Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 30 oktober 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker],
in de basisregistratie personen geregistreerd als: [verzoeker],
verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Engelbertink te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: [gemachtigde].
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 29 januari 2026 van de Staat;
- de brief van 13 februari 2026 van verzoeker.
Verzoek en het advies van de Staat
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats], [geboorteland].
- Verzoeker is op 3 juni 2024 Nederland ingereisd en heeft op 4 juni 2024 een
verblijfsvergunning asiel aangevraagd.
- Aan verzoeker is een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd verleend met
ingang van 3 juni 2024, geldig tot 3 juni 2029.
- Verzoeker heeft bij zijn asielaanvraag dan wel het onderhavige verzoekschrift de
volgende documenten overgelegd:
- paspoort, afgegeven door de Palestijnse autoriteit, door Bureau Documenten van de IND onderzocht en echt bevonden;
- identiteitskaart, afgegeven door de Palestijnse autoriteit, door Bureau Documenten van de IND onderzocht en echt bevonden;
- een e-UNRWA family registration card;
- een kopie van de geboorteakte van verzoeker, met vertaling.
Beoordeling
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden, Saoedi-Arabië, Egypte, Turkije en Griekenland in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken.
Wordt verzoeker als onderdaan van Palestijnse gebieden beschouwd?
Gelet op het door verzoeker overgelegde paspoort en de door verzoeker overgelegde identiteitskaart – welke documenten echt zijn bevonden –, kan volgens de rechtbank worden vastgesteld dat verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.
Wordt verzoeker als onderdaan van Saoedi-Arabië beschouwd?
Verzoeker is geboren in [geboorteplaats], [geboorteland]. Verzoeker is een maand na zijn geboorte met zijn ouders teruggekeerd naar Gaza. Artikel 7 van de nationaliteitswet van Saoedi-Arabië bepaalt, voor zover van belang, dat Saoedi-Arabisch onderdaan is degene die in het Koninkrijk Saoedi-Arabië is geboren als kind van onbekende ouders. Hiervan is geen sprake, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de nationaliteit van Saoedi-Arabië heeft.
Wordt verzoeker als onderdaan van Egypte beschouwd?
Verzoeker heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat hij na zijn vertrek uit Gaza op 2 februari 2020 naar Egypte is gereisd en daar tot 8 maart 2020 heeft verbleven.
Artikel 4 van de wet met betrekking tot de Egyptische nationaliteit bepaalt dat de Egyptische nationaliteit kan worden verleend aan iedere vreemdeling die gedurende tien achtereenvolgende jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn gewone verblijfplaats in Egypte had, indien hij meerderjarig is en aan de in §4 van die wet genoemde voorwaarden voldoet.
Nu verzoeker volgens zijn verklaring maar korte tijd in Egypte heeft verbleven acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker de Egyptische nationaliteit heeft verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van Turkije beschouwd?
Verzoeker heeft verklaard dat hij van 8 maart 2020 tot 31 januari 2024 in Turkije heeft verbleven. Hij had daar een verblijfsstatus, die later is ingetrokken als gevolg van aangescherpte regels.
Artikel 11 van de wet op het Turks staatsburgerschap bepaalt dat een vreemdeling in aanmerking kan komen voor het Turks staatsburgerschap indien hij gedurende vijf jaren voorafgaande aan de datum van het verzoek tot naturalisatie onafgebroken in Turkije ingeschreven is geweest. Daarvan is niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de nationaliteit van Turkije heeft verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van Griekenland beschouwd?
Verzoeker heeft verklaard dat hij van 31 januari 2024 tot 4 juni 2024 in Griekenland heeft verbleven. Hij heeft daar asiel aangevraagd en een verblijfsvergunning gekregen.
Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Griekse nationaliteitswet bepaalt dat de vreemdeling die het Grieks burgerschap wil verkrijgen door naturalisatie gedurende een periode van zeven jaren voor het indienen van het naturalisatieverzoek wettig in Griekenland moet verblijven. Gelet op de periode dat verzoeker in Griekenland heeft verbleven, is aan die voorwaarde niet voldaan. Ook is niet gebleken dat verzoeker valt onder de uitzonderingen die geformuleerd zijn in voornoemd wetsartikel.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is.