ECLI:NL:RBDHA:2026:9771

ECLI:NL:RBDHA:2026:9771

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer NL26.19722
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Eerste beroep bewaring, artikel 59a, eerste lid Vw 2000. Motivering over lichter middel en over de medische omstandigheden van eiseres is ontoereikend en dit maakt (in ieder geval samen) de maatregel van aanvang af onrechtmatig. Verweerder heeft in de maatregel niet gemotiveerd waarom eiseres, gelet op haar verklaringen, niet in de gelegenheid kon worden gesteld om (weer) zelfstandig te vertrekken naar Spanje. In de maatregel is niet ingegaan op de verklaringen van eiseres over haar gezondheidstoestand. Beroep gegrond. Opheffing van de maatregel met onmiddellijke ingang. Toekenning schadevergoeding en vergoeding proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] (V-nummer: [V-nummer]), eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.19722

(gemachtigde: mr. J.L. Crutzen),

en

(gemachtigde: mr. J. Willems).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. De rechtbank heeft een afstandsverklaring ontvangen, waarin eiseres verklaart afstand te doen van haar recht om aanwezig te zijn bij de zitting. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Beslissing

1. Eiseres stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en haar aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;

en als lichte gronden vermeld dat eiseres:4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Verweerder heeft tijdens de zitting desgevraagd de zware gronden 3j, 3k en 3m en de lichte grond 4b laten vallen.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de zware gronden 3a en 3b niet heeft betwist. Ook de rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en samen met de toelichting daarbij terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. Deze gronden kunnen de maatregel dragen, omdat daaruit een significant risico op onttrekking aan het toezicht volgt.

5. De rechtbank is echter wel van oordeel dat de motivering in de maatregel over de afweging of kon worden volstaan met een lichter middel en over de medische omstandigheden van eiseres ontoereikend is en dat dit (in ieder geval samen) de maatregel van aanvang af onrechtmatig maakt.

6. De rechtbank stelt daartoe allereerst vast dat in de maatregel (pagina 4) daarover het volgende is overwogen:

Daarbij is afgewogen of op de vreemdeling een afdoende, minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Gezien de bovenstaande gronden en motiveringen is vervolgens overwogen dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake (meer) is. Door de vreemdeling is ook niet overtuigend gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan.

De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, te weten: Betrokkene geeft aan zelfstandig naar Spanje te willen vertrekken, welke zouden moeten leiden tot (het voortzetten van) een minder dwingende maatregel maakt diens inbewaringstelling niet onevenredig bezwaarlijk, omdat: Betrokkene heeft eerder niet voldaan aan het terugkeer naar Spanje. Betrokkene is namelijk weer hier. Derhalve niet voor een lichter middel gekozen.

Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die detentie voor de vreemdeling onredelijk bezwarend maken.”

7. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiseres in het bewaringsgehoor (onder meer) heeft verklaard dat haar na haar asielaanvraag is verteld dat zij terug moest naar Spanje, dat zij de beslissing op haar asielaanvraag vervolgens heeft afgewacht en dat zij daarna door het COA werd benaderd dat zij geen recht meer had op opvang en terug moest naar Spanje. Nadat haar is voorgehouden dat zij op 16 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken, verklaard eiseres dat zij haar pas en de sleutel van de kamer heeft ingeleverd en is vertrokken naar België zodat zij van België naar Spanje kon reizen. Eiseres heeft desgevraagd verklaard dat zij naar Spanje is teruggekeerd. Daar heeft zij een afspraak met de advocaat gemaakt om te controleren of zij inderdaad in Spanje een asielaanvraag had lopen. Eiseres heeft verklaard dat zij geen bewijs van deze afspraak met de advocaat heeft, maar wel een bewijs dat zij in Spanje de afgelopen maand in het ziekenhuis is geweest. Eiseres heeft vervolgens een nat Spaans papier getoond. Eiseres heeft daarna verklaard dat zij weer terug naar Nederland is gekomen, omdat zij in maart niet al haar spullen kon meenemen en nu terug is om de rest van haar spullen op te halen. Dat zij naar Spanje is teruggekeerd, nu weer even hier is en terug naar Spanje wil gaan, herhaalt zij daarna nog enkele keren. Verder heeft zij gezegd dat zij hier niet wil blijven en niet hier is om asiel aan te vragen.

8. De rechtbank overweegt dat in de bewaringsmaatregel in het geheel niet is ingegaan op de verklaring van eiseres dat zij is teruggekeerd naar Spanje, dat zij ter onderbouwing daarvan een document heeft getoond van een ziekenhuisbezoek in Spanje en haar verklaring dat zij weer terug naar Nederland is gekomen om de rest van haar spullen op te halen. Verweerder heeft in de maatregel niet gemotiveerd waarom eiseres, gelet op haar verklaringen, niet in de gelegenheid kon worden gesteld om (weer) zelfstandig te vertrekken naar Spanje. En dat had verweerder wel al in de maatregel moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat de enkele overweging daarover in de maatregel (‘Betrokkene heeft eerder niet voldaan aan het terugkeer naar Spanje. Betrokkene is namelijk weer hier’) daarvoor onvoldoende is. Dat eiseres – anders dan zij meermaals heeft verklaard en ook heeft gepoogd aan te tonen met het natte papiertje – inderdaad ‘niet heeft voldaan aan het terugkeer naar Spanje’, is niet toegelicht of gemotiveerd. Dat dit zo is, kan in ieder geval niet worden uitgeleid uit het feit dat zij nu ‘namelijk weer hier is’. Dat dit volgens verweerder impliciet wel uit de (gronden in de) maatregel en de context moet worden afgeleid, deelt de rechtbank niet. Bovendien blijft dan staan dat nog steeds (voor in ieder geval eiseres) onvoldoende duidelijk in de maatregel naar voren komt waarom aan haar verklaring geen waarde wordt gehecht en dat die er toch toe leidt dat zij in bewaring wordt gesteld. Op de zitting heeft verweerder weliswaar nog toegelicht waarom aan die verklaring onvoldoende waarde wordt gehecht in het kader van een lichter middel, maar feit blijft dat dit niet in de maatregel is toegelicht terwijl dat wel had gemoeten. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de verwijzing naar de inhoud van het vertrekgesprek van 12 maart 2026 (dat pas kort na de zitting aan het dossier is toegevoegd) en de opmerking van verweerder dat uit de systemen ook niet blijkt dat eiseres naar Spanje is teruggekeerd. Gelet op het voorgaande blijkt uit de motivering in de maatregel dan ook niet dat de verklaring van eiseres kenbaar is betrokken bij de beoordeling van een lichter middel en waarom zij (gelet op haar verklaring) niet de gelegenheid kreeg zelf weer naar Spanje te vertrekken. Daar komt bij dat verweerder tijdens de zitting de zware grond 3m heeft laten vallen, omdat niet is gebleken dat onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk bleek (gelet op het claimakkoord van 3 februari 2026 loopt de overdrachtstermijn nog tot 3 augustus 2026). Er was dus nog alle tijd om eiseres die gelegenheid te bieden voordat de overdrachtstermijn verstreek.

9. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres tijdens het bewaringsgehoor over haar gezondheidssituatie heeft verklaard dat zij door een arts in Nederland is onderzocht en dat die heeft geconstateerd dat zij een aantal ziektes heeft: hypotensie (lage bloeddruk), blaasontsteking en hepatitis. Eiseres heeft verklaard dat zij hiervoor niet nog een arts hoeft te zien. Eiseres heeft verder verklaard dat zij last had van een stekende pijn aan haar hart, hiervoor nog een cardioloog zou zien maar dat dit is niet gebeurd omdat zij naar Spanje moest. Haar medisch dossier zou in Spanje worden opgepakt. Zij verklaart dat zij nu ook last heeft van haar hart: dat gebeurt vaker en dat kan dus wel wachten. Verder vertelt zij dat zij in Ter Apel onder behandeling stond van een psycholoog, maar dat heeft zij nu niet meer nodig. In het verleden heeft zij vaker aan automutilatie gedaan, maar op dit moment heeft zij geen verlangens om dat te doen: zij kan het goed beteugelen. Op de vraag wat eiseres ervan vindt dat zij mogelijk in bewaring word gesteld, heeft zij verklaard dat zij nog nooit een strafbaar feit heeft gepleegd en zij niet opgesloten wil worden. Zij is bang dat zij benauwd wordt en een zenuwinzinking krijgt.

10. De rechtbank stelt ook vast dat in het proces-verbaal van het bewaringsgehoor (pagina 2) is opgemerkt dat eiseres bij het ophalen zichtbaar overstuur was en dat zij had gehuild. Verder is opgemerkt (pagina 7) dat in het Detentie Centrum in Rotterdam een medische dienst aanwezig is. Eiseres zal een intake krijgen en de medische dienst zal beoordelen in hoeverre zij medische zorg nodig heeft en zij zullen hiervoor zorg dragen. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen detentie kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Voor personen met psychische problemen is in detentie gespecialiseerde zorg aanwezig. Eiseres heeft daarop verklaard het prima te vinden om de medische voorziening in het detentiecentrum af te wachten

11. De rechtbank overweegt dat in de bewaringsmaatregel helemaal niet is ingegaan op de verklaringen van eiseres over haar gezondheidstoestand. De enkele algemene overweging (waarop verweerder op de zitting vervolgens wees) dat “Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die detentie voor de vreemdeling onredelijk bezwarend maken” is daartoe volstrekt onvoldoende, met name nu eiseres een aantal specifieke gezondheidsklachten heeft genoemd. De rechtbank wijst hierbij ook op de constatering tijdens de start van het gehoor dat eiseres emotioneel was en op wat zij vervolgens heeft verklaard over een mogelijke bewaring. Dat tijdens het bewaringsgehoor weliswaar is besproken dat eiseres een intake zal krijgen (die zij volgens de toelichting van verweerder op de zitting ook binnen 24 uur na plaatsing in het detentiecentrum heeft gehad en waarbij niets bijzonders is geconstateerd) en dat zij in detentie gebruik kan maken van de medische dienst, doet er niet aan af dat deze (dan wel een medische) toelichting geheel ontbreekt in de motivering van de maatregel. De aanvulling van de motivering daarover in het aanvullend proces-verbaal van 9 april 2026 laat de rechtbank buiten beschouwing, nu (de motivering van) een bewaringsmaatregel niet op deze wijze kan worden aangevuld. Dat is onderkend dat in de maatregel op dat punt een motivering ontbrak en ook kort daarna het aanvullende proces-verbaal is opgesteld, doet er niet aan af dat die motivering al in de (aan eiseres uitgereikte) maatregel had moeten staan. Overigens wordt zowel in het bewaringsgehoor als in dit aanvullend proces-verbaal verwezen naar Detentiecentrum Rotterdam, terwijl eiseres verblijft in Detentiecentrum Zeist. Dit betreft dus ook geen op de situatie van eiseres toegespitste motivering. Gelet op het voorgaande is in de maatregel daarom ook niet kenbaar beoordeeld of het ondergaan van de maatregel onevenredig bezwarend is voor eiseres, gelet op wat zij heeft verklaard over haar gezondheidstoestand.

Conclusie

12. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met onmiddellijke ingang.

13. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank zal hierbij de standaardmatig toegekende bedragen hanteren en dus bepalen dat aan eiseres een bedrag van € 1.840,00 wordt vergoed, omdat zij 1 dag in een politiecel heeft verbleven (1 x € 160,00) en 14 dagen in het detentiecentrum (14 x € 120,00).

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A.E. van de Venne, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 22 april 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.H. Broier

Griffier

  • mr. F.A.E. van de Venne

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?