RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59934
geboren op [geboortedatum] ,
van Sri Lankaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is ook geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend. Aan eiser is wel een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten en moet vertrekken naar Sri Lanka.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft op 15 april 2026 verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft dit verzoek in haar uitspraak van 16 april 2026 afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser was aan het schilderen toen hij bij het huis ernaast [naam 2] zag met een wit busje. [naam 2] was pakketjes met witte poeder aan het inladen. Eiser dacht dat het om drugs ging en heeft daarop de politie getipt. [naam 2] is opgepakt en twee weken later weer vrijgekomen. [naam 2] heeft eiser vervolgens bedreigd en heeft de Chemi groep ingeschakeld om eiser te vermoorden. De Chemi groep is drie keer bij de moeder van eiser thuis geweest om hem te zoeken. Naar aanleiding daarvan heeft eiser Sri Lanka verlaten. Omdat eiser Sri Lanka illegaal heeft verlaten, vreest hij bij terugkeer in de gevangenis te worden geplaatst. Ook heeft eiser aangegeven in Nederland deel te hebben genomen aan de Heldendag.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen met [naam 2] en de Chemi groep acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotief volledig onderbouwen. Ook vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo heeft eiser niet overtuigend verklaard over waarom hij de pakketjes met witte poeder linkt aan drugs en heeft hij tegenstrijdig verklaard over of [naam 2] wel of niet alleen was toen hij hem zag met de witte pakketjes. Verder heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom hij de politie wilde bellen bij het zien van de witte poeder. Dat eiser in de zienswijze heeft aangegeven dat dit de maatschappelijke plicht betreft, acht de minister onvoldoende. Ook heeft eiser niet kunnen verklaren over hoe [naam 2] weet dat eiser hem verraden heeft en is het niet geloofwaardig dat [naam 2] opzoek is naar eiser nu eiser maar eenmalig door [naam 2] is bedreigd. Verder heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom hij geen aangifte heeft gedaan tegen [naam 2] en heeft hij niet inzichtelijk gemaakt waarom [naam 2] hem zou willen vermoorden. Ook heeft eiser enkel op zijn eigen vermoedens gebaseerd dat de Chemi groep is ingeschakeld door [naam 2] . Verder heeft eiser ongerijmd verklaard over de Chemi groep en heeft hij niet duidelijk gemaakt hoe de Chemi groep hem overal in Sri Lanka zou kunnen vinden. De minister acht de enkele verklaring dat eiser meedoet aan de Heldendag en een politieke overtuiging heeft onvoldoende om te overwegen dat eiser hierdoor niet terug kan naar Sri Lanka. De foto’s die eiser bij zijn zienswijze heeft overgelegd, maken dit niet anders. Eiser heeft zijn vrees dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka een gevangenisstraf zou krijgen omdat hij illegaal is uitgereisd ook niet aannemelijk gemaakt. De minister wijst op het thematisch ambtsbericht.
Heeft de minister bij de beoordeling van de asielmotieven het juiste toetsingskader gehanteerd?
5. Eiser voert aan dat de minister artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn onjuist heeft uitgelegd en toegepast. Volgens eiser kan dit vijfde lid niet los worden gezien van het tweede lid, waarin is bepaald dat het moet gaan om documenten waarover de vreemdeling daadwerkelijk beschikt. Daarom is artikel 31, zesde lid, van de Vw ten onrechte op de asielaanvraag van toepassing verklaard.
De rechtbank stelt vast dat de minister de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas heeft beoordeeld aan de hand van werkinstructie (WI) 2024/6. Eiser heeft de WI op zichzelf niet betwist. In de geloofwaardigheidsbeoordeling volgens WI 2024/6 worden drie stappen onderscheiden. In stap 1 gaat het om verzamelen van informatie. De vreemdeling dient hierbij alle relevante elementen ter onderbouwing van zijn asielaanvraag in te dienen. Bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden bestaat er een samenwerkingsplicht tussen de vreemdeling en de minister. De minister stelt in stap 1 uiteindelijk de asielmotieven vast. In stap 2 toetst de minister de asielmotieven op geloofwaardigheid. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen stap 2a en stap 2b. In stap 2a beoordeelt de minister of een vreemdeling voldoende objectief bewijsmateriaal heeft overgelegd om het betreffende asielmotief aannemelijk te maken. Als niet is voldaan aan stap 2a gaat de minister over naar stap 2b. In die stap beoordeelt de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan de hand van een aantal voorwaarden.
Niet in geschil is dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn volledige asielrelaas. De minister is dan ook terecht overgegaan tot het beoordelen van de geloofwaardigheid van de asielmotieven. Dat de minister daartoe overgaat is in lijn met artikel 5 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, zesde lid, van de Vw.
Heeft de minister de problemen met [naam 2] en de Chemi groep ongeloofwaardig mogen achten?
6. Eiser voert aan dat de minister de problemen met [naam 2] en de Chemi groep ten onrechte als niet geloofwaardig heeft aangemerkt. Nu [naam 2] door de politie is aangehouden wegens het bezit van drugs, staat vast dat de witte poeder inderdaad drugs was. Eiser wijst verder op zijn verklaringen dat hij niet zeker wist dat het om drugs ging, maar dat het gedrag van [naam 2] en het uiterlijk van de vele kleine pakketjes zonder etikettering met poederachtige inhoud aanleiding gaven tot het vermoeden dat het drugs betrof. Eiser betwist verder dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over of [naam 2] wel of niet alleen was tijdens het inladen van de pakketjes. In het nader gehoor heeft eiser in het meervoud verklaard en in de correcties en aanvullingen heeft eiser verduidelijkt dat er sprake was van een bijrijder, die tegelijk met [naam 2] is aangehouden. Ook voert eiser aan dat hij tijdens het nader gehoor uitgebreid heeft verklaard waarom hij de politie heeft gebeld. Bovendien is het bellen van de politie bij een verdachte situatie een maatschappelijk geaccepteerde en wenselijke handelswijze. Verder wijst eiser op zijn verklaring dat [naam 2] hem rechtstreeks heeft beschuldigd van verraad. De stelling van de minister dat dit enkel gebaseerd is op vermoedens, mist daarmee feitelijke grondslag. Eiser betwist dat er slechts sprake is van één bedreiging. [naam 2] heeft eiser expliciet bedreigd door te verklaren dat hij zou laten zien wie hij is en nog diezelfde avond heeft [naam 2] de Chemi groep op eiser afgestuurd. Verder wijst eiser erop dat hij consistent heeft verklaard dat hij geen aangifte heeft gedaan omdat een politieagent hem expliciet heeft medegedeeld dat dit zinloos en gevaarlijk zou zijn. Dat eiser dit advies heeft opgevolgd, is niet onlogisch en kan hem niet worden tegengeworpen. Ook sluit het feit dat [naam 2] niet direct of de volgende dag na zijn aanhouding is vrijgelaten zijn vermeende invloed binnen de politie niet uit. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn verklaring naar een aantal artikelen. Hieruit blijkt volgens eiser dat criminelen in vergelijkbare zaken veelal na aanhouding weer worden vrijgelaten. Verder is het volgens eiser onjuist om te stellen dat economische logica voor bedreigingen in alle gevallen prevaleert boven reputatie, wraak en machtsbehoud. Ook is het volgens eiser in situatie van (georganiseerde) intimidatie juist gebruikelijk dat uitvoerders geen opdrachtgevers noemen. De relatie blijkt volgens eiser voldoende uit het eerder geuite dreigement van [naam 2] , het snelle opvolgende bezoek van de Chemi groep, de herkomst van de betrokken personen en het feit dat de broer van [naam 2] onderdeel is van de Chemi groep. De minister had de aanvullende verklaring van eiser dat de broer van [naam 2] onderdeel is van de Chemi groep moeten wegen in plaats van deze enkel als toerekenbare late aanvulling aan eiser tegen te werpen. Verder is er volgens eiser geen sprake van tegenstrijdige verklaringen over de Chemi groep. Dat de Chemi groep uit tien tot vijftien personen bestaat, sluit niet uit dat deze groep beschikt over een breder netwerk van aanhangers en contacten buiten de regio. Ook heeft de minister een onredelijk zware eis aan eiser opgelegd door te verlangen dat hij exact kan verklaren hoe hij in heel Sri Lanka herkend zou worden.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met [naam 2] en de Chemi groep niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de minister al met al voldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over zijn problemen met [naam 2] en de Chemi groep geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over of [naam 2] alleen was tijdens het inladen van de pakketjes. Tijdens het nader gehoor heeft eiser duidelijk aangegeven dat [naam 2] alleen was tijdens het inladen. In de vragen erna spreekt eiser ook in het enkelvoud over de situatie. Later in het nader gehoor, tijdens het vrije relaas, spreekt eiser ineens over ‘ze’ als hij vertelt over het inladen van de pakketjes. In de correcties en aanvullingen is aangegeven dat er een bijrijder aanwezig was bij het inladen en dat deze tegelijk met [naam 2] is opgepakt. Eiser heeft niet uitgelegd hoe deze tegenstrijdigheid is ontstaan. Verder heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser heeft verklaard dat hij slechts eenmaal door [naam 2] is bedreigd en hij vervolgens niets meer van [naam 2] heeft vernomen. Ook heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat eiser slechts op vermoedens baseert dat de Chemi groep door [naam 2] is ingeschakeld. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat de Chemi groep op enige manier kenbaar heeft gemaakt namens [naam 2] te handelen. Dat eiser pas in de correcties en aanvullingen naar voren heeft gebracht dat de broer van [naam 2] onderdeel is van de Chemi groep heeft de minister vaag mogen achten. Eiser is tijdens het nader gehoor meermaals gevraagd waarom hij denkt dat de Chemi groep door [naam 2] is ingeschakeld en heeft toen niets over de broer verteld, terwijl dit wel een essentieel deel van zijn asielmotief raakt. De minister heeft dit aan eiser mogen tegenwerpen. Verder heeft de minister mogen betrekken dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt hoe de Chemi groep hem zou kunnen vinden in heel Sri Lanka. De verklaring van eiser dat dit simpelweg met een foto van hem kan, heeft de minister onvoldoende mogen achten. Ook heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe [naam 2] of de Chemi groep zouden kunnen weten dat eiser weer terug is in Sri Lanka. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister terecht geoordeeld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade?
7. Eiser voert aan dat hij in Nederland actief deelneemt aan activiteiten van de Tamil-Eelam beweging (de TCC), waarbij hij gebruikmaakt van bepaalde symbolen die door de Sri Lankaanse overheid worden toegeschreven aan de LTTE. Eiser wijst op de nieuwste publicatie van de Sri Lankaanse Staatscourant (gazette) van januari 2026, waarin het langdurige verbod op verschillende Tamil-diasporaorganisaties en individuen worden verlengd en vernieuwd, en zij opnieuw als ‘terroristen’ worden aangemerkt. Gelet op de bekende monitoring van de Tamil diaspora door de Sri Lankaanse autoriteiten en de specifieke aandacht voor organisaties die als LTTE-gelieerd worden beschouwd, loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op vervolging dan wel ernstige schade wegens zijn politieke overtuiging en activiteiten in het buitenland. Eiser wijst verder op het thematisch ambtsbericht en het informatiebericht (IB) 2024/10. Uit het IB volgt dat de minister eerst moet toetsen of de politieke overtuiging geloofwaardig wordt geacht voordat hij kan beoordelen of het ook zwaarwegend genoeg is. Dit heeft de minister ten onrechte niet gedaan. Eiser voert verder aan dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn illegale uitreis. Ter onderbouwing wijst eiser op informatie van de Canadese autoriteiten van 14 augustus 2024 en op het Australische DFAT-rapport uit 2024. Tot slot doet eiser een beroep op het traumatabeleid en voert aan dat hij is mishandeld en dat is gebleken dat de autoriteiten hem daar niet tegen willen of kunnen beschermen. Op de zitting doet eiser in dit kader nog een beroep op artikel 4:84 van de Awb.
Politieke overtuiging
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte de geloofwaardigheid van de politieke overtuiging in het midden heeft gelaten. Uit paragraaf C1/4.1, punt 5, van de Vc volgt dat de minister ervoor kan kiezen om een asielmotief enkel op zwaarwegendheid te beoordelen. De rechtbank acht hierbij van belang dat de uitkomst van de beoordeling hierdoor niet anders wordt en eiser daarom niet wordt benadeeld. De minister is er bij de beoordeling van de zwaarwegendheid immers vanuit gegaan dat eiser een politieke overtuiging heeft.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer als gevolg van zijn politieke overtuiging en politieke activiteiten. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister heeft kunnen wijzen op de veranderende situatie voor Tamils. Uit het thematisch ambtsbericht volgt namelijk dat de situatie voor Tamils in Sri Lanka is verbeterd. De rechtbank overweegt verder dat de minister ook terecht heeft gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, die is bevestigd door de Afdeling op 6 november 2025. Uit deze uitspraak volgt namelijk dat de aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten voornamelijk uitgaat naar personen die prominent actief zijn voor verboden Tamilorganisaties of die zich openlijk hebben uitgelaten voor een onafhankelijk Tamil Eelam. Ook blijkt uit de uitspraak dat er in toenemende mate ruimte is voor (discussies over) Tamilherdenkingen en demonstraties. Uit de enkele verklaring van eiser dat hij deelneemt aan de Heldendag en de vier overgelegde foto’s van deze Heldendag blijkt niet dat eiser prominent actief is. De beroepsgrond slaagt niet.
Illegale uitreis
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser Sri Lanka illegaal heeft verlaten. De rechtbank is van oordeel dat de minister er terecht op heeft gewezen dat uit het thematisch ambtsbericht volgt dat illegale uitreis bestraft kan worden met een boete of een gevangenisstraf. Uit het thematisch ambtsbericht volgt verder dat alleen is gebleken van opgelegde boetes, en niet van gevangenisstraffen wegens illegale uitreis. Dit volgt ook niet uit de informatie waar eiser naar verwijst. De beroepsgrond slaagt niet.
Traumatabeleid
De rechtbank stelt vast dat eiser voor het eerst in beroep een beroep heeft gedaan op het traumatabeleid. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is voor toepassing van het traumatabeleid omdat de door eiser beschreven trauma’s niet geloofwaardig zijn geacht. Ook ziet de minister geen aanleiding voor toepassing van artikel 4:84 van de Awb. De minister wijst erop dat er binnen het traumatabeleid moet worden gekeken naar de psychische gevolgen van een mogelijke confrontatie met de opgedane trauma’s en dat er in het geval van eiser niet is gebleken van enige psychische problematiek. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eiser geen toepassing wordt gegeven aan het traumatabeleid. Ook heeft de minister in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om van het traumatabeleid af te wijken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijg en de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.