Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/698647 / JE RK 26-157
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. R. Shahbazi uit Den Haag,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. M. Cortet uit Utrecht.
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij spoedbeschikking van 30 januari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank zonder belanghebbenden te horen op het verzoek een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend van 30 januari 2026 tot 13 februari 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden. Ook heeft de kinderrechter de vastgestelde zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder met ingang van 30 januari 2026 tot 13 februari 2026 opgeschort.
Bij beschikking van 12 februari 2026, schriftelijk vastgesteld op 23 februari 2026, heeft de kinderrechter in deze rechtbank – voor zover hier van belang– het verzoek een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend van 13 februari 2026 tot 18 maart 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
4 maart 2026
.
Op 4 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet, gecombineerd met de behandeling van de aangehouden verzoeken van partijen betreffende de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de dwangsom (bekend onder zaaknummer C/09/680484 / FA RK 25-1236). Op deze laatste verzoeken wordt bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de gecombineerde (hybride) behandeling waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door advocaat R. Shabazi en tolk Makadam;
- de vader, aanwezig via videoverbinding;
- de advocaat van de vader;
- namens de GI: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
2. De feiten
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 30 januari 2026.
3. De beoordeling
De GI heeft aangegeven haar verzoek te handhaven. De vader is ernstig ziek en niet in staat adequaat voor [minderjarige] te zorgen. Uit de update brief van de GI blijkt verder dat de vader zich sinds de start van de uithuisplaatsing niet heeft gehouden aan de afspraken over de omgang met [minderjarige] en dat hij kortaf, geïrriteerd of verwijtend reageerde als de GI hem daarop aansprak. Na de zitting van 12 februari 2026 zijn zorgen ontstaan over de opvoedsituatie bij de vader. Volgens de GI heeft de vader de pleegouders van [minderjarige] verteld dat hij [minderjarige] wilde ophalen en met haar wilde onderduiken. Er moesten vervolgens allerlei veiligheidsmaatregelen genomen worden, waaronder een ‘aandacht op locatie’ bij de politie. In de daaropvolgende dagen heeft de vader, samen met zijn broer, sterk aangedrongen op onmiddellijke beëindiging van de uithuisplaatsing en ontvingen de pleegouders dreigende berichten. Tijdens de begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader, waarbij ook de moeder aanwezig was, zag de GI dat de vader meerdere keren boos, gespannen of geïrriteerd op [minderjarige] reageerde, dat hij moeite leek te hebben om aan te sluiten bij de belevingswereld van [minderjarige] en dat hij een lage energiebalans leek te hebben.
Ter zitting heeft de GI aangegeven het verzoek tot uithuisplaatsing ook te handhaven in het geval de rechtbank zou beslissen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf voortaan bij de moeder zal hebben. De GI baseert zich in dat geval op de eerdere zorgen die zij had, op de meldingen bij Veilig Thuis en op de rapportage van [instantie] , die de opvoedvaardigheden van de moeder daags voor de zitting heeft geobserveerd en daar verslag van heeft gedaan in een (concept) rapportage van 5 maart 2026. Uit dit laatste rapport blijkt – kort gezegd – dat moeder haar opvoedvaardigheden moet vergroten en haar rol van moeder als leider meer moet gaan invullen.
De vader heeft alle beschuldigingen aan zijn adres betwist. Hij heeft aangevoerd zich aan alle afspraken te hebben gehouden en nooit gedreigd te hebben om [minderjarige] te ontvoeren. Evenmin heeft hij de pleegouders bedreigd. De vader heeft voorts op de zitting aangegeven goede gesprekken met de moeder te hebben gehad en nu van mening te zijn dat [minderjarige] bij de moeder moet gaan wonen, waar [minderjarige] zijns inziens beter af is dan bij het pleeggezin.
De moeder heeft aangevoerd dat zij goed voor [minderjarige] kan zorgen. Dit blijkt volgens haar ook uit de update brief van de GI, waarin de GI geen zorgen vermeldt rondom de observaties van de omgang tussen [minderjarige] en haar moeder. Dat [instantie] wellicht wat aandachtspunten zag, kwam volgens de moeder omdat haar was verteld dat ze in die paar dagen met [instantie] moest laten zien dat ze goed met [minderjarige] kon omgaan, omdat anders de omgang van [minderjarige] met de moeder vooralsnog beperkt en begeleid zou zijn. Die druk was zo hoog, dat de moeder daar last van had.
In de procedure met zaaknummer C/09/680484 / FA RK 25-1236 beslist de rechtbank per beschikking van vandaag dat [minderjarige] haar hoofverblijf bij de moeder zal hebben. Daarom zal de rechtbank hier alleen kijken naar de uithuisplaatsing voor zover dat betekent dat [minderjarige] bij de moeder vandaan uit huis geplaatst wordt. De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing niet aanwezig zijn.
De rechtbank maakt uit de update brief van de GI op dat de GI bij de eigen observaties van het contact tussen [minderjarige] en de moeder op 17 februari 2026, 20 februari 2026 en 24 februari 2026 geen zorgen constateerde over het contact, de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] als zij met de moeder is. In de update brief staat dat de moeder bij de begeleide omgang goed aansloot bij de energie van [minderjarige] , responsiviteit en sensitiviteit toonde, goed was afgestemd op [minderjarige] , goed aansloot bij de behoeftes van [minderjarige] en spelenderwijs grenzen en duidelijke instructies gaf. [instantie] noemt in haar rapport een aantal aandachtspunten. Volgens [instantie] heeft [minderjarige] een sterk karakter, bepaalt zij veel zelf en vindt zij het moeilijk om te accepteren dat dingen anders gaan dan zij wil. De moeder neemt daarin volgens [instantie] te weinig leiding. De rechtbank begrijpt de zorgen van [instantie] , maar acht die punten onvoldoende om een uithuisplaatsing te rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat met opvoedondersteuning bij de moeder voldoende resultaat bereikt moet kunnen worden om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van [minderjarige] niet in het gedrang komt. Over de eerdere zorgen van de GI en over de meldingen bij Veilig Thuis heeft de rechtbank bij beschikking van 12 februari 2026 al geoordeeld en geconstateerd dat genoemde zorgen achterhaald zijn en dat verder niet zonder meer vast staat dat [minderjarige] daadwerkelijk door de moeder is geslagen. De rechtbank heeft daarbij aangegeven de uitingen van [minderjarige] wel zo zorgelijk te vinden, dat onderzoek gewenst is. Nu de rechtbank toen al heeft opgemerkt dat de uitingen van [minderjarige] ook kunnen voortvloeien uit het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] zich bevindt en dit ook is bevestigd door de GI, is er ook in die zin geen aanleiding voor de rechtbank om aan te nemen dat [minderjarige] zodanig onveilig is bij de moeder, dat uithuisplaatsing noodzakelijk is. Het onderzoek naar de uitingen van [minderjarige] kan alsnog gedaan worden, terwijl [minderjarige] bij de moeder verblijft. Verder heeft de vader laten blijken van mening te zijn dat [minderjarige] bij haar moeder op de goede plek zit en is ook de moeder er klaar voor om [minderjarige] bij zich te hebben en bereid om daarbij verdere hulpverlening voor de door [instantie] aangegeven zorgen te accepteren.
De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing gezien het vorenstaande beëindigen met ingang van 15 mei 2026. Dat geeft de GI voldoende tijd om de overgang van [minderjarige] van de pleegouders naar de moeder begeleid en opbouwend uit te voeren, en om hulpverlening vanuit Stichting Jeugdhulp of een andere instantie bij de moeder in te zetten om haar te helpen bij haar opvoedvaardigheden.
Derhalve zal als volgt worden beslist.
4. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 18 maart 2026 tot 15 mei 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.