Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en dwangsom
Beschikking op het op 18 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Shahbazi te ’s-Gravenhage (voorheen: mr. L.T.C.M. Geurts).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Cortet te Utrecht.
Als informant wordt aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Procedure
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 september 2025 is een voorlopige omgangsregeling van [minderjarige] met de moeder vastgesteld, is verder iedere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de dwangsom aangehouden tot 1 januari 2026 pro forma en zijn de overige (zelfstandige) verzoeken afgewezen.
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 4 maart 2026 is op de zitting van deze rechtbank zowel het onderhavige verzoek als
het verzoek van de GI tot verlening van een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (zaak- en rekestnummer C/09/698647 / JE RK 26-157) gecombineerd behandeld. Op het verzoek tot verlening van de machtiging uithuisplaatsing is bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de gecombineerde (hybride) behandeling waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door advocaat R. Shabazi en tolk Makadam;
- de vader, aanwezig via videoverbinding;
- de advocaat van de vader;
- namens de GI: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
Feiten
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikkingen van 4 september 2025.
Aanvullende feiten
Bij beschikking van 30 januari 2026 (C/09/698647 / JE RK 26-157 en C/09/698654 / JE RK 26-158) heeft de kinderrechter van deze rechtbank:
Bij beschikking van 12 februari 2026 en schriftelijk uitgewerkt op 23 februari 2026 (C/09/698647 / JE RK 26-157 en C/09/698654 / JE RK 26-158) heeft de kinderrechter van deze rechtbank:
4 maart 2026;
Op 2, 3 en (een deel van) 4 maart 2026 heeft een medewerker van [instelling 1] overdag de opvoedsituatie bij de moeder thuis geobserveerd. [minderjarige] was die dagen bij de moeder en heeft daar ook overnacht. Voor de zitting in onderhavige procedure, die op 4 maart was, is aan de rechtbank tijdig een (concept)rapportage overgelegd.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist voor zover hier niet anders overwogen en beslist.
De nog voorliggende verzoeken
Van de moeder:
- primair: het toewijzen van het verzoek ex artikel 1:253a lid 2 sub b BW om het
hoofdverblijf van [minderjarige] voortaan bij moeder te bepalen;
- subsidiair: het toewijzen van het verzoek om de moeder van een uitgebreidere
omgangsregeling te voorzien, waarbij de vader [minderjarige] elke dinsdagochtend om
9:00 uur brengt naar Utrecht en de vader [minderjarige] elke donderdagavond om 17:00
uur ophaalt bij de moeder en de vader een dwangsom op te leggen ten hoogte van
€ 500 per keer dat de omgangsregeling niet wordt nageleefd;
- meer subsidiair: een zodanige regeling te treffen die de rechtbank juist en redelijk
acht en de vader een dwangsom op te leggen ten hoogte van € 500 per keer dat de
omgangsregeling niet wordt nageleefd;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Van de vader:
- een voorlopige zorgregeling te bepalen, waarbij de moeder twee keer in de week
contact heeft met [minderjarige] , op dinsdag en donderdag, onder begeleiding van een
medewerker van [instelling 2] ;
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Hoofdverblijf
De GI heeft een (spoed)verzoek tot uithuisplaatsing ingediend, en de rechtbank heeft dit toegewezen, omdat de vader van [minderjarige] ernstig ziek is geworden en hij niet langer voor [minderjarige] kon zorgen. Uit de update brief van de GI blijkt dat de vader zich sinds de start van die uithuisplaatsing niet heeft gehouden aan de afspraken over de omgang met [minderjarige] en dat hij kortaf, geïrriteerd of verwijtend reageerde als de GI hem daarop aansprak. Na de zitting van 12 februari 2026 zijn bovendien zorgen ontstaan over de opvoedsituatie bij de vader. Volgens de GI heeft de vader de pleegouders van [minderjarige] verteld dat hij [minderjarige] wilde ophalen en met haar wilde onderduiken. Er zijn vervolgens direct allerlei veiligheidsmaatregelen genomen, waaronder een ‘aandacht op locatie’ bij de politie. In de daaropvolgende dagen heeft de vader, samen met zijn broer, sterk aangedrongen op onmiddellijke beëindiging van de uithuisplaatsing en ontvingen de pleegouders dreigende berichten. Tijdens de begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader, waarbij ook de moeder aanwezig was, zag de GI dat de vader meerdere keren boos, gespannen of geïrriteerd op [minderjarige] reageerde, dat hij moeite leek te hebben om aan te sluiten bij de belevingswereld van [minderjarige] en dat hij een lage energiebalans leek te hebben. De GI trekt in de update brief vervolgens de conclusie dat er geen veilige basis bestaat om op dit moment (onbegeleid contact of) terugplaatsing richting vader te overwegen.
De rechtbank maakt uit de update brief van de GI op dat de GI bij de eigen observaties van het contact tussen [minderjarige] en de moeder op 17 februari 2026, 20 februari 2026 en 24 februari 2026 geen zorgen constateerde over het contact, de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] als zij met de moeder is. In de update brief staat dat de moeder goed aansloot bij de energie van [minderjarige] , responsiviteit en sensitiviteit toonde, goed was afgestemd op [minderjarige] , goed aansloot bij de behoeftes van [minderjarige] en spelenderwijs grenzen en duidelijke instructies gaf. [instelling 1] noemt in haar rapportage een aantal aandachtspunten, die er op neer komen dat [minderjarige] een sterk karakter heeft, veel zelf bepaalt en het moeilijk vindt om te accepteren dat dingen anders gaan dan zij wil en dat de moeder daarin te weinig leiding neemt.
De vader heeft ter zitting het vorenstaande voor wat betreft de beschuldigingen van de GI aan zijn adres betwist, maar heeft bevestigd dat hij nu zelf niet kan zorgen voor [minderjarige] nu hij is gediagnosticeerd met een ernstige ziekte waarvoor hij al zijn tijd, aandacht en energie nodig heeft. Hij kan daarom, na goede gesprekken met de moeder te hebben gevoerd, instemmen met een voorlopig hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder, waarbij [minderjarige] ook feitelijk niet langer bij de pleegouders, maar bij de moeder gaat wonen.
De rechtbank is verrast door deze houding van de vader. Partijen voeren inmiddels al ruim een jaar een verbeten juridische strijd om [minderjarige] . Deze strijd hield samengevat in dat de moeder onbegeleid en ruim contact met [minderjarige] wilde, en dat de vader in alle toonaarden volhield dat [minderjarige] niet veilig was bij de moeder. Deze strijd heeft vergaande consequenties voor [minderjarige] gehad. Zij heeft zich staande moeten houden in een situatie waarin niets zeker was. Zij had afwisselend begeleid, geen of onbegeleid contact met haar moeder, variërend van een paar uur tot een paar dagen. Zij heeft bij de moeder overnacht, wat opeens niet meer doorging en later toch weer wel. Zij heeft te maken gehad met mensen die vreemd voor haar waren maar zich wel met haar bemoeiden, ook als ze met haar vader en/of moeder was. Dit alles is zeer onrustig geweest voor [minderjarige] en de rechtbank kan niet anders dan aannemen dat dit heel erg veel van [minderjarige] heeft gevraagd.
Nu blijkt de vader een draai van 180 graden te hebben gemaakt en ermee in te stemmen dat [minderjarige] bij de moeder gaat verblijven. De rechtbank is, behalve verrast, ook verheugd dat de vader zijn bezwaren over de veiligheid van [minderjarige] laat varen en er kennelijk vertrouwen in heeft dat [minderjarige] veilig is bij de moeder. De rechtbank spreekt in het belang van [minderjarige] nadrukkelijk de hoop uit dat partijen nimmer meer zo tegenover elkaar komen te staan als in het afgelopen jaar.
Nu de GI heeft aangegeven dat er op dit moment geen veilige basis bestaat om terugplaatsing richting vader te overwegen en bovendien heeft aangegeven dat zij een goed en warm contact ziet tussen [minderjarige] en de moeder, maar dat [instelling 1] nog wel een aantal aandachtspunten heeft, en nu de vader geen zorgen meer heeft over de veiligheid van [minderjarige] als zij bij de moeder is, zal de rechtbank het verzoek van de moeder om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen, toewijzen. Op de zitting is besproken dat de aandachtspunten van [instelling 1] opgepakt zullen worden door Stichting Jeugdhulp of een andere partij.
De vader heeft aangegeven alleen in te stemmen met het voorlopige hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder, omdat hij wellicht het hoofdverblijf van [minderjarige] weer bij hem bepaald wil hebben als zijn gezondheid zou verbeteren. De rechtbank gaat hier niet in mee. Er moet nu rust komen voor [minderjarige] . Het getouwtrek tussen ouders moet stoppen en het moet voor [minderjarige] duidelijk zijn waar zij woont en met wie zij verblijft. De rechtbank zal daarom het hoofdverblijf van [minderjarige] in haar belang definitief bij de moeder te bepalen.
Omgang
De verzoeken betreffende de omgang zien op omgang van [minderjarige] met de moeder. Nu [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder zal hebben, zal de rechtbank deze verzoeken afwijzen.
Beslissing
De rechtbank
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] , haar hoofdverblijf bij de moeder zal hebben en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door
mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 maart 2026.