeling en eventuele bewijsstukken die zij in dat kader overlegt, waarbij geldt dat als deze verklaringen en/of bewijsstukken het door de beslissingsautoriteit gehanteerde bewijs ontzenuwen, de bewijslast weer “terugslaat” naar de beslissingsautoriteit. De rechtbank meent verder dat het antwoord op de derde vraag zou moeten zijn dat van een vreemdeling enkel mag worden verlangd de nationale theoretisch beschikbare beschermingsmogelijkheden te hebben uitgeput, voor zover die mogelijkheden in de praktijk ook effectief blijken te zijn. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld van een vreemdeling niet mag worden verlangd aangifte te doen als uit de informatie die over het land beschikbaar is blijkt dat geen sprake is van een effectieve handhaving van de wetgeving tegen huiselijk geweld, de informatie daarover wisselend is, of dat daar simpelweg onvoldoende informatie over beschikbaar is. De rechtbank licht de voorgaande voorgestelde beantwoording als volgt toe.
32. In het arrest van 16 januari 2024 heeft het HvJ in antwoord op de vraag of vrouwen als een sociale groep kunnen worden gekwalificeerd, onder meer het volgende overwogen:
[…]
61. Zoals staat te lezen in punt 36, onder x), van de UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming nr. 1, moet daartoe informatie worden verzameld over het land van herkomst die relevant is voor de behandeling van verzoeken tot toekenning van de vluchtelingenstatus die zijn ingediend door vrouwen, zoals de rechtspositie van vrouwen, hun politieke, economische en sociale rechten, de culturele en sociale gewoonten van het land en de gevolgen van niet-naleving ervan door die vrouwen, de frequentie van de schadelijke traditionele praktijken, de impact en de vormen van geweld tegen vrouwen die zijn gemeld, de bescherming die zij genieten, de straffen die de daders van dergelijk geweld worden opgelegd en de risico’s die een vrouw loopt als zij terugkeert naar haar land van herkomst nadat zij een dergelijk verzoek heeft ingediend .
Hoewel deze overwegingen betrekking hebben op de kwalificatie van vrouwen als sociale groep in de zin van artikel 10, lid 1 onder d van Richtlijn 2011/95/EU, zijn deze overwegingen ook van belang in het kader van de artikelen 7 en 8 van die richtlijn. Immers, het HvJ heeft hiermee duidelijk gemaakt dat voor de vraag of vrouwen als een sociale groep kunnen worden gekwalificeerd in het land van herkomst, tevens van belang is in hoeverre zij effectief worden beschermd tegen vervolging, waarbij onder meer van belang is welke straffen de daders krijgen opgelegd. Aldus hecht het HvJ belang aan niet alleen de theoretische werkelijkheid in het land van herkomst, maar ook de daadwerkelijke praktijk. De rechtbank ziet niet in waarom in het kader van de artikelen 7 en 8 van de richtlijn een theoretische exercitie dan wel zou volstaan. De overweging uit de Afdelingsjurisprudentie dat “het feit dat de mate van effectiviteit van de bescherming niet op voorhand vaststaat niet reeds met zich [brengt] dat in feite geen bescherming kan worden verkregen” lijkt zich dan ook niet goed te verhouden met de benadering van het HvJ.
33. Het voorgaande vindt verder steun in de recentere formulering van de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) 2024/1347, de rechtsopvolger van richtlijn 2011/95/EU. Zo is in artikel 8, lid 5 aanhef en onder a opgenomen:
a. de algemene omstandigheden in het relevante deel van het land van herkomst, inclusief de toegankelijkheid, doeltreffendheid en duurzaamheid van de bescherming als bedoeld in artikel 7;
Uit deze formulering kan ook worden afgeleid dat alternatieve methoden van bescherming, zoals onderduikadressen, niet als doeltreffende bescherming in de zin van artikelen 7 en 8 van Richtlijn 2011/95/EU, c.q. de artikelen 7 en 8 van Verordening (EU) 2024/1347 mogen worden aangemerkt, omdat daarmee de dreiging van de agressor niet zonder meer wordt weggenomen of voorkomen en deze ook – per definitie – niet duurzaam van aard kunnen zijn. Van een slachtoffer kan immers niet worden verlangd zich voor onbepaalde tijd te verbergen voor de agressor, in het bijzonder omdat daarmee haar mogelijkheden tot ontplooiing van haar leven aanzienlijk worden beperkt. Dergelijke alternatieve vormen van bescherming zijn dan ook niet doeltreffend, omdat deze niet duurzaam van aard zijn.
34. Voorts wordt in artikel 8 lid 3 van Verordening (EU) 2024/1347 bepaald dat het aan de beslissingsautoriteit is om aan te tonen dat de verzoeker beschikt over een binnenlands beschermingsalternatief.
35. Voor wat betreft het antwoord op de tweede vraag is van belang dat in diezelfde bepaling is geregeld dat de verzoeker het recht heeft bewijzen over te leggen en elementen in te dienen waaruit blijkt dat een dergelijk alternatief hem of haar niet ter beschikking staat. De beslissingsautoriteit moet rekening houden met de door de verzoeker overgelegde bewijzen en ingediende elementen. Tot slot kan worden gewezen op overweging 40 van Richtlijn 2013/32/EU, waarin staat: “Indien een derde land als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd, moeten de lidstaten het als veilig kunnen aanmerken en aannemen dat het voor een bepaalde verzoeker veilig is, tenzij hij aanwijzingen van het tegendeel kan voorleggen”. Hoewel betrekking hebbende op veilige derde landen, volgt hieruit wel een duidelijke indicatie dat de beslissingsautoriteit rekening moet houden met informatie die de vreemdeling overlegt, zowel algemene informatie als informatie die betrekking heeft op de individuele situatie. Daarbij lijkt uit deze overweging te volgen dat als de informatie die de vreemdeling overlegt de informatie waar de beslissingsautoriteit zich op baseert ontzenuwt, zulks voldoende is om te concluderen dat aanwezigheid van een afdoende binnenlandse bescherming onvoldoende is komen vast te staan. Zulks zou betekenen dat de vreemdeling dus ook niet het tegendeel van de conclusies van de beslissingsautoriteit hoeft te bewijzen, maar slechts de bewijsstukken waar de beslissingsautoriteit zich op baseert (gedeeltelijk) hoeft te ontkrachten.
Beslissing
De rechtbank:
- heropent het vooronderzoek ten behoeve van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de onder rechtsoverweging 23 geformuleerde vragen;
- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.