Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/698777 / KG ZA 26-110
Vonnis in kort geding van 17 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. P. Celikkal te ’s-Gravenhage.
tegen:
[de man] te [woonplaats] ,
gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de op 3 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn gehuwd op [datum 1] 2019. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
Zij zijn de ouders van de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] , [land] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2070 te [geboorteplaats 2] , [land] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 te [geboorteplaats 3] .
Bij echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2025 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw en dat zij iedere zaterdag van 11.00 uur tot 18.00 uur bij de man zijn.
3. Het geschil
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven –:
I. de man voor een periode van een jaar te verbieden direct of indirect contact met haar op te nemen, middels persoonlijks contact, telefonisch contact, contact via (sociale) media, derden of anderszins, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn;
II. de man voor een periode van een jaar te verbieden zich te bevinden binnen een straal van 500 meter van de woning van de vrouw en de kinderen, gevestigd aan de [adres 1] te [plaats] , en de school van de kinderen, gevestigd aan de [adres 2] te [plaats] , voor een periode van een jaar, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn;
III. op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding van de verboden genoemd onder punt I. en/of punt II, met een maximum van € 50.000,-;
IV. het contact tussen de man en de kinderen stop te zetten voor de duur van het contact- en locatieverbod;
V. de man te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet tijdig wordt voldaan;
dit alles uitvoerbaar bij voorraad.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Op 31 december 2025 heeft zich een geweldsincident voorgedaan in de woning van de vrouw, waarbij de man haar ernstig heeft mishandeld, met de dood heeft bedreigd en de woning heeft vernield, in het bijzijn van de kinderen. Dit incident past binnen een eerder vastgesteld patroon van huiselijk geweld en bedreigingen door de man. Naar aanleiding van het voornoemde incident is aan de man door de officier van justitie een contactverbod en een gebiedsverbod opgelegd voor de periode van 2 januari 2026 tot 1 april 2026, en is besloten de man strafrechtelijk te vervolgen. De strafzaak loopt nog, het risico op herhaling is reëel en de vrouw en de kinderen verkeren in angst en onveiligheid.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
De man voert geen verweer tegen de vorderingen van de vrouw betreffende het contactverbod jegens haar en het locatieverbod, maar vraagt zich wel af of het contactverbod ook voor de kinderen moet gelden.
De voorzieningenrechter ziet onder de gegeven omstandigheden voldoende aanleiding het gevorderde straat- en contactverbod goeddeels toe te wijzen. Het contactverbod zal zonder meer worden toegewezen voor zover het ziet op contact van de man met de vrouw, voor de periode van een half jaar vanaf 1 april 2026, met dien verstande dat dit verbod natuurlijk niet ziet op contacten tussen partijen die noodzakelijk worden geacht door professionele hulpverleners. Een periode van zes maanden moet vooralsnog voldoende worden geacht om meer rust te brengen en om duidelijkheid te krijgen over de uitkomst van het strafrechtelijk traject.
Voor zover de vordering van de vrouw ziet op een verbod voor de man om contact te leggen met derden zal die worden afgewezen, nu deze derden geen partij zijn bij deze procedure. Dat laat onverlet dat van de man mag worden verwacht dat hij niet via derden alsnog contact met de vrouw probeert te krijgen
Voor het opschorten van de zorgregeling van de man met de kinderen bestaat onder de gegeven omstandigheden eveneens voldoende aanleiding, nu zij getuige zijn geweest van ernstig huiselijk geweld en ook hun veiligheid in het geding is. Dit leidt feitelijk tot een contactverbod met de kinderen voor een periode van zes maanden, met dien verstande dat contactherstel tussentijds kan plaatsvinden indien door de hulpverlening is vastgesteld dat er weer veilig (begeleid) contact kan plaatsvinden. De voorzieningenrechter is met de Raad van oordeel dat er momenteel onvoldoende zicht is op de veiligheid van de kinderen om al op enigerlei wijze contact met de man toe te staan. Het is van belang om eerst na te gaan hoe het contact van de kinderen met de man veilig kan worden hersteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om – evenals de raadsvertegenwoordiger op zitting heeft geadviseerd – in deze zaak aan de Raad, vooruitlopend op de beslissingen in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/699921/FA RK 26-1695 over onder meer de zorgregeling, te vragen om onderzoek te doen. Dat onderzoek dient betrekking te hebben op beantwoording van de volgende vragen:
- Is een zorgregeling met de man in het belang van de kinderen, en zo ja, hoe dient deze vormgegeven te worden?
- Is (nadere) hulpverlening voor de kinderen, de moeder en/of de vader noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
Daarbij is het aan de Raad om te beoordelen of het nodig is het onderzoek uit te breiden met een onderzoek naar de vraag of een beschermingsmaatregel nodig is.
Dit raadsonderzoek dient te worden uitgevoerd ten behoeve van de bodemprocedure met zaaknummer C/09/699921/FA RK 26-1695. Dit geding leent zich daar niet voor. De raad dient zijn rapportage in die bodemprocedure in te brengen.
Het voorgaande leidt ertoe dat de zorgregeling met de man wordt geschorst totdat in de bodemprocedure meer of anders wordt beslist, of de hulpverlening voordien beslist dat contact tussen de man en kinderen weer veilig is en partijen in samenspraak met de hulpverlening de zorgregeling weer hervatten.
De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu het straat- en contactverbod zo nodig al kan worden gehandhaafd met hulp van politie en justitie en er daarnaast onvoldoende zelfstandig belang bestaat bij de gevorderde dwangsom.
In de omstandigheid dat partijen gehuwd zijn geweest en samen de ouders zijn van de kinderen, wordt aanleiding gevonden om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
verbiedt de man voor een periode van een half jaar – vanaf 1 april 2026 – direct of indirect contact op te nemen met de vrouw en de kinderen, middels persoonlijk contact, telefonisch contact, contact via (sociale) media, of op welke manier dan ook, tenzij het contacten betreft die worden geïnitieerd en/of begeleid via de hulpverlening;
verbiedt de man voor een periode van een half jaar – vanaf 1 april 2026 – zich te bevinden binnen een straal van 500 meter van de woning van de vrouw en de kinderen, gevestigd aan de [adres 1] te [plaats] , en de school van de kinderen, gevestigd aan de [adres 2] te [plaats] ;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten als hierboven onder 4.4 overwogen en daarover te rapporteren en te adviseren ten behoeve van de bodemprocedure met zaakkenmerk C/09/699921/ FA RK 26-1695;
bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de gedingstukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J Hoekstra – van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.