RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44404
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).
Procesverloop
Bij besluit van 8 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Neshin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Het asielrelaas
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1964 en heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft haar asielaanvraag op 12 juli 2023 ingediend.
Eiseres heeft aan haar asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft in december 2022 een jonge Iraanse vrouw, genaamd [naam 1] , voor enkele dagen opgevangen in haar woning. Deze vrouw was gewond geraakt tijdens een demonstratie tegen het Iraanse regime. Eiseres heeft ook aan een vriendin van [naam 1] , genaamd [naam 2] , één nacht onderdak in haar woning verleend. Zij kwam [naam 1] helpen met haar verwondingen en was ook betrokken bij de demonstratie. Eiseres is vervolgens in april 2023, met een visum, naar Nederland gereisd om op bezoek te gaan bij haar hier wonende zoon. Tijdens dit bezoek heeft eiseres bericht ontvangen van één van haar zussen in Iran dat de Iraanse autoriteiten naar haar op zoek zijn vanwege haar hulp aan [naam 1] en [naam 2] , die door de Iraanse autoriteiten worden aangemerkt als antirevolutionairen. De zussen en broer van eiseres in Iran zijn hierover door de autoriteiten bevraagd. Eén van haar zussen is zelfs meermaals ondervraagd. Bij terugkeer naar Iran vreest eiseres dat zij ernstige problemen zal krijgen met de Iraanse autoriteiten vanwege de hulp die zij heeft geboden aan [naam 1] en [naam 2] .
Het bestreden besluit
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met de Iraanse autoriteiten vanwege het door eiseres verleende onderdak aan [naam 1] en [naam 2] .
Verweerder heeft het eerste relevante element geloofwaardig geacht. Het tweede relevante element heeft verweerder evenwel niet geloofwaardig geacht, omdat in zoverre niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op het voorgaande, en nu eiseres haar asielaanvraag volgens verweerder niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiseres voorlopig uitstel van vertrek verleend, in afwachting van een definitieve (ambtshalve) beoordeling in het kader van artikel 64 van de Vw.
Beroepsgronden
3. Eiseres betoogt dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat haar problemen met de Iraanse autoriteiten ongeloofwaardig zijn. Eiseres bestrijdt alle tegenwerpingen die verweerder in dit kader heeft gedaan. Eiseres weerspreekt de stelling van verweerder dat zij aan documenten kan komen ter onderbouwing van haar asielrelaas. Zij kan zich hiervoor immers niet tot de Iraanse autoriteiten wenden en zij heeft tevergeefs hulp gezocht bij een Iraanse advocaat. Eiseres wijst er verder op dat een kleine daad van verzet reeds tot (grote) negatieve belangstelling van de autoriteiten in Iran kan leiden. Dat eiseres niet weet welke precieze straf haar staat te wachten bij terugkeer, kan niet leiden tot het oordeel dat haar asielrelaas ongeloofwaardig is, nu Iran geen democratische rechtsstaat is. Het gegeven dat zij legaal Iran is uitgereisd, zegt niets over haar problemen, nu die pas zijn ontstaan na haar uitreis. Verweerder kan haar voorts niet tegenwerpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over de gebeurtenis met [naam 1] . Van een tegenstrijdige verklaring is geen sprake en bovendien is zij niet met deze vermeende tegenstrijdigheid geconfronteerd. Verder stelt eiseres dat haar medische situatie, waarvoor zij tijdelijk uitstel van vertrek heeft gekregen, haar heeft belet om eerder asiel aan te vragen.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de problemen van eiseres met de Iraanse autoriteiten vanwege het door haar verleende onderdak aan [naam 1] en [naam 2] ongeloofwaardig zijn. Zij doet dit aan de hand van de daartegen door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres de door haar gestelde problemen met de Iraanse autoriteiten niet met documenten heeft onderbouwd. Daarom heeft verweerder haar verklaringen hierover op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder heeft deze verklaringen ongeloofwaardig geacht, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c én d, van de Vw. Uit deze bepalingen volgt dat de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie moeten zijn (onder c) en dat de vreemdeling zijn aanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten (onder d).
Over het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw overweegt de rechtbank als volgt.
Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat (alsnog) wordt geloofd dat eiseres [naam 1] en [naam 2] heeft opgevangen in haar woning en dat de Iraanse autoriteiten naar aanleiding hiervan meerdere keren contact hebben opgenomen met de familieleden (zussen en broer) van eiseres om navraag naar eiseres te doen. Hiermee zijn enkele argumenten die verweerder in het voornemen en het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw komen te vervallen dan wel van hun betekenis ontbloot. Meer concreet gaat het dan om de argumenten dat eiseres tegenstijdig heeft verklaard over het moment waarop [naam 1] het gebouw binnenkwam (punt 2.1.5 van het voornemen en het bestreden besluit), dat niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten ervan op de hoogte zijn geraakt dat eiseres onderdak heeft verleend aan [naam 1] en [naam 2] en dat niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten naar aanleiding hiervan contact hebben gehad met de familieleden van eiseres in Iran om navraag te doen naar eiseres (beide onderdeel van punt 2.1.2 van het voornemen en het bestreden besluit). Deze argumenten kunnen het bestreden besluit dus niet (langer) dragen. Hierna bespreekt de rechtbank de resterende argumenten die verweerder aan zijn standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw ten grondslag heeft gelegd.
Eén van die argumenten is dat eiseres geen documenten heeft overgelegd die haar gestelde problemen met de Iraanse autoriteiten onderbouwen (punt 2.1.1 van het voornemen en het bestreden besluit). Wat er inhoudelijk gezien ook moge zijn van deze tegenwerping, de rechtbank overweegt dat deze tegenwerping niet ‘thuis hoort’ in een standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Deze bepaling gaat immers over de inhoud en waardering van de door de vreemdeling afgegeven verklaringen en niet over het (verwijtbaar) ontbreken van documenten. Indien verweerder het ontbreken van documenten aan eiseres had willen tegenwerpen, had hij dit onder artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b (of a), van de Vw moeten doen en beoordelen. Dit heeft hij niet gedaan. Gelet hierop kan de tegenwerping dat eiseres geen documenten ter onderbouwing van haar asielrelaas heeft overgelegd, het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw niet dragen.
Een ander argument dat verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw is dat zij onvoldoende heeft verklaard over haar precieze situatie in Iran en meer in het bijzonder over welke straf haar staat te wachten bij terugkeer (punten 2.1.1 en 2.1.3 van het voornemen en het bestreden besluit). Volgens verweerder mocht van eiseres worden verwacht dat zij hiernaar meer onderzoek zou hebben gedaan. Nog daargelaten dat deze tegenwerping eerder ‘thuis hoort’ in een standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw dan in een standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, overweegt de rechtbank dat eiseres tijdens het nader gehoor behoorlijk concreet heeft verklaard over de aard van de verdenkingen die de Iraanse autoriteiten jegens haar hebben geuit. Zo heeft zij verklaard dat zij van haar zus heeft vernomen dat zij er door de Iraanse autoriteiten van wordt verdacht dat zij antirevolutionaire personen heeft geholpen, onderdak heeft gegeven aan antirevolutionaire personen en contactpersoon is van antirevolutionaire personen (p. 9 NG). Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat deze verklaringen van eiseres inderdaad concreet zijn, reden waarom alsnog wordt geloofd dat dit contact tussen de Iraanse autoriteiten en haar zus (en overige familieleden) heeft plaatsgevonden (zie 4.2.1), maar dat dit onverlet laat dat van eiseres mocht worden verwacht dat zij meer informatie zou vergaren en verstrekken over de actuele stand van zaken rondom voormelde verdenkingen. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van verweerder niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering. Verweerder is hierbij namelijk niet (kenbaar) ingegaan op de, in het Algemeen Ambtsbericht Iran van september 2023 (hierna: AA Iran) vermelde belemmeringen en problemen die spelen rondom informatievertrekking bij ‘anti-regime’ verdenkingen zoals die jegens eiseres zijn geuit. Zo is daarin vermeld dat er in Iran geen sprake is van een eerlijke procesgang vooral bij politieke en veiligheidszaken, dat procedures niet transparant zijn, dat advocaten die rechtshulp verlenen aan demonstranten zelf te maken kregen met problemen en dat er geen/nauwelijks stukken of informatie over zaken worden verstrekt (p. 95-98). Gelet op deze (en ook overige) informatie in het AA Iran, waaruit duidelijk blijkt dat er in Iran geen sprake is van een eerlijk, transparant en voorspelbaar rechtssysteem, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook ondeugdelijk gemotiveerd aan eiseres tegengeworpen dat zij niet voldoende concreet kan verklaren over welke straf haar te wachten staat bij terugkeer naar Iran. Gelet op de grote mate van willekeur die in het Iraanse rechtssysteem aan de orde is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet van eiseres worden verwacht dat zij hierover een gefundeerde uitspraak doet. Gelet hierop kan de tegenwerping dat eiseres onvoldoende heeft verklaard over haar precieze situatie in Iran (nu en bij terugkeer), het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw niet dragen.
Verweerder heeft ter zitting verder gesteld dat weliswaar alsnog wordt geloofd dat er contact heeft plaatsgevonden tussen de Iraanse autoriteiten en de zus (en overige familieleden) van eiseres, maar dat het standpunt dat dit contact geen aanwijzing van kwade wil van de zijde van de Iraanse autoriteiten is, overeind blijft (onderdeel van punt 2.1.2 in het voornemen en het bestreden besluit). De rechtbank is van oordeel dat ook dit standpunt van verweerder niet berust op een deugdelijke motivering. Gelet op de aard van de verdenkingen die de Iraanse autoriteiten jegens eiseres hebben geuit, en die door verweerder vanwege de concreetheid ervan niet langer worden betwijfeld (zie 4.2.3), kan naar het oordeel van de rechtbank zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet worden staande gehouden dat de Iraanse autoriteiten geen negatieve belangstelling voor eiseres hebben en dus dat er geen sprake is van kwade wil van de zijde van de Iraanse autoriteiten. Voor zover verweerder in dit verband zijn standpunt handhaaft dat de hulp van eiseres aan [naam 1] en [naam 2] slechts beperkt was waardoor niet valt in te zien dat de autoriteiten negatieve aandacht voor eiseres zouden hebben, overweegt de rechtbank dat het er niet om gaat hoe verweerder de handelingen van eiseres kwalificeert, maar hoe de Iraanse autoriteiten dat doen en daartegen optreden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat uit het AA Iran (p. 67) naar voren komt dat de Iraanse autoriteiten ook tegen (in de Nederlandse visie) kleine daden van verzet zeer streng optreden. Bovendien wijzen de verdenkingen die de autoriteiten jegens eiseres hebben geuit er niet op dat de Iraanse autoriteiten eiseres de door haar geboden hulp aan [naam 1] en [naam 2] licht aanrekenen. Gelet hierop kan ook de tegenwerping dat er geen aanwijzing is van kwade wil van de zijde van de Iraanse autoriteiten, het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw niet dragen.
Verweerder heeft verder aan eiseres tegengeworpen dat de omstandigheid dat eiseres enkele maanden na de gebeurtenis met [naam 1] en [naam 2] een paspoort heeft kunnen verkrijgen (13 februari 2023) en Iran legaal heeft kunnen uitreizen (maart 2023) niet past bij haar verklaringen dat zij in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat (onderdeel van punt 2.1.2 in het bestreden besluit). Deze tegenwerping berust naar het oordeel van de rechtbank evenmin op een zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering. Eiseres heeft namelijk niet verklaard dat zij al in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten stond toen zij nog in Iran verbleef. Volgens de verklaringen van eiseres heeft de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten voor haar zich pas voor het eerst geopenbaard, in de vorm van een ondervraging van haar zus, hetgeen door verweerder dus alsnog is geloofd, toen eiseres al in Nederland was. Van tegenstrijdige of ongerijmde verklaringen is op dit punt dan ook geen sprake. Verweerder kan van eiseres verder niet verlangen dat zij verklaart wanneer zij precies bij de Iraanse autoriteiten in het vizier is gekomen, nu eiseres dit niet kan weten. Gelet hierop kan ook deze tegenwerping het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw niet dragen.
Voorts heeft verweerder aan eiseres tegengeworpen dat het niet in de rede ligt dat de Iraanse autoriteiten een bezoek aan het huis van eiseres afleggen en haar zus vijf keer oproepen, terwijl zij weten dat eiseres legaal het land heeft verlaten (punt 2.1.4 van het voornemen en het bestreden besluit). Ook deze tegenwerping berust naar het oordeel van de rechtbank niet op een deugdelijke motivering. Nog daargelaten dat verweerder niet met objectieve landeninformatie heeft onderbouwd dat het legaal vertrek van een vreemdeling in Iran wordt geregistreerd en voor alle instanties kenbaar is, overweegt de rechtbank dat er diverse redenen voor de Iraanse autoriteiten konden bestaan om het huis van eiseres te bezoeken en de zus van eiseres meerdere keren op te roepen. Zo kon het doel van het huisbezoek zijn om bewijsmateriaal te verzamelen, en kon het doel van het herhaaldelijk ondervragen van de zus zijn om de zus aan te sporen eiseres te laten terugkeren naar Iran, zoals eiseres zelf ook heeft verklaard (zie p. 7 NG). Hoe dan ook, van eiseres kan niet worden verwacht dat zij nadere uitleg geeft over deze handelwijze van de Iraanse autoriteiten, aangezien zij niet kan weten om welke redenen de autoriteiten zo handelen. Gelet hierop kan ook deze tegenwerping het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw niet dragen.
Al het vorenstaande, in samenhang bezien, leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw.
Over het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank is ermee bekend dat uit (‘stap 2b’ van) Werkinstructie (WI) 2024/6, die hier is toegepast, volgt dat een asielmotief ongeloofwaardig wordt bevonden als niet aan alle vijf voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw is voldaan. Uit rechtspraak van deze zittingsplaats (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3109) volgt echter dat de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak in strijd met het Unierecht, meer specifiek artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, kan komen als verweerder ‘stap 2b’ van WI 2024/6 te strikt, als een ‘checklist’, toepast en niet alle omstandigheden, waaronder de afgelegde verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal, betrekt en in samenhang beoordeelt.
Eén van de omstandigheden die verweerder ook bij deze integrale beoordeling moet betrekken is de omstandigheid dat een vreemdeling zijn/haar asielaanvraag verwijtbaar niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dus niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw. Deze omstandigheid staat echter niet op zichzelf, maar moet in samenhang met alle andere omstandigheden, waaronder in ieder geval de verklaringen van de vreemdeling, waarbij het zwaartepunt ligt, worden beoordeeld. Zoals hiervoor, onder 4.2.7, is overwogen heeft verweerder zich onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Naar het oordeel van de rechtbank tast dit de integrale beoordeling van verweerder in deze zaak zodanig aan dat die reeds hierom niet in stand kan blijven. De vraag of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar asielaanvraag verwijtbaar niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw blijft daarom onbesproken. Het niet voldoen aan deze voorwaarde kan immers in deze zaak toch niet zelfstandig de conclusie dragen dat het asielrelaas ongeloofwaardig is.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder zich onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de problemen van eiseres met de Iraanse autoriteiten vanwege het door haar verleende onderdak aan [naam 1] en [naam 2] ongeloofwaardig zijn.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
6. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de hiervoor geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase door verweerder zijn hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om het asielrelaas van eiseres op geloofwaardigheid te beoordelen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat dit, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop die moeten worden hersteld, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres. Zij stelt hiervoor een termijn van acht weken. Bij dit nieuw te nemen besluit dient verweerder ook rekening te houden met de actuele situatie in Iran.
7. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.