ECLI:NL:RBDHA:2026:9760

ECLI:NL:RBDHA:2026:9760

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer C/09/699840 / KG ZA 26-182
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

volgt

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/699840 / KG ZA 26-182

Vonnis in kort geding van 17 maart 2026

in de zaak van

[de moeder] te [woonplaats] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr. C.S. Ganga te Zoetermeer,

tegen:

[de vader] te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat mr. P.C. Burger te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties (1 t/m 12);

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;

- de door de moeder overgelegde producties (13 t/m 21);

- de op 3 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling.

[minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over de vorderingen.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Partijen zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] (hierna: [minderjarige 1] ) en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2] (hierna: [minderjarige 2] ). De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Bij beschikking van deze rechtbank van 11 april 2024 (hierna: de beschikking) is, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] drie weekenden per maand, van zaterdag 18.00 uur tot maandagochtend naar school, bij de vader zullen zijn en ook de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in ieder geval op Moederdag bij de moeder verblijven en op Vaderdag bij de vader.

De vader heeft [minderjarige 1] na de kerstvakantie 2025/2026 niet naar de moeder teruggebracht, omdat [minderjarige 1] langer bij hem wilde blijven. De moeder heeft er daarna mee ingestemd dat [minderjarige 1] nog twee weken bij de vader zou blijven en dat [minderjarige 1] dan op 19 januari 2026 weer naar de moeder zou gaan. [minderjarige 1] is op 19 januari 2026 niet teruggegaan naar de moeder en hierna heeft er ook geen omgang meer plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige 1] .

De vader is voornemens een bodemprocedure aanhangig te maken waarin hij zal verzoeken de zorgregeling te wijzigen.

3. Het geschil

in conventie

De moeder vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven:

i) de vader te veroordelen een dwangsom van € 500,-- per dag te betalen, totdat een maximum van € 5.000,-- is bereikt, voor iedere dag dat hij de in de beschikking vastgestelde zorgregeling voor [minderjarige 1] niet nakomt, met bepaling dat het weekend van 21 februari 2026 het eerste weekend van drie is dat [minderjarige 1] bij de vader had moeten zijn;

ii) haar te machtigen tot tenuitvoerlegging met de sterke arm als het maximumbedrag van de dwangsom is bereikt en de vader blijft weigeren de beschikking na te komen;

iii) de vader te veroordelen in de proceskosten.

Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De vader komt de in de beschikking vastgestelde zorgregeling voor [minderjarige 1] ten onrechte niet na. De moeder heeft [minderjarige 1] na de kerstvakantie wat ruimte gegeven om langer bij haar vader te zijn. Ook heeft zij psychologische hulp ingeschakeld voor de problemen die [minderjarige 1] heeft. De vader stimuleert [minderjarige 1] niet om terug te gaan naar haar moeder en dit is schadelijk voor de band tussen de moeder en [minderjarige 1] . De hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] moet bij de moeder blijven en vanuit daar moet met professionele hulp gewerkt worden aan de problemen van [minderjarige 1] .

De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in reconventie

De vader vordert – zakelijk weergegeven – de in de beschikking vastgestelde zorgregeling te wijzigen in die zin dat [minderjarige 1] afwisselend een week bij de moeder en een week bij de vader verblijft met vaste wisseldag op maandag, voor de duur van de door de vader te starten bodemprocedure over een wijziging van de zorgregeling.

Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. Er moet contactherstel plaatsvinden met de moeder, maar [minderjarige 1] voelt zich beklemd door de wijze waarop de moeder haar begrenst. Er moet wel contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 1] plaatsvinden, maar niet op de manier die de moeder wil. Een co-ouderschapregeling voor [minderjarige 1] , waarbij aan haar ook meer autonomie wordt gegeven, zal de relatie tussen de moeder en [minderjarige 1] verbeteren.

De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

Omdat de vorderingen van de ouders nauw met elkaar samenhangen worden ze hierna gezamenlijk besproken.

Uitgangspunt is dat een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling moet worden nagekomen. Als een van partijen wijziging van de zorgregeling wil, moet dat in beginsel in een bodemprocedure aan de orde worden gesteld. De vader heeft aangegeven een verzoekschrift tot wijziging van de zorgregeling in te dienen, maar dat is nog niet gebeurd.

De vraag die in dit kort geding voorligt is, of er sprake is van zwaarwegende omstandigheden die op dit moment onverkorte nakoming van de zorgregeling in de weg staan.

Partijen zijn het over eens zijn dat er in ieder geval weer omgang moet komen tussen de moeder en [minderjarige 1] . Zij verschillen echter van mening over de manier waarop. Tijdens de zitting is met partijen besproken dat het van groot belang is dat partijen gezamenlijk optrekken om de problemen van [minderjarige 1] aan te pakken. Daarbij is het essentieel dat de onderlinge verstandhouding en de communicatie tussen partijen verbetert en dat zij in onderling overleg tot afspraken over de (invulling van de) omgang komen, waarbij moet worden gestreefd naar consensus op hoofdlijnen. Het is partijen tijdens de zitting echter niet gelukt om overeenstemming te bereiken over het vervolgtraject, zodat moet worden beslist op de vorderingen.

Het is de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige 1] is als zij per direct verplicht wordt om de in de beschikking vastgestelde zorgregeling weer na te komen. Duidelijk is dat [minderjarige 1] op dit moment niet bij de moeder wil wonen, maar volledig bij de vader wil verblijven. De voorzieningenrechter gaat daar weliswaar niet in mee, maar ziet onder de gegeven omstandigheden wel aanleiding om de zorgregeling voorlopig te wijzigen. Daarbij zal ten opzichte van de oude regeling meer tijd bij de vader worden doorgebracht en zal een evenwichtigere verdeling van zorg tussen de ouders ontstaan. Zo wordt zoveel mogelijk recht gedaan aan de wensen van [minderjarige 1] . Hierbij is in aanmerking genomen dat [minderjarige 1] op zondag ook daadwerkelijk veel tijd kan doorbrengen met de vader, omdat hij dan niet werkt. Met deze aangepaste voorlopige zorgregeling wordt ook duidelijk gemaakt dat beide ouders een belangrijke rol spelen in het leven van [minderjarige 1] en het in haar belang is dat zij goed contact heeft met beide ouders. Deze voorlopige regeling zal gelden totdat de ouders in onderling overleg anders overeen komen of totdat een (bodem)rechter meer of anders heeft beslist.

De voorzieningenrechter benadrukt nogmaals dat het voor het welslagen van de regeling van groot belang is dat de ouders (zo nodig via hulpverlening) eensluidende basisafspraken maken over onder meer het telefoongebruik, schermtijd, bedtijden en huiswerk, zodat [minderjarige 1] duidelijke kaders heeft die bij beide ouders gelden. Dit is ook met partijen besproken op de zitting. Ook is het van belang dat [minderjarige 1] onbelast omgang kan hebben met beide ouders en dat de ouders elkaar niet diskwalificeren.

De voorzieningenrechter ziet geen reden voor oplegging van een dwangsom of afgifte van een machtiging tot inzet van de sterke arm om nakoming van deze aangepaste zorgregeling af te dwingen. Daargelaten dat dergelijke middelen de onderlinge verhoudingen verder op scherp stellen, gaat zij ervan dat beide partijen deze aangepaste zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] correct zullen nakomen.

In de omstandigheid dat partijen ex-partners zijn en dit geschil hun kind betreft, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie en in reconventie

bepaalt dat [minderjarige 1] voorlopig (met wijziging in zoverre van de beschikking van 11 april 2024) bij de vader zal verblijven iedere week van zaterdag 20.00 uur tot woensdagochtend naar school;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-Van Vliet en in het openbaar uitgesproken op

17 maart 2026.

AW

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?