Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/285208-24
Datum uitspraak: 24 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Gezien artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie is de zaak door de rechtbank Gelderland verwezen naar de rechtbank Den Haag.
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Mol, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. L.J.H.M. Achten, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het bezit van kinderpornografisch materiaal. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een gewoonte maken van het bezit en voorhanden hebben van dergelijk materiaal. Ten slotte heeft de raadsman zich met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden omwille van de leesbaarheid opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.
Bewijsoverwegingen
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij geen wetenschap had van het kinderpornografisch materiaal dat op diverse gegevensdragers in zijn woning werd aangetroffen. De verdachte verklaarde hier geen herinnering aan te hebben en weet dit aan de omstandigheid dat hij destijds in een donkere periode van zijn leven verkeerde. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij mogelijk onbedoeld kinderpornografisch materiaal heeft gedownload toen hij bijvoorbeeld films, muziek en volwassenpornografie downloadde.
De rechtbank overweegt dat op 23 van de 41 in de woning van verdachte in beslag genomen gegevensdragers en in een online Dropbox-omgeving van de verdachte kinderpornografisch materiaal werd aangetroffen. In totaal ging het om 46.200 foto’s en 472 video’s, waarvan het overgrote deel werd aangetroffen op een specifieke harde schijf (met de aanduiding [aanduiding] ). De rechtbank stelt vast dat deze harde schijf sinds 10 maart 2021 op verschillende momenten op de laptop van de verdachte aangesloten is geweest en dat deze ook aangesloten was op zijn laptop tijdens de doorzoeking in zijn woning op 18 oktober 2024. Daarmee is komen vast te staan dat de verdachte het aangetroffen materiaal gedurende in een periode van ruim drieënhalf jaar in bezit heeft gehad en dat dit verspreid was over diverse gegevensdragers.
Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat op het overgrote deel van het kinderpornografisch materiaal dat bij de verdachte is aangetroffen minderjarige jongens te zien zijn – meestal in de leeftijdscategorie van 8 tot 14 jaar oud – die seksuele handelingen met of bij elkaar verrichten, ontuchtige handelingen bij zichzelf of anderen verrichten of die op seksuele wijze poseren. De omstandigheid dat het overgrote deel van het aangetroffen materiaal behoort tot dezelfde categorie verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de verklaring van de verdachte die erop neerkomt dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal op zijn gegevensdragers en dat het betreffende materiaal mogelijk (telkens) onbedoeld bij wijze van ‘bijvangst’ op zijn gegevensdragers terechtgekomen is. Het is immers zeer onwaarschijnlijk dat daarbij, in plaats van willekeurig materiaal, telkens kinderpornografisch materiaal wordt gedownload dat voor het overgrote deel behoort tot één en dezelfde categorie.
Gelet op de combinatie van het aantal gegevensdragers waarop strafbaar materiaal is aangetroffen, de grote omvang daarvan, de langdurige periode waarin de verdachte daarover de beschikkingsmacht had en wat er op die weergaven te zien is, staat vast dat de verdachte zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij kinderpornografisch materiaal in bezit had. Naar het oordeel van de rechtbank is verklaring van de verdachte dan ook volstrekt onaannemelijk. Verder blijkt uit deze informatie dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het bezit van kinderpornografisch materiaal. De rechtbank verwerpt de verweren.
Verwerven
De rechtbank overweegt dat op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte kinderpornografisch materiaal in bezit heeft gehad en dat hij zich (met behulp van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst) daartoe de toegang heeft verschaft.
Evenwel kan de rechtbank op basis van het voorliggend dossier niet vaststellen op welke wijze de verdachte het betreffende materiaal in bezit heeft gekregen en wanneer hij dit zou hebben verworven, waardoor zij hem van die gedraging zal vrijspreken.
Conclusie ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde feit, met uitzondering van het verwerven van kinderpornografisch materiaal, wettig en overtuigend bewezen.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten 2 en 3 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van feit 2:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met proces-verbaalnummer LORDE24009-82 (zaaksdossier ZD02 – 26Willich), van de politie eenheid Landelijke Opsporing & Interventies, Dienst Landelijke Recherche, Team Bestrijding Kinderporno & Kindersekstoerisme, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 150).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 april 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 februari 2025, (p. 23);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 juni 2025 (p. 25-26);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 februari 2025, (p. 134-135, 142, 146, 150).
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 april 2026;
2. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt op 21 oktober 2024 (p. 69);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 november 2024 (p. 82-84);
4. Het geschrift, inhoudende een rapport van het Douane Laboratorium met kenmerk ‘24-28 ANDALUSIET’, opgemaakt op 18 december 2024 (p. 98);
5. Het proces-verbaal van ambtshandeling, opgemaakt op 10 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 99).
Ten aanzien van feit 3:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met proces-verbaalnummer 20240057 (zaaksdossier ZD01 – 28Andalusiet), van de Rijksrecherche, regio Noord-Oost, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 127).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
ten aanzien van feit 1:
hij in de periode van 10 maart 2021 tot en met 18 oktober 2024 te Doetinchem, meermalen,
(in de periode van 10 maart 2021 tot en met 30 juni 2024)
een of meer afbeeldingen en – gegevensdragers, bevattende afbeeldingen – van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en in bezit heeft gehad en zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft
en
(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 18 oktober 2024)
een of meer visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken, in bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft,
te weten
- afbeeldingen, te weten foto’s en/of video’s en
- visuele weergaven en
- gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten telefoons en een iPad en SSD’s en harde schijven en een Dropbox-omgeving en -account,
waarop (telkens) te zien is dat:
- een minderjarig persoon oraal en/of anaal en/of vaginaal wordt gepenetreerd met een penis en/of een voorwerp en/of een vinger/hand en/of een mond/tong en
- een ander persoon oraal en/of anaal en/of vaginaal wordt gepenetreerd door een minderjarig persoon met een penis en/of een vinger/hand en/of een mond/tong en
- een minderjarig persoon zichzelf oraal en/of anaal penetreert met een penis en/of een vinger/hand
en
- het geslachtsdeel en/of de billen en/of de borsten van een minderjarig persoon wordt/worden aangeraakt en/of met het geslachtsdeel wordt gemasturbeerd en
- het geslachtsdeel en/of de billen en/of de borsten van een ander persoon wordt aangeraakt door een minderjarig persoon en
- een minderjarig persoon het eigen geslachtsdeel en/of de eigen billen aanraakt en/of met zijn eigen geslachtsdeel masturbeert
en
een minderjarig persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij
- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past
en
- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht en/of
- sadomasochistische elementen in beeld worden/zijn gebracht
en
- dat bij het lichaam/gezicht van een minderjarig persoon wordt gemasturbeerd
en
- sperma wordt gespoten en/of zichtbaar wordt gemaakt op het lichaam van een minderjarig persoon en
- een penis dicht bij het lichaam van een minderjarig persoon wordt gebracht en/of gehouden
terwijl hij, verdachte, van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;
ten aanzien van feit 2:
hij op meer tijdstippen in de periode van 7 oktober 2014 tot en
met 22 mei 2018 te Doetinchem, meermalen, telkens een of meer afbeeldingen en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken in zijn bezit heeft gehad en heeft verspreid, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit
- het oraal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt met een penis en - het betasten van de geslachtsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt en
- het betasten van het geslachtsdeel van een volwassen man door een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt en
- het naakt poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, waarbij de focus lag op de anus en de geslachtsdelen;
ten aanzien van feit 3:
hij op 18 oktober 2024 te Doetinchem opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 150 ml van een materiaal bevattende GHB, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan twee dagen onvoorwaardelijk en waarbij het resterende deel van deze straf onder nader te bepalen voorwaarden en reclasseringstoezicht voorwaardelijk zal worden opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van en zich de toegang verschaffen tot zeer veel kinderpornografische afbeeldingen en wel zodanig vaak dat kan worden gesproken van een gewoonte. Daarnaast heeft de verdachte zich op meerdere momenten in een (andere) periode van drieënhalf jaar schuldig gemaakt aan het in bezit hebben en verspreiden van kinderpornografisch materiaal. Op nagenoeg al het bij verdachte aangetroffen beeldmateriaal waren minderjarige jongens te zien die seksuele handelingen met of bij elkaar verrichten, ontuchtige handelingen bij zichzelf of anderen verrichten of die op seksuele wijze poseren.
Door deze afbeeldingen in bezit te hebben en zich daartoe de toegang te verschaffen, heeft de verdachte een rol gespeeld bij het in stand houden van misbruik van kinderen. Hierdoor wordt immers de vraag naar dat materiaal gegenereerd. Op die vraag spelen anderen in door daadwerkelijk kinderpornografie te vervaardigen. Door dit materiaal te bezitten, ernaar te kijken en het te verspreiden, is het de verdachte – zij het indirect – dan ook mede aan te rekenen dat uiterst schadelijke handelingen blijven plaatsvinden met (zeer) jonge kinderen. Het mag als algemeen bekend worden verondersteld dat bij de productie van kinderpornografisch materiaal veel en vaak onherstelbaar leed de jeugdige slachtoffers wordt aangedaan en dat kinderen hierdoor grote psychische schade kunnen oplopen die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Ook kunnen zij nog geruime tijd achtervolgd worden door de gevolgen van de productie en verspreiding van de beelden.
Ten slotte heeft de verdachte ongeveer 150 milliliter van een materiaal bevattend GHB opzettelijk aanwezig gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit verboden verdovende middel schadelijk is voor de gezondheid van de gebruikers.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen.
De verdachte heeft onder meer verklaard dat hij naar aanleiding van de verdenkingen jegens hem eerst op non-actief is gesteld en dat hij vervolgens door zijn werkgever, het Openbaar Ministerie, is ontslagen. Inmiddels heeft hij een vaste aanstelling elders. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij enige tijd in behandeling is geweest bij [hulpverlener] om los te komen van middelengebruik. Op de vraag of de verdachte verder nog hulpverlening wenst of nodig denkt te hebben, heeft de verdachte verklaard dat hij dit niet nodig vindt en daar geen behoefte aan heeft.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een door de verdediging ingebracht rapport van 1 april 2026 van een forensisch maatschappelijk werker, waaruit onder andere volgt dat er op de meeste leefgebieden bij de verdachte geen in het oog springende problemen spelen. Ook heeft de rapporteur de (mogelijke) impact van verschillende strafmodaliteiten op het leven van de verdachte benoemd, waarbij het onder meer gaat om het verlies van de verdachte zijn baan indien er een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden opgelegd.
De rechtbank neemt de verklaringen van de verdachte en zijn houding tijdens het onderzoek ter terechtzitting in aanmerking bij haar strafoplegging. Zij overweegt dat de verdachte – gelet op de belastende informatie uit het dossier – ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit geen openheid van zaken heeft gegeven. De verdachte heeft verklaard dat hij zich een en ander niet kan herinneren en dat hij ten tijde van het feit in een donkere periode in zijn leven verkeerde, hetgeen de bewezen verklaarde gedragingen naar het oordeel van de rechtbank allerminst verklaart. De houding en verklaring van de verdachte ter terechtzitting geven er geen blijk van dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. In plaats daarvan legt de verdachte de schuld bij anderen of externe factoren.
Daarnaast kent de rechtbank betekenis toe aan het feit dat de bewezen verklaarde feiten pleegde toen hij in een leidinggevende functie werkzaam was bij het Openbaar Ministerie. Uit hoofde van zijn dienstbetrekking had verdachte zowel maatschappelijk gezien als binnen de organisatie een voorbeeldfunctie. Niet alleen had de verdachte anders kunnen en moeten handelen, ook heeft hij met zijn handelen het maatschappelijk ontzag voor en het vertrouwen in het Openbaar Ministerie beschadigd.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank op dat de verdachte niet in verzekering is gesteld, waardoor – anders dan gevorderd – geen sprake kan zijn van aftrek van voorarrest. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Het in beslag genomen voorwerp
De rechtbank overweegt dat zij – nu de verdachte ter terechtzitting expliciet afstand heeft gedaan van het onder hem in beslag genomen voorwerp, een harde schijf – niet meer gehouden is daarover te beslissen.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 240b (oud), 252 en 254 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
in de periode van 10 maart 2021 tot en met 30 juni 2024:
een afbeelding en gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;
en
in de periode van 1 juli 2024 tot en met 18 oktober 2024:
een visuele weergave van seksuele aard met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken/schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;
ten aanzien van feit 2:
een afbeelding/gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden en in bezit hebben, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN;
het in beslag genomen goeder;
verstaat dat van het voorwerp op de beslaglijst met het nummer 1 afstand is gedaan door de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Pereth, voorzitter,
mr. P. van Essen, rechter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.