ECLI:NL:RBDHA:2026:9747

ECLI:NL:RBDHA:2026:9747

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer C/09/667249 / FA RK 24-3901
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

volgt

Uitspraak

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 27 mei 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

volgens de huwelijksakte: [naam 1] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.M. van Maanen te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

blijkens de Registratie Niet-Ingezetenen sinds 19 september 2024 geregistreerd in een onbekend land, feitelijk verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland,

advocaat: mr. F. Borger van der Burg-Holstege te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek tevens wijziging van de verzoeken van de vrouw;

- het verweerschrift op de gewijzigde verzoeken van de man;

- het bericht van 1 augustus 2025 van de zijde van de vrouw met een aanvullend verzoekschrift;

- het verweerschrift van de man op het aanvullend verzoek van de vrouw;

- het bericht van 16 januari 2026 van de zijde van de vrouw, met aanvullende producties;

- het bericht van 19 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;

De minderjarigen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben in een gesprek met de kinderrechter hun mening kenbaar gemaakt.

Op 27 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Op de datum van deze beschikking heeft de kinderrechter die met de kinderen heeft gesproken, een brief naar hen gestuurd. Deze brief luidt als volgt:

Beste [de minderjarige 3] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] ,

Ik sprak jullie een tijdje geleden over hoe het met jullie gaat rond de scheiding van jullie ouders. Daarna heb ik samen met twee andere rechters met jullie ouders gesproken. Wij hebben daarna een aantal beslissingen genomen over jullie. In deze brief leg ik uit wat die beslissingen zijn.

We hebben besloten dat de regeling over hoe vaak jullie je vader zien niet echt verandert. [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] , jullie gaan om de week op zaterdagmiddag naar jullie vader toe. Eerder had de rechter beslist dat [de minderjarige 2] mocht kiezen of ze mee zou gaan. [de minderjarige 2] , wij bespraken dat het voor jou best lastig is om steeds te moeten kiezen. Daarom hebben wij besloten dat jij elke keer meegaat. [de minderjarige 1] , voor jou is er geen regeling, omdat het voor jou nog te moeilijk is om contact met je vader te hebben. Jullie vader mag geen alcohol drinken voordat jullie komen en als jullie bij hem zijn. We hebben ook besloten dat er geen aparte regeling komt voor de vakanties. Dan zijn jullie dus bij jullie moeder of af en toe op zaterdagmiddag zijn [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] bij jullie vader.

Het is voor jullie ouders moeilijk om contact te hebben, waardoor ze niet goed samen beslissingen kunnen nemen. Daardoor kunnen jullie soms niet op vakantie of duurt het te lang duurt voordat jullie hulp krijgen. Daarom hebben wij besloten dat jullie moeder voortaan in haar eentje de belangrijke beslissingen over jullie mag nemen. Dat heet eenhoofdig gezag.

Wij hopen dat er nu meer rust komt voor jullie en dat het beter zal gaan.

Met vriendelijke groet,

de kinderrechter

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2010 te [plaats 1] ( [land 1] ).

- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats] .

- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

- De man, de vrouw en de kinderen zijn allemaal Brits burger.

- Bij beschikking van 16 oktober 2025 van deze rechtbank heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

- bepaalt als voorlopige zorgregeling tussen de vader en de minderjarige [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] , en indien zij dat willen, ook de minderjarigen [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] dat de vader:

o met ingang van 1 november 2025 om de week (met uitzondering van de schoolvakanties) op zaterdag na de voetbal van [de minderjarige 3] iets leuks met hem/de kinderen gaat doen buiten de deur, waarbij de vader voorafgaand aan het contactmoment een door de moeder geregelde alcoholblaastest moet afnemen in het bijzijn van de moeder en buiten aanwezigheid van de kinderen, en waarbij de vader [de minderjarige 3] /de kinderen het eind van de middag of in de avond terugbrengt naar de moeder;

- bepaalt dat het verdere contactherstel tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden onder begeleiding en regie van [organisatie] ;

- bepaalt dat de kinderen op één van de volgende twee manieren op tweede kerstdag bij de vader zouden kunnen zijn:

o in het geval dat [organisatie] al heeft geadviseerd dat de kinderen onbegeleid bij de vader kunnen zijn: vanaf 13.00 uur tot 27 december einde van de dag; óf

o in het geval dat [organisatie] heeft geadviseerd dat de kinderen nog begeleid bij de vader moeten zijn / nog niet heeft geadviseerd dat de kinderen onbegeleid bij de vader kunnen zijn: volgens de op de zitting gemaakte afspraak waarbij de vader in het openbaar iets leuks met de kinderen kan doen, dan wel bij familie kan zijn, waarbij voorafgaand de vader een alcoholblaastest zal moeten afnemen en, indien het contact niet in het openbaar plaatsvindt, maar bij familie, er altijd een familielid bij aanwezig moet zijn tot aan het terugbrengen van de kinderen naar de moeder om uiterlijk 21.30 uur, waarna de vader de kinderen op zaterdagochtend 27 december kan ophalen om iets leuks met hen te doen in het openbaar;

- bepaalt dat de ouders over en weer vrij kunnen reizen met de kinderen naar het Verenigd Koninkrijk voor familiebezoek, indien de kinderen volgens de (afspraken over herstel van de) zorgregeling bij die ouder zijn, zonder dat daar steeds over en weer toestemming van de andere ouder voor nodig is;

- verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, om [de minderjarige 1] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] aan te melden bij de KIES-trainingen en/of !JES-trainingen te [plaats 2] ;

- verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt om [de minderjarige 1] aan te melden voor hulpverlening bij Jeugdpraktijk Groos, althans een andere door de huisarts geadviseerde psychologische hulpverleningspraktijk;

- verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt voor de (vervolg)behandeling bij de fysio- en manueel therapeut [naam 3] van [praktijk] aan de [adres 1] ten behoeve van [de minderjarige 1] voor de gediagnosticeerde patellofemoral pijnsyndroom en de daaruit volgende adviezen, waaronder meer wordt verstaan de behandeling van de pijnlijke en stijve plekken, het tapen van het pijnlijke gebied, het uitvoeren van de door de fysiotherapie geadviseerde oefeningen en al hetgeen nodig is voor [de minderjarige 1] om te herstellen van haar pijnlijke knie dan wel erger te voorkomen en te bepalen dat de niet-vergoede medische kosten hiervan door ouders bij helfte wordt gedragen;

- verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt om ten behoeve van [de minderjarige 2] een diagnostisch onderzoek te laten uitvoeren (meer specifiek een dyslexieonderzoek) door Praktijk Merkelbach gevestigd te Den Haag aan de Muurbloemweg 51, waarbij geldt dat de niet-vergoede kosten hiervan door ouders bij helfte wordt gedragen;

- verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt om ten behoeve van [de minderjarige 2] een longfunctietest te laten uitvoeren op 25 november 2025 door een verpleegkundige c.q. arts van het Reinier de Graaf Gasthuis (gevestigd aan de Reinier de Graafweg 5 te Delft );

- verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt om ten behoeve van [de minderjarige 2] op 27 november 2025 een consult te laten plaatsvinden bij de kinderarts van het voornoemde Reinier de Graaf Gasthuis;

- verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt de uit de onder VIII en IX genoemde onderzoeken voortvloeiende medische behandelingen te laten plaatsvinden die door de betrokken arts(en) noodzakelijk en in het belang van de minderjarige worden geacht;

- verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt voor de diagnose en eventueel (vervolg)behandeling bij de fysio- en manueel therapeut [naam 3] van [praktijk] aan de [adres 1] ten behoeve van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] , waarbij de niet-vergoede medische kosten hiervan door ouders bij helfte wordt gedragen;

- verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt om ten behoeve van [de minderjarige 1] een orthodontisch onderzoek en behandeling te laten uitvoeren door een orthodontist van [orthodontist] gevestigd aan [adres 2] , waarbij de niet-vergoede medische kosten hiervan door ouders bij helfte wordt gedragen.

Verzoek en verweer

Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:
Ten aanzien van de kinderalimentatie:
Ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap:

Het verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

Ten aanzien van het gezag:

- bepaling dat voortaan alleen aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over de kinderen;

- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;

- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen waarbij zij, indien zij dat willen, om de week op zaterdag na voetbal van [de minderjarige 3] iets leuks met de man gaan doen buiten de deur, waarbij de man voorafgaand aan het contactmoment een door de vrouw geregelde alcoholblaastest moet afnemen, in het bijzijn van de vrouw en buiten aanwezigheid van de kinderen, en waarbij de man de kinderen het eind van de middag of in de avond terugbrengt naar de vrouw, waarbij het verdere contactherstel tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden onder begeleiding en regie van [organisatie] , althans een (begeleide) zorgregeling tussen de man en de kinderen die de rechtbank in goede justitie juist acht;

- vaststelling van kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2024 tot 1 februari 2025 van € 337,- per maand per kind, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;

- vaststelling van kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2025 tot 1 januari 2026 van € 513,- per maand per kind, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;

- vaststelling van kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2026 van € 569,- per maand per kind, te vermeerderen met de kinderbijslag en het kindgebonden budget totdat de vrouw de kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangt, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;

Ten aanzien van de eenmalige kosten van de kinderen:

- bepaling dat de man aan de vrouw binnen twee weken na de ten deze te wijzen beschikking aan de vrouw een bedrag dient te voldoen van € 1.799,- uit hoofde van de door de vrouw betaalde niet-vergoede medische kosten, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, bij gebreke waarvan hij onmiddellijk in verzuim is en een rente verschuldigd is gelijk aan de wettelijke rente;

- bepaling dat de man binnen twee weken na de ten deze te wijzen beschikking aan de vrouw een bedrag dient te voldoen van € 1.562,99 uit hoofde van de door de vrouw betaalde schoolkosten, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, bij gebreke waarvan hij onmiddellijk in verzuim is en een rente verschuldigd is gelijk aan de wettelijke rente;

- bepaling dat de man binnen twee weken na de ten deze te wijzen beschikking aan de vrouw een bedrag dient te voldoen van € 686,- uit hoofde van de door de vrouw betaalde bijleskosten, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, bij gebreke waarvan hij onmiddellijk in verzuim is en een rente verschuldigd is gelijk aan de wettelijke rente;

- bepaling dat de man met ingang van de datum van de mondelinge behandeling op 27 januari 2026 47% dient bij te dragen aan niet vergoede ziektekosten (waaronder de kosten van de dyslextietest), schoolkosten (waaronder de ouderbijdrage en schoolkampen) en bijleskosten (waaronder de huiswerkbegeleiding bij Commpositie, de Citotraining bij Studiebinck, de dyslexie begeleiding en begrijpend lezen training), binnen twee weken nadat de vrouw aan de man de factuur hiervoor heeft verstrekt, dan wel een zodanig percentage als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, bij gebreke waarvan hij onmiddellijk in verzuim is en een rente verschuldigd is gelijk aan de wettelijke rente;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw, waaronder:

- het verzoek de man te verplichten op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan de vrouw informatie te verschaffen over al zijn bank- en beleggingsrekeningen per peildatum, waaronder de rekeningen bij First Direct, The Royal Bank of Scotland, een Deense bank en zijn Paypal account;

- het verzoek de man te verplichten op grond van artikel 843a Rv om aan de vrouw informatie te verstrekken over zijn aandelen in Shell, alsmede in Brewdog en eventuele andere aandelen, waaronder het aantal aandelen per peildatum, door onder andere zijn portfolio overview met daarbij de portfolio details en asset overview per [geboortedatum 5] 2024 te overleggen;

Ten aanzien van de pensioenen:

- de man op grond van artikel 843a Rv te verplichten om aan de vrouw informatie te verstrekken over zijn buitenlandse pensioenen, waaronder het door hem opgebouwde pensioen in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert – onder referte voor de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de bankrekeningen en het verzoek van de vrouw ten aanzien van de creditcardschuld – op dit moment nog verweer tegen het overige, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien verzoekt de man na wijziging, zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

- de vrouw op grond van artikel 843a Rv te verplichten om aan de man de volgende financiële gegevens te verstrekken:

- de laatste drie jaaropgaven;

- de laatste drie aangiften IB;

- drie recente salarisspecificaties;

bij gebreke waarvan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag, een gedeelte van de dag als gehele dag aan te merken, althans onder verbeurte van een zodanige dwangsom als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

- vaststelling van de verdeling van de vakantie- en feestdagenregeling conform het verzoek van de man;

- de vrouw op grond van artikel 843a Rv te verplichten om aan de man informatie te verschaffen over haar bankrekeningen en het saldo op de peildatum;

- de vrouw op grond van artikel 843a Rv te verplichten om aan de man informatie te verschaffen over de kapitaalverzekering en de waarde van de verzekering;

- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform

het voorstel van de man;

- de vrouw te verplichten om de bij haar in bezit zijnde pensioengegevens van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken op grond van artikel 843a Rv te verstrekken;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer tegen het door de man verzochte, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

De rechtbank begrijpt dat partijen op de zitting over en weer hun verzoeken op grond van artikel 843a Rv hebben ingetrokken, zodat de rechtbank daar niets meer op heeft te beslissen.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten was in Nederland en de vrouw verblijft daar nog, daarom komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.

De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Rechtsgeldigheid huwelijk

In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk van partijen in het buitenland is voltrokken, moet de rechtbank ambtshalve de vraag beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 BW erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang, omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden.

Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste lid BW). Het vierde lid van artikel 10:31 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

Uit het uittreksel van de huwelijksakte blijkt dat partijen op [datum] 2010 in [plaats 1] ( [land 1] ) zijn getrouwd. Gelet hierop wordt op grond van het vierde lid van artikel 10:31 BW vermoed dat het huwelijk tussen partijen rechtsgeldig is voltrokken, zodat het tussen de man en de vrouw in [land 1] gesloten huwelijk voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het huwelijk van partijen niet voor erkenning vatbaar is, zoals bedoeld in artikel 10:32 BW, is niet gebleken. Omdat het huwelijk aldus in Nederland wordt erkend, kan de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding.

Ontvankelijkheid

Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend zoals wettelijk is vereist. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding beoordelen, omdat het partijen niet gelukt is om op alle punten ten aanzien van de zorg voor de kinderen tot overeenstemming te komen.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De gewone verblijfplaats van de kinderen is in Nederland, daarom is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw moet worden bepaald. De rechtbank zal dienovereenkomstig en in het belang van de kinderen beslissen.

Gezag

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De gewone verblijfplaats van de kinderen is in Nederland, daarom is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de kinderen.

Inhoudelijke beoordeling

Op grond van artikel 1:251a BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

In de aanloop naar de mondelinge behandeling is gebleken dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt. Zij hebben geprobeerd in mediation afspraken te maken, maar dit is mislukt. De vrouw heeft daarna voor partijen een coachingstraject voorgesteld bij Lillian van Wesemael. Hier is de man niet naartoe gegaan, waarna de vrouw dit traject alleen heeft gevolgd. Dit heeft niet geholpen voor de verbetering van de onderlinge communicatie tussen ouders en heeft ertoe geleid dat de vrouw meerdere procedures aanhangig heeft gemaakt voor het nemen van gezagsbeslissingen via vervangende toestemming van de rechtbank. Uiteindelijk heeft één procedure hiervan geleid tot een zitting en een beschikking van 16 oktober 2025, waarbij de rechtbank onder meer vervangende toestemming aan de moeder heeft gegeven voor hulpverlening, medische onderzoeken, fysiotherapie en orthodontische behandeling. De ouders hebben ter gelegenheid van die zitting besloten een hulpverleningstraject aan te gaan voor het begeleiden van het contact tussen de vader en de kinderen via [organisatie] en een traject voor hun onderlinge communicatie bij [naam 4] . Bij [naam 4] hebben de ouders nu twee sessies gehad en het traject bij [organisatie] is om bij de rechtbank onbekende redenen niet (her)start. Volgens de vrouw komt dit omdat de man geen toestemming heeft gegeven hiervoor, maar de man weerspreekt dit.

Ter zitting is opnieuw duidelijk geworden dat de communicatie tussen de ouders slecht verloopt. De man heeft aangegeven dat hij de e-mails van de vrouw ongelezen in een apart mapje in zijn mailbox stopt omdat het hem te veel is. Hij vindt de e-mails van de vrouw en de verzoeken die zij daarin doet intimiderend en overweldigend. De e-mails van de vrouw die aan de rechtbank zijn overgelegd, komen de rechtbank niet als zodanig voor. De vrouw blijft de man verzoeken doen in het kader van gezagsbeslissingen en de man reageert hier niet adequaat, of helemaal niet op.. Concreet heeft dit er recent toe geleid dat de man zijn handtekening niet heeft gezet onder het schooladvies van [de minderjarige 3] , hoewel dit zowel door de vrouw als door de school van [de minderjarige 3] is verzocht.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen.

Het is voor de rechtbank duidelijk dat het nu niet goed gaat met de kinderen. Gewone gezagsbeslissingen met betrekking tot bijvoorbeeld school en medische behandelingen laten op zich wachten. Bovendien hebben de kinderen dringend psychologische hulp nodig, waarvoor de man moeizaam zijn toestemming geeft. Voor vakanties en reizen naar het Verenigd Koninkrijk naar de familie van de vrouw geeft de man ook geen of moeizaam toestemming. Als gevolg hiervan worden geen gezagsbeslissingen over de kinderen genomen en raken de kinderen klem en verloren tussen de ouders. Hoewel gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wet(gever) na echtscheiding, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een uitzonderingsgrond zoals bedoeld in artikel 1:251a BW. De rechtbank is van oordeel dat niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zal komen, ondanks dat de ouders nog een hulpverleningstraject bij [naam 4] volgen. De rechtbank acht het van groter belang dat er nu gezagsbeslissingen over de kinderen genomen worden. Mocht het hulpverleningstraject bij [naam 4] tot zichtbare verbetering leiden in de communicatie tussen ouders, als gevolg waarvan de kinderen niet meer klem zouden kunnen komen te zitten, kunnen de ouders in dat geval samen het gezamenlijk gezag aanvragen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van vrouw tot eenhoofdig gezag toe.

Omgangsregeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De gewone verblijfplaats van de kinderen is in Nederland, daarom is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw verzoekt de zorgregeling zoals bij beschikking van 16 oktober 2025 is bepaald vast te leggen, met dien verstande dat iedere keer aan alle kinderen de keuze wordt gegeven om contact met de man te hebben om de week op zaterdagmiddag, waarbij dezelfde voorwaarden gelden zoals bepaald bij beschikking van 16 oktober 2025. Dit houdt in dat de contactmomenten niet bij de man thuis plaatsvinden en de man voorafgaand aan het contactmoment een door de vrouw geregelde alcoholblaastest moet afnemen in het bijzijn van de vrouw, buiten de aanwezigheid van de kinderen. Bij beschikking van 16 oktober 2025 is deze regeling vastgelegd voor [de minderjarige 3] en is bepaald dat aan [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] per contactmoment de keuze wordt gelaten om naar de man te gaan. De vrouw acht het van belang dat voor alle drie kinderen dezelfde zorgregeling geldt en dat zij altijd mogen kiezen of zij wel of niet naar de man willen. De kinderen vinden eenmaal contact per twee weken op zaterdag soms al belastend.

De man voert verweer en voert aan dat dit een zeer minimale regeling is. Bij beschikking van 16 oktober 2025 is afgesproken dat dit een minimale regeling zou zijn die in samenwerking met hulpverlening zou worden uitgebreid naar, indien mogelijk, de regeling van om de week een weekend bij de man. De man benadrukt dat hij voor zijn gevoel altijd fijn contact met de kinderen heeft.

De rechtbank zal de omgangsregeling vaststellen zoals bepaald bij beschikking van 16 oktober 2025, waarbij [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] om de week op zaterdagmiddag met de man contact hebben voor vier uur. Uit de kindgesprekken is gebleken dat het voor [de minderjarige 2] rust geeft als zij deze keuze juist niet iedere keer hoeft te maken en het een gegeven is dat zij haar vader om de week op zaterdag ziet. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het vastleggen van een uitgebreidere regeling, omdat daar het draagvlak voor ontbreekt bij de kinderen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat uit de stukken blijkt dat er grote zorgen zijn over het alcoholgebruik van de man, bij zowel de vrouw als bij derden. De man bagatelliseert dit en geeft geen blijk van enig inzicht van het effect hiervan op de kinderen. De vastgestelde omgangsregeling zal niet gelden voor [de minderjarige 1] , die heeft aangegeven het heel moeilijk te hebben met het alcoholgebruik van de man.

In samenwerking met de hulpverlening is het mogelijk om deze regeling uit te breiden, maar de rechtbank ziet geen aanleiding daarop vooruit te lopen. Verder acht de rechtbank het in dit kader van belang dat de voorwaarde van het afnemen van een alcoholblaastest voorafgaand aan ieder contactmoment blijft bestaan, omdat de testen in de afgelopen tijd een aantal keer positief zijn uitgevallen. Hoewel de man heeft aangegeven dat dit maar licht positief was, is de rechtbank van oordeel dat van de man kan worden verwacht dat hij in het belang van de kinderen ervoor zorgt dat de blaastesten bij ieder contactmoment negatief zijn. Omdat deze voorwaarde blijft bestaan, acht de rechtbank het niet noodzakelijk om te bepalen dat de contactmomenten buiten de deur moeten plaatsvinden. De rechtbank zal bepalen dat dit bij de man thuis kan zijn.

Het verzoek om vaststelling van een vakantieregeling zal de rechtbank afwijzen. Hiervoor is momenteel onvoldoende draagvlak bij de kinderen. Er is gedurende deze echtscheidingsprocedure voor een langere periode geen contact geweest tussen de kinderen en de man. De rechtbank acht het voor nu van belang dat de reguliere omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] goed verloopt, zodat een vakantieregeling waarbij de kinderen gedurende de helft van de vakanties bij de man zijn nu niet aangewezen is. Mocht in de toekomst de reguliere omgangsregeling in samenwerking met de hulpverlening worden uitgebreid, kunnen de ouders ook een vakantieregeling overeenkomen.

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat de man met terugwerkende kracht met ingang van 1 juni 2024 gehouden is om een bijdrage aan kinderalimentatie te betalen aan de vrouw, waarna de bijdrage vanaf dat moment ieder jaar wordt geïndexeerd. Ook zijn zij het erover eens dat de behoefte wordt vastgesteld op basis van de gegevens en de inkomens van partijen van 2023, omdat dit het laatste jaar is dat zij hebben samengeleefd.

Behoefte

Voor de behoefteberekening zijn partijen het erover eens dat het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) in 2023 ruim € 10.000,- per maand bedroeg. Ingeval er gerekend wordt met de behoeftetabel conform de Tremanormen zijn zij het erover eens dat de behoefte van de kinderen in 2023 € 1.630,- per maand bedroeg, geïndexeerd naar 2024€ 1.731,- per maand. De vrouw heeft echter aangevoerd dat moet worden afgeweken van de behoeftetabel, omdat het inkomen van partijen aanmerkelijk hoger is dan het gemaximeerde bedrag van € 6.000 per maand en de kosten van de kinderen ook aanzienlijk hoger zijn. Ter onderbouwing heeft zij een behoeftelijst ingebracht waaruit een behoefte volgt van € 3.266,- per maand voor de drie kinderen. Deze behoefte omvat onder andere € 1.900,- per maand aan de door de vrouw gebruikte categorie ‘ontspanning’, waaronder zij € 900,- per maand rekent voor vakanties en familiebezoeken in het Verenigd Koninkrijk. De man betwist deze hogere behoefte en stelt zich op het standpunt dat gerekend moet worden met de tabellen, op grond waarvan hij kan instemmen met een behoefte van € 1.844,- per maand voor de drie kinderen in 2025.

Niet ter discussie staat dat het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode van de samenleving als gezin meer dan het maximale netto besteedbaar gezinsinkomen van

€ 6.000,- per maand (tabel 2024) bedroeg. De rechtbank moet dan ook bepalen of de behoefte van de kinderen hoger moet zijn dan de behoefte die past bij het maximale tabelbedrag. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag eigen aandeel van de ouders in de kosten kinderen alle normale kosten zoals voeding, kleding, sportbeoefening, maar ook ziektekosten, vakanties, schoolkosten en zakgeld zijn begrepen, met dien verstande dat in het tabelbedrag niet is begrepen dat wat kan worden betaald uit de kinderbijslag.

Binnen dat budget (tabelbedrag plus kinderbijslag) maken ouders bestedingskeuzes, waarbij als uitgangspunt geldt dat hoge kosten op een bepaald onderdeel een lagere besteding aan overige kostenposten met zich brengt. Slechts wanneer er sprake is van uitzonderlijke, niet in de tabel begrepen kosten die ook niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten, kan er aanleiding zijn om een correctie op het tabelbedrag toe te passen.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, de hogere kosten van de kinderen onvoldoende heeft onderbouwd. Het feit dat de vrouw bij haar laatste processtuk nog met een gewijzigd behoeftebedrag komt, welke ook nog eens jaarlijks verschilt, maakt al dat niet alle kosten noodzakelijk en structureel zijn. Wel acht de rechtbank dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat de door haar gemaakte (extra) kosten voor vakanties vanwege de familiebezoeken naar het Verenigd Koninkrijk niet geacht kunnen worden (volledig) te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag en ook niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te rekenen met de door de vrouw gestelde behoefte conform haar ingebrachte behoeftelijst, maar ziet wel aanleiding om het tabelbedrag in redelijkheid te verhogen tot € 2.100,- per maand voor de drie kinderen in 2024.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze (verhoogde) behoefte (eigen aandeel) tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht man

Voor de draagkrachtberekening van de man zijn partijen het erover eens dat uitgegaan moet worden van zijn jaaropgave van 2024 waaruit een bruto jaarinkomen van € 115.659,- volgt. De rechtbank volgt de draagkrachtberekening van de vrouw waarin zij het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2024 berekent op € 5.706,- per maand. Hieruit volgt conform de draagkrachtformule van 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,-)] een draagkracht van € 1.907,- per maand. De rechtbank neemt dit over in haar berekening.

Draagkracht vrouw

Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank eveneens uitgaan van de jaaropgave van de vrouw van 2024, waaruit een bruto jaarinkomen van € 127.729,- volgt. De rechtbank volgt hier ook de draagkrachtberekening van de vrouw. Het NBI van de vrouw bedroeg op basis daarvan € 6.741,- per maand in 2024, inclusief het door haar te ontvangen kindgebonden budget. De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank daarmee in 2024 op € 2.414,- per maand.

Draagkrachtvergelijking 1 juni 2024 – 1 januari 2025

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 4.321,- per maand (€ 1.907 + € 2.414). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.907 / 4.321 x 2.100 = € 927

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 2.414 / 4.321 x 2.100 = € 1.173

samen € 2.100

Van de totale behoefte komt een gedeelte van € 927,- per maand, wat neerkomt op € 309,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 1.173,- per maand, wat neerkomt op € 391,- per maand per kind komt voor rekening van de vrouw.

Partijen zijn het erover eens dat voor de periode 1 juni 2024 tot en met 1 april 2025 gerekend moet worden met een zorgkorting van 15%. Deze zorgkorting moet berekend worden over het eigen aandeel zonder de verhoging voor de (extra) kosten van de vakanties en reizen omdat deze extra kosten geheel voldaan worden door de vrouw en de man deze kosten dus niet zal maken. Voor de periode van 1 juni 2024 tot 1 januari 2025 bedraagt de zorgkorting dan € 260,- per maand (€ 1.731 x 15%). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage van 1 juni 2024 tot 1 januari 2025 bedraagt daarmee € 667,- per maand voor drie kinderen (€ 927 -/- € 260). De rechtbank zal dit vastleggen voor deze periode en verwijst hiervoor naar de aan deze beschikking gehechte berekening.

1 januari 2025 – 1 april 2025

Voor de periode van 1 januari 2025 tot 1 april 2025 zijn partijen het erover eens dat nog steeds met een zorgkorting van 15% gerekend moet worden. De bijdrage van de man van € 667,- per maand bedraagt daarom geïndexeerd naar 2025 € 710,- per maand voor drie kinderen.

1 april 2025 – 1 januari 2026

Vanaf 1 april 2025 zal de rechtbank een zorgkortingspercentage hanteren van 5%, omdat de man vanaf 23 maart 2025 tot begin november 2025 geen contact met de kinderen heeft gehad en dit percentage overeenkomt met de omgangsregeling zoals vastgesteld in deze beschikking..

Het aandeel van de man bedraagt geïndexeerd naar 2025 € 987,- per maand voor drie kinderen. Het geïndexeerde tabelbedrag bedraagt € 1.844,- (2025).De zorgkorting bedraagt alsdan € 92,- per maand in 2025 (€ 1.844,- x 5%). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 805,- per maand voor drie kinderen (€ 987 -/- € 92). De rechtbank zal dit vastleggen voor deze periode en verwijst hiervoor naar de aan deze beschikking gehechte berekening.

Vanaf 1 januari 2026

De bijdrage van € 805,- in 2025 bedraagt geïndexeerd naar 2026 € 842,- per maand voor drie kinderen. De rechtbank zal dit vanaf deze datum vastleggen.

Eenmalige kosten

De vrouw verzoekt naast de kinderalimentatie te bepalen dat de man aan de vrouw nog eenmalige kosten moet vergoeden, namelijk niet-vergoede medische kosten, schoolkosten en bijleskosten. Van de niet-vergoede medische kosten van € 1.799,- heeft de man bevestigd dat partijen hier bij de zitting van 9 oktober 2025 afspraken over hebben gemaakt, namelijk dat de man heeft ingestemd met een dyslexietest voor [de minderjarige 2] . In het dictum van de beschikking van 16 oktober 2025 is verder bepaald dat de niet-vergoede kosten hiervan door ouders bij helfte wordt gedragen. Naar de rechtbank begrijpt heeft de man dan ook ingestemd om in de helft van de kosten van de dyslexietest bij te dragen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen, in die zin dat de rechtbank bepaalt dat de man gehouden is de helft van het bedrag van € 1.799,- (€ 899,50) aan de vrouw te voldoen.

De verzoeken van de vrouw ten aanzien van de door haar gemaakt schoolkosten van € 1.562,99 en de bijleskosten van € 686,- zal de rechtbank afwijzen, tezamen met het verzoek van de vrouw om met ingang van de datum van de mondelinge behandeling te bepalen dat de man 47% moet bijdragen in de niet-vergoede ziektekosten, schoolkosten en bijleskosten. Deze kosten wordt in beginsel geacht te zijn verdisconteerd in de kinderalimentatie. Het rekensysteem van kinderalimentatie is gebaseerd op het uitgangspunt dat de verzorgende ouder de volledige verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voldoet. De vrouw wordt geacht deze kosten te voldoen uit de bijdrage aan kinderalimentatie van de man, haar eigen inkomen, het kindgebonden budget en de kinderbijslag.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).

Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen.

Krachtens artikel 4, eerste lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlands recht, nu de echtgenoten kennelijk hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd in Nederland en zich geen van de in artikel 4, tweede lid, van dat verdrag genoemde uitzonderingen voordoet.

Inhoudelijke beoordeling

Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.

Peildatum

Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 27 mei 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. Voor een saldo van een bankrekening vindt geen waardering plaats. Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden.

Omvang

Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:

a. [bankrekening 1] met een saldo per peildatum € 177.033,28;

b. [bankrekening 2] met een saldo van € 0,61 per peildatum;

c. [bankrekening 3] bij UK HSBC met een saldo per peildatum van £ 5,38;

d. [bankrekening 4] bij UK HSBC met een saldo per peildatum van £ 0,19;

e. [bankrekening 5] krediet bij ABN AMRO met een negatief saldo per peildatum van € 4.989,94.

de bankrekeningen van de vrouw:

a. [bankrekening 6] “Private account” met een saldo per peildatum van - € 450,07;

b. [bankrekening 7] “School kids stuff” met een saldo per peildatum van € 1.438,78;

c. [bankrekening 8] met saldo per peildatum van € 97,02

d. [bankrekening 9] met saldo per peildatum van € 0,33;

e. First Direct, [bankrekening 10] met saldo per peildatum van £ 1.963,88 (€ 2.338,58);

f. HSBC, [bankrekening 11] met saldo per peildatum van £ 153,53 (€ 182,82);

g. HSBC, [bankrekening 12] met saldo per peildatum van £ 2,24 (€ 2,67);

h. HSBC, [bankrekening 13] met saldo per peildatum van £ 39,09 (€ 47,41);

i. Paypall account met saldo per peildatum van € 0,-;

de gezamenlijke bankrekeningen van partijen:

a. First Direct, [bankrekening 14] , met saldo per peildatum van £ 11,71;

b. First Direct, [bankrekening 16] , met saldo per peildatum van £ 47,44;

de aandelen in Shell van de man en de vrouw;

de personenauto van het merk Citroën Picasso met kenteken [kenteken] ;

de inboedelgoederen, waaronder designertassen en -schoenen;

de verlovingsring van Tiffany & Co;

de creditcardschuld;

De rechtbank moet verder nog oordelen over:

de gestelde vergoedingsrechten van de vrouw ten aanzien van:

a. de hypotheekaflossing;

b. het bouwdepot;

c. de schenkingen van haar ouders;

d. de meer inbreng in de voormalige gezamenlijke woning in Aberdeen.

Ad. a – de echtelijke woning aan de [adres 3] met de daarop rustende hypothecaire geldlening

Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de vrouw moet worden toegedeeld. Partijen zijn het er verder over eens dat de woning getaxeerd moet worden, maar zij zijn het niet eens over de daarbij te volgen procedure. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat geen van partijen aanwezig is bij de taxatie, wijst de rechtbank af. Beide partijen mogen hierbij aanwezig zijn. Verder zal de rechtbank de vrouw een termijn van vier maanden verlenen na de taxatie om de financiering van de woning rond te krijgen.

Voor de hoogte van de hypothecaire geldlening moet worden uitgegaan van de datum van de overdracht van de woning, omdat dit de peildatum vormt voor de waardering van de feitelijke verdeling.

Ingeval de man zijn medewerking niet verleent aan de levering van de woning aan de vrouw (of ingeval de vrouw de woning niet kan overnemen aan een derde), ziet de rechtbank aanleiding om conform het verzoek van de vrouw te bepalen dat deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van een tot verkoop en tot levering van de woning bestemde overeenkomst, akte of van een deel van een zodanige overeenkomst of akte. Dit is gelegen in het feit dat de man niet adequaat of helemaal niet reageert op de vrouw zoals gebleken is in het kader van de verzoeken van de kinderen.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande ten aanzien van de echtelijke woning en de aan de echtelijke woning gekoppelde hypothecaire geldlening de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje.

Ad. b – de woning van de man in [plaats 3]

De man verzoekt zijn eigendomsdeel in de woning in [plaats 3] aan hem toe te delen, zonder verrekening met de vrouw. Daartoe voert de man aan dat zijn moeder deze woning in eigendom heeft overgedragen aan hem en zijn broer, ieder voor de helft. Zijn moeder heeft echter het gebruiksrecht van de woning totdat zij komt te overlijden. De man heeft daarom alleen de juridische eigendom van de woning en die vertegenwoordigt volgens hem geen waarde. De vrouw betwist dit en stelt dat zij recht heeft op vergoeding van de helft van de waarde van zijn eigendomsrecht van de woning in [plaats 3] .

De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de man erkend dat zijn eigendomsaandeel in de woning in [plaats 3] in de gemeenschap van goederen van partijen valt, reden waarom hij verzoekt dit eigendomsdeel aan hem toe te delen. De vrouw heeft op de zitting aangevoerd dat het eigendomsdeel van de man wel degelijk een waarde heeft en dat deze moet worden berekend met inachtneming van de waarde van het vruchtgebruik van de moeder van de man, conform de daarvoor gehanteerde berekeningswijze op de website van de Belastingdienst (https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/erfbelasting/content/berekening-waarde-vruchtgebruik-blote-eigendom-periodieke-uitkeringen).

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de moeder het gebruiksrecht van de woning heeft, niet maakt dat het aandeel van de man in de woning geen waarde vertegenwoordigt. Het gebruiksrecht van de moeder van de man kan naar Nederlands recht worden aangemerkt als vruchtgebruik van een woning die bloot eigendom is van de eigenaar (in dit geval twee eigenaren). Voor de bepaling van de waarde van het eigendomsrecht van de man moet eerst de waarde van het vruchtgebruik van zijn moeder worden berekend, waarna dit van de volledige waarde van de woning moet worden afgetrokken. De formule zal uiteindelijk als volgt zijn: waarde woning – ([6% x waarde woning] x 5). De helft van de hieruit volgende waarde is de waarde van het eigendomsdeel van de man, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de woning hypotheekvrij is, omdat de man deze stelling van de vrouw niet heeft weersproken. De laatstgenoemde vermenigvuldigingsfactor is afhankelijk van de leeftijd van degene die het vruchtgebruik heeft. Wanneer deze leeftijd tussen de 75 en de 80 jaar ligt, is de vermenigvuldigingsfactor 5. De vrouw heeft op de zitting onweersproken gesteld dat de moeder van de man nu 79 jaar oud is en in juni 80 jaar wordt. De waarde van het aandeel van de man moet worden berekend per datum van deze beschikking (17 maart 2026), omdat dit de datum van feitelijke verdeling is waarbij het eigendomsdeel van de man aan hem wordt toegedeeld. De vermenigvuldigingsfactor is daarom vijf voor de berekening van de waarde en de woning zal moeten worden getaxeerd op de waarde per vandaag.

De rechtbank zal bepalen dat het eigendomsdeel van de woning aan de man wordt toegedeeld, met verrekening van de helft van de waarde van het eigendomsdeel met de vrouw, volgend uit de hiervoor genoemde formule.

Ad. c, d & e – de bankrekeningen van partijen

Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen op naam van de man aan de man worden toegedeeld en de bankrekeningen op naam van de vrouw alsmede de gezamenlijke bankrekeningen aan de vrouw worden toegedeeld, onder onderlinge verrekening van de helft van de saldi per peildatum 27 mei 2024. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Deze verdeling geldt ook voor de bankrekening op naam van de vrouw bij ABN Amro [bankrekening 7] genaamd “school kids stuff”. Deze rekening staat op naam van de vrouw en niet op naam van de kinderen, zodat het saldo van deze rekening tot de gemeenschap behoort en per peildatum bij helfte moet worden verdeeld.

Ten aanzien van de bankrekening van de man bij ABN Amro [bankrekening 1] heeft de man op de zitting toegezegd zijn bankafschriften van zes maanden vóór de peildatum tot aan de peildatum aan de vrouw te verstrekken. De rechtbank zal dit in het dictum opnemen.

Ad. f – de aandelen in Shell van de man en de vrouw

Partijen zijn het erover eens dat voor de aandelen van de man in Shell uitgegaan moet worden van zijn Share Plan Account (SPA) van [geboortedatum 5] 2025, waaruit volgt dat hij toen 29,05317 aandelen bezat. Deze moeten worden gewaardeerd tegen de waarde van dit aantal aandelen op de datum van deze beschikking, waarna de helft van deze waarde aan de vrouw toekomt.

De aandelen van de vrouw in Shell moeten ook per datum beschikking worden gewaardeerd, waarna de helft van deze waarde aan de man toekomt. Door de man is op de zitting de vraag opgeworpen of de aandelen in het Performance Share Plan (PSP) van de vrouw ook bij de verdeling betrokken moeten worden. De rechtbank volgt de vrouw in haar stelling dat dit niet het geval is omdat deze aandelen op de peildatum nog niet gevest waren. De aandelen van de vrouw die in de gemeenschap vallen betreffen dus alleen haar aandelen in haar SPA. Uit de stukken volgt dat de vrouw op [geboortedatum 5] 2024 1.516,92447 aandelen in haar bezit had en dat zij na deze datum tot aan de peildatum niet meer aandelen heeft verkregen noch dat meer aandelen van haar zijn gevest.

De rechtbank zal bepalen dat aan partijen ieder zijn/haar eigen aandelen per peildatum van de omvang van de gemeenschap worden toegedeeld, waarbij de totaalwaarde van deze aandelen wordt berekend per datum van deze beschikking als peildatum van de feitelijke verdeling, waarna zij ieder de helft van deze waarde aan elkaar moeten voldoen.

Ad. g – de personenauto van het merk Citroën Picasso met kenteken [kenteken]

Partijen zijn het erover eens dat de auto wordt toegedeeld aan de vrouw, onder vergoeding van € 3.975,- aan de man. De rechtbank zal daarbij het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man binnen vier weken na deze beschikking moet meewerken aan wijziging van de tenaamstelling van de auto op naam van de vrouw en de wijziging van de verzekering toewijzen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, omdat de rechtbank de financiële prikkel voor de man nodig acht en de rechtbank een termijn van vier weken na de datum van deze beschikking niet onredelijk voorkomt.

De man verzoekt de helft van de vordering van partijen op de Citroën dealer bij helfte te verdelen, zodat aan de man nog € 752,21 toekomt. De vrouw moet dit volgens hem bij de dealer afhandelen. De vrouw weerspreekt dat partijen een vordering op de dealer hebben. Onduidelijk is of de schade onder de garantie van partijen valt en of zij de reparatiekosten terug zullen krijgen. Het had op de weg van de man gelegen nader te onderbouwen dat dit bedrag mogelijk onder de garantie valt en terugbetaald zal worden aan partijen. Daarmee staat dus niet vast dat de gemeenschap een vordering heeft op de dealer. De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom af.

Ad. h - de inboedelgoederen, waaronder designertassen en -schoenen

De verdeling van de inboedelgoederen uit de echtelijke woning is tussen partijen in geschil. De man betwist niet dat hij een groot deel van de inboedel in de zomer van 2024 heeft meegenomen, waaronder antieke meubelstukken en bepaalde designertassen en -schoenen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door beide partijen overgelegde inboedellijsten, de man momenteel is overbedeeld in de inboedel. De rechtbank kan de waarde van de inboedel die beide partijen onder zich hebben niet precies vaststellen, maar acht het op basis van de overgelegde inboedellijsten aannemelijk dat de man momenteel inboedel onder zich heeft van duidelijk hogere waarde dan de vrouw. De rechtbank stelt op basis van de overgelegde stukken het bedrag aan overbedeling van de man in redelijkheid vast op € 10.000,-. De man dient daarom nog € 5.000,- aan de vrouw te voldoen.

Ad. i - de verlovingsring van Tiffany & Co

Op de zitting heeft de man erkend de verlovingsring te hebben meegenomen uit de woning. De man heeft daarbij aangegeven dat deze nu in een opslag ligt. De vrouw betwist dit en stelt dat er niets in deze opslagruimte ligt. Partijen zijn het er niet over eens hoe de ring verdeeld moet worden. Zij willen beiden de ring niet toegedeeld krijgen, maar de helft van de waarde vergoed krijgen van de ander. Omdat vaststaat dat de man de ring voor het laatst in zijn bezit heeft gehad, zal de rechtbank de ring aan hem toedelen. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de door de vrouw gestelde waarde van € 30.000,-. De vrouw heeft deze waarde namelijk berekend door de gegevens van het oorspronkelijke aankoopcertificaat te vergelijken met de huidige prijzen van vergelijkbare juwelen. De man moet daarom de vrouw nog € 15.000,- voldoen.

Ad. j – de creditcardschuld

Partijen zijn het erover eens dat de creditcardschuld van de vrouw bij helfte moet worden gedragen, als gevolg waarvan de man de vrouw nog € 50,08 moet voldoen.

Ad. k – de ‘vergoedingsrechten’ van de vrouw

Ten aanzien van de hypotheekaflossing

Voor de hypothecaire geldlening van partijen op de echtelijke woning stelt de rechtbank voorop dat de vrouw sinds 1 februari 2025 de volledige hypotheeklasten voor haar rekening heeft genomen, dus zowel de rente als de volledige aflossing. De man was, gelet op de eigendomsverhouding, gehouden om de helft van de aflossing voor zijn rekening te nemen. De man betwist dat de vrouw hierdoor een vergoedingsrecht heeft omdat hij een andere woning heeft moeten huren en de vrouw het woongenot van de echtelijke woning had. Hij heeft hiervoor echter geen (tegen)verzoek ingediend en heeft evenmin bijgedragen aan de rentelasten van de woning. Dit laat dan ook onverlet dat de vrouw krachtens artikel 1:87 BW een vergoedingsrecht jegens de man toekomt waarop de beleggingsleer van toepassing is. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw toe en zal bepalen dat zij een vergoedingsrecht op de man heeft voor de hypotheekaflossingen die zij heeft gedaan vanaf 1 februari 2025 tot aan de datum van de overdracht van de woning. De rechtbank zal hierbij de door de vrouw ook gehanteerde formule toepassen conform de beleggingsleer, inhoudende dat het bedrag aan hypotheekaflossingen gedeeld wordt door het aankoopbedrag van de woning, zijnde € 520.000,-, vermenigvuldigd met de huidige waarde van de woning. De huidige waarde van de woning zal blijken uit de taxatie (bij overname door de vrouw) dan wel de verkoopprijs bij verkoop aan een derde, waarna het vergoedingsrecht van de vrouw aan de hand van deze formule kan worden berekend.

Ten aanzien van de aflossing en de rente op het bouwdepot

Het bouwdepot bij ABN AMRO van € 200.000,- is destijds uitgekeerd op de bankrekening van de man bij ABN Amro [bankrekening 1] . Uit de stukken blijkt dat op de peildatum het saldo van deze rekening € 177.033,28 bedroeg.

De vrouw stelt dat partijen op 31 oktober 2024 (dus na de peildatum) de afspraak hebben gemaakt dat de man op dat moment het bouwdepot in zijn geheel zou aflossen omdat het saldo op zijn rekening stond. De man is deze afspraak echter niet nagekomen. De vrouw heeft sindsdien de volledige kosten van het bouwdepot voor haar rekening genomen, te weten de maandelijkse aflossing van € 288,44 en rentekosten van € 729,29, totaal € 1.018,13 per maand. Dit heeft de man niet weersproken. De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man vanaf oktober 2024 voor het gehele bedrag aan maandelijkse aflossing en rentekosten.

De man betwist dit omdat de schuld uit het bouwdepot een gemeenschappelijke schuld is die bij helfte gedragen moet worden. De uitgaven uit het uitgekeerde bouwdepot zijn volgens hem besteed aan de kosten van de huishouding.

In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. In beginsel worden schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit.

De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een gemeenschappelijke schuld die door de man en de vrouw voor een gelijk deel moet worden gedragen. De rechtbank is echter van oordeel dat het in dit geval op grond van de eisen van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de vrouw vanaf oktober 2024 (mede) draagplichtig is voor de rente over de schuld uit het bouwdepot. Daartoe overweegt de rechtbank dat partijen in oktober 2024 hadden afgesproken dat de man, met het op dat moment aanwezige saldo, de resterende schuld in zijn geheel zou aflossen. Als de man deze afspraak was nagekomen, hadden de maandelijkse rentekosten voorkomen kunnen worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de man vanaf oktober 2024 volledig draagplichtig is voor de rente op deze schuld. De vrouw heeft op grond daarvan een vergoedingsrecht op de man voor het gehele bedrag aan rente dat zij in dit verband vanaf oktober 2024 heeft voldaan en nog zal voldoen. Niet valt in te zien waarom de door de man gestelde omstandigheid dat hij het bouwdepot heeft aangewend om te voorzien in de kosten van levensonderhoud, dit oordeel anders zou maken.

Wat betreft de aflossingstermijnen die de vrouw heeft voldaan, geldt het volgende. Het betreft hier een schuld van de gemeenschap die de vrouw deels heeft afgelost. Zij heeft voor de voldane aflossingstermijnen een vergoedingsvordering op de (ontbonden) gemeenschap en dus niet op de man. Het verzoek kan in zoverre worden toegewezen.

Ten aanzien van de schenking van de ouders

De vrouw stelt dat zij schenkingen van € 206.288,97onder uitsluitingsclausule heeft verkregen van haar ouders. Er was volgens haar sprake van wilsovereenstemming tussen haar en haar ouders in die zin dat het de bedoeling van haar ouders was dat deze schenkingen niet in de gemeenschap zouden vallen. Deze schenkingen zijn volgens de vrouw besteed aan de kosten voor de huishouding en aan hypotheekaflossingen van de echtelijke woning. Ter onderbouwing hiervan heeft zij berichten van haar ouders ten tijde van de schenkingen overgelegd waaruit volgt dat de schenkingen niet voor de man bedoeld waren. Ook heeft zij een brief van haar ouders overgelegd waarin zij aangeven dat het uitdrukkelijk niet hun bedoeling was om de schenkingen in de gemeenschap te laten vallen. De ouders wisten niet en konden ook niet weten dat het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, op grond waarvan hun schenkingen in de gemeenschap zouden vallen. De vrouw heeft ook een brief overgelegd van de notaris van de ouders waarin hij aangeeft dat hij de ouders hierover niet heeft geadviseerd en dat zij dus niet op de hoogte waren van de gevolgen van de toepasselijkheid van het Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van partijen.

De man betwist dat de schenkingen bij uitsluiting zijn gedaan. Volgens hem hebben de ouders van de vrouw aan beide partijen geschonken. De door de vrouw overgelegde brieven en berichten van de ouders zijn pas later opgemaakt en niet tijdens de schenkingen. De man betwist niet de hoogte van het bedrag en de besteding ervan.

De rechtbank is van oordeel dat de schenkingen van de ouders van de vrouw alleen aan de vrouw zijn gedaan en niet ook aan de man. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat ervan uitgegaan kan worden dat de ouders van de vrouw niet op de hoogte waren van de toepasselijkheid van het Nederlands huwelijksvermogensrecht, waaruit volgt dat van rechtswege een algehele gemeenschap van goederen ontstaat (ten tijde van het huwelijk van partijen) die inhoudt dat schenkingen zonder uitsluitingsclausule in de gemeenschap vallen. Hierdoor is de schenking niet gedaan onder een expliciete uitsluitingsclausule. Dit laatste is echter ook niet nodig om onder uitsluiting te kunnen schenken. Schenkingsovereenkomsten zijn vormvrij en daarmee de uitsluitingsclausule ook. Vereist is alleen dat er wilsovereenstemming is tussen de ouders en de vrouw ten tijde van de schenkingen, in die zin dat hun beider wil erop gericht was dat de schenkingen niet in de gemeenschap zouden vallen en dus bij een echtscheiding niet gedeeld zouden hoeven worden. De vrouw heeft dit met de overgelegde stukken voldoende onderbouwd. Hier heeft de man onvoldoende tegenover gesteld. De enkele, niet onderbouwde, stelling dat de berichten en de brieven van de ouders pas na de schenkingen gemaakt zouden zijn, is hiervoor niet voldoende. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft van € 206.288,97 op de gemeenschap, ten gevolge waarvan de man de vrouw nog € 103.144,48 moet voldoen.

Ten aanzien van de meer inbreng in de voormalige gezamenlijke woning in Aberdeen

De vrouw stelt een vergoedingsrecht op de gemeenschap te hebben van £ 60.000,- conform de beleggingsleer, vanwege haar meer inbreng bij de aankoop van de gezamenlijke woning in Aberdeen destijds. Partijen hebben hierover een overeenkomst gesloten waaruit volgt dat de vrouw een vordering heeft op de man ter hoogte van dit bedrag, vermeerderd met de waardestijging van het door de vrouw meer ingebrachte bedrag van £ 60.000,-. Daarom heeft zij een vordering op de man van £ 103.492,72, omgerekend € 125.191,53. Deze overeenkomst is volgens haar aan te merken als huwelijkse voorwaarden. De man betwist dit en stelt dat partijen deze overeenkomst voorafgaand aan het huwelijk hebben gesloten. Omdat partijen in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, is deze overeenkomst komen te vervallen. Op de zitting heeft de man daarnaast aangegeven dat het door de vrouw meer ingebrachte geld een lening was van de ouders van de vrouw, die de vrouw na de verkoop van de woning aan haar ouders heeft terugbetaald. De vrouw betwist dit op haar beurt weer en stelt dat dit bedrag toen aan haar had moeten toekomen, wat volgens haar niet is gebeurd.

De rechtbank overweegt dat vaststaat dat het door de vrouw meer ingebrachte bedrag van £ 60.000,- in de aankoop van de voormalig gezamenlijke woning van partijen is geïnvesteerd. Verder staat vast dat deze woning tijdens het huwelijk is verkocht. Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden opgemaakt. De door hen opgemaakt overeenkomst ten tijde van de aankoop van de woning is niet als zodanig aan te merken. Huwelijkse voorwaarden moeten immers op grond van artikel 1:115 BW opgemaakt worden bij notariële akte, op straffe van nietigheid hiervan. De vordering die de vrouw mogelijk uit hoofde van deze overeenkomst had voordat partijen getrouwd waren, is met het huwelijk in de algehele gemeenschap komen te vallen, net als de schuld van de man aan de vrouw. Alle bestaande en toekomstige schulden vallen namelijk in de algehele gemeenschap van goederen. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

Pensioenen

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van nevenvoorzieningen op grond van artikel 4 lid 3 Rv.

Of een echtgenoot bij echtscheiding recht heeft op een gedeelte van de door de andere echtgenoot opgebouwde pensioenrechten, wordt op grond van artikel 10:51 BW beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten, behoudens artikel 1, zevende lid, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS). Op dit verzoek is dus Nederlands recht van toepassing.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw stelt dat de pensioenen van partijen moeten worden verevend conform de wet. Zij heeft echter geen inzage in het opgebouwde pensioen van de man in het Verenigd Koninkrijk (Schlumberger te Aberdeen, UK) en Denemarken (Hess te Kopenhagen). De man moet deze stukken in het geding brengen. De man heeft op de zitting toegezegd een overzicht hiervan aan de vrouw verstrekken. Hij verwacht dit ook van de vrouw.

Gelet op het voorgaande hebben partijen op de zitting over en weer aangegeven elkaar hun pensioenoverzicht ten aanzien van hun ouderdomspensioen te zullen verstrekken. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen tot wettelijke pensioenverevening, zoals bepaald in artikel 1:155 BW en in de WVPS, zullen overgaan. Voor zover er hieromtrent nog verzoeken voorliggen, zal de rechtbank deze verzoeken afwijzen, omdat partijen de pensioenverevening op grond van deze wet zelf kunnen uitvoeren.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de man [de man] , geboren op [geboortedatum 4] 1979 en de vrouw [naam 1] (in de Basisregistratie Personen vermeld als [de vrouw] ), geboren op [geboortedatum 5] 1980, gehuwd op [datum] 2010 te [plaats 1] ( [land 1] );

*

bepaalt dat de minderjarigen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats] ,

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

*

bepaalt dat, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de vrouw alleen het ouderlijk gezag uitoefent over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] ;

verzoekt de advocaat van de vrouw, gelet op het bepaalde in artikel 1:253p, tweede lid, BW, na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand hiervan melding te doen bij het gezagsregister;

*

bepaalt dat de minderjarigen [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] , bij de man zullen zijn:

- om de week op zaterdagmiddag voor de duur van vier uur, waarbij de man voorafgaand aan het contactmoment een door de vrouw geregelde alcoholblaastest moet afnemen, in het bijzijn van de vrouw en buiten aanwezigheid van de kinderen, en waarbij de man de kinderen het eind van de middag of in de avond terugbrengt naar de vrouw;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, over de periode van 1 juni 2024 tot 1 januari 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 667,- per maand zal betalen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, over de periode van 1 januari 2025 tot 1 april 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 710,- per maand zal betalen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, over de periode van 1 april 2025 tot 1 januari 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 805,- per maand zal betalen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 842,- per maand (€ 280,67 per kind per maand) zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man gehouden is bij helfte bij te dragen aan de dyslexietest voor [de minderjarige 2] , inhoudende dat de man aan de vrouw € 899,50 moet voldoen;

*

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1. met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 3] , met de daarop rustende hypothecaire geldleningen bij ABN Amro met kenmerk [kenmerk 1] en [kenmerk 2] en een bouwdepot bij ABN Amro;

1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning, waarbij beide partijen aanwezig mogen zijn. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;

b) de vrouw dient binnen vier maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;

c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;

d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;

e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

f) bij gebreke van medewerking van de man, treedt deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats van een tot verkoop en tot levering van de woning bestemde overeenkomst, akte of van een deel van zodanige overeenkomst of akte;

2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;

c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

d) bij gebreke van medewerking van de man, treedt deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats van een tot verkoop en tot levering van de woning bestemde overeenkomst, akte of van een deel van zodanige overeenkomst of akte;

2) met betrekking tot de woning van de man aan [adres 4] te [land 2] :

- bepaalt dat aan de man zijn eigendomsdeel van de woning wordt toegedeeld, onder vergoeding van de helft van de waarde van zijn eigendomsdeel aan de vrouw, waarbij de waarde hiervan wordt berekend conform de formule: waarde woning – ([6% x waarde woning] x 5) en de waarde van de woning door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen deskundige wordt getaxeerd tegen de datum van deze beschikking;

3) met betrekking tot de bankrekeningen van partijen:

4) met betrekking tot de aandelen van de man en de vrouw in Shell;

- bepaalt dat aan partijen ieder zijn/haar eigen aantal aandelen per peildatum van de omvang van de gemeenschap worden toegedeeld, waarbij zij elkaar over en weer de totaalwaarde van deze aandelen moeten verstrekken per peildatum van de feitelijke verdeling, waarna zij ieder de helft aan elkaar moeten voldoen;

5) met betrekking tot de personenauto van het merk Citroën Picasso, kenteken [kenteken] :

- bepaalt dat deze auto aan de vrouw wordt toegedeeld, onder vergoeding van € 3.975,- aan de man, onder de verplichting dat de man binnen vier weken na de ten deze te wijzen beschikking meewerkt aan de wijziging van de tenaamstelling van de auto op naam van de vrouw en het overdragen van de verzekering (inclusief schadevrije jaren) aan de vrouw, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag dat de man hieraan niet meewerkt;

6) met betrekking tot de inboedel, waaronder de designertassen en -schoenen;

- bepaalt dat de man uit hoofde van overbedeling van de inboedel de vrouw gehouden is € 5.000,- te voldoen;

7) met betrekking tot de verlovingsring van Tiffany & Co:

- bepaalt dat de verlovingsring aan de man wordt toegedeeld, onder vergoeding van de helft van de waarde van € 30.000,- aan de vrouw, zodat de man de vrouw € 15.000,- moet voldoen;

8) met betrekking tot de creditcardschuld:

- bepaalt dat de man aan de vrouw uit hoofde van de creditcardschuld van de vrouw een bedrag van € 50,08 aan de vrouw moet voldoen;

9) met betrekking tot de door de vrouw verzochte ‘vergoedingsrechten’:

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.E. Meisters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?