Vervangende toestemming tot verhuizing
Beschikking op het op 26 januari 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Grijs in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.G. Weitkamp in Gouda.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
[minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
Op 17 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan haar vervangende toestemming te verlenen, welke de toestemming van de vader vervangt, voor verhuizing per maart 2026 met [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar de [adres] in [plaats 1].
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Ter zitting is het verzoek van de moeder besproken in het licht van het feit dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. De moeder heeft het verzoek vervolgens beperkt tot de verhuizing met [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Tussen partijen is niet in geschil dat dit feitelijk geen verschil maakt.
Beoordeling
Vervangende toestemming tot verhuizing
Standpunt moeder
De moeder wil met de kinderen verhuizen van [plaats 2] naar [plaats 1]. De moeder heeft samen met haar huidige partner een woning gekocht in [plaats 1] en is voornemens per maart 2026 te gaan samenwonen met haar partner en zijn kinderen. De moeder geeft aan dat de woning in [plaats 1] een unieke kans betrof en de voorgenomen verhuizing zorgvuldig is voorbereid. Volgens de moeder zullen de gevolgen voor de kinderen en de vader beperkt blijven. De zorgregeling zal ongewijzigd blijven, evenals de school en de sportactiviteiten van de kinderen. Daarbij heeft de moeder aangegeven dat zij extra vervoersbewegingen voor haar rekening zal nemen, zodat de vader hierdoor niet wordt belast.
Standpunt vader
De vader geeft aan het te betreuren dat over de verhuizing geen voorafgaand overleg heeft plaatsgevonden, waarin de moeder haar plannen met hem had kunnen delen en besproken had kunnen worden wat de gevolgen van een verhuizing voor de kinderen zouden zijn en of dit een passend moment is voor een verhuizing. Volgens de vader bestaat er geen noodzaak tot verhuizing, maar betreft het een wens van de moeder om te gaan samenwonen. Hoewel hij de voorkeur heeft dat beide ouders in [plaats 2] blijven wonen, zit zijn bezwaar vooral in de timing van de verhuizing. Als de moeder gaat verhuizen, wenst hij dat deze verhuizing pas na de zomer van 2027 plaatsvindt, omdat [minderjarige 1] dan zijn eindexamens heeft afgerond en [minderjarige 3] vanaf dat moment naar de middelbare school gaat.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kunnen op verzoek van de ouders geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. Uit vaste jurisprudentie – zoals Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901 – volgt dat bij de beslissing over vervangende toestemming voor de verhuizing van de kinderen alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen en tegen elkaar af worden gewogen.
Oordeel rechtbank
De rechtbank zal de moeder vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] per 1 september 2026 te verhuizen naar [plaats 1]. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Hoewel niet van een daadwerkelijke noodzaak tot verhuizing kan worden gesproken, acht de rechtbank het belang van de moeder om, zeven jaar na het uiteengaan van partijen, haar eigen leven in te richten zwaarwegend. De moeder heeft een bestendige relatie. De afstand tussen de huidige woning, alsook de woning van de vader en het nieuwe adres in [plaats 1] is te overzien, waardoor ook de zorgregeling tussen de vader en de kinderen ongewijzigd kan blijven. Daarbij weegt de rechtbank mee dat voor de kinderen bij een verhuizing naar [plaats 1] ook geen veranderingen optreden in hun school- en sportactiviteiten. Voor zover er veranderingen zijn, heeft de rechtbank de indruk dat de kinderen deze kunnen dragen.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de timing van de verhuizing als volgt. Zoals overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat de kinderen de verandering die een verhuizing meebrengt kunnen dragen, ook eerder dan de door de vader voorgestane datum. Anderzijds acht de rechtbank het in het belang van de kinderen, en ook partijen zelf, dat zij investeren in mediation en nadere afspraken gaan maken rondom de verhuizing (en verder). Daarvoor is enige tijd nodig, en de rechtbank acht de periode tot 1 september 2026 daarvoor passend, mede omdat daarmee de zomervakantie 2026 gebruikt kan worden voor de verhuizing. Dat de vrouw daarmee voor enige tijd dubbele woonlasten zal moeten dragen acht de rechtbank, voor de beperkte duur aanvaardbaar.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de moeder toestemming verlenen om met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] per 1 september 2026 te verhuizen naar [plaats 1]. Het subsidiaire verzoek van de vader wijst de rechtbank af, nu dit onvoldoende concreet is gemaakt. De rechtbank geeft partijen mee dit te bespreken in mediation.
Beslissing
De rechtbank:
verleent toestemming aan de moeder, die de toestemming van de vader vervangt, om met de minderjarige kinderen:
per 1 september 2026 te verhuizen naar de [adres] in [plaats 1];
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.