ECLI:NL:RBDHA:2026:9774

ECLI:NL:RBDHA:2026:9774

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 09/146192-25 en 16/222485-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor bedreiging en mishandeling van zijn ex-vriendin, vernieling van haar auto en rijden onder invloed. Gevangenisstraf 266 dagen, gelijk aan voorarrest. Ongemaximeerde tbs-maatregel met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar. Vrijheidsbeperkende maatregelen artikel 38v Sr, contactverbod en locatieverbod, dadelijk uitvoerbaar. Beslissing vorderingen benadeelde partij. Schorsing van de voorlopige hechtenis voor de periode dat het vonnis nog niet onherroepelijk is geworden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/146192-25 en 16/222485-25 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 23 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1994 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 4 november 2025, 27 januari 2026, 9 maart 2026 (pro forma) en 9 april 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.J. Algera, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. H.J. Andel, naar voren is gebracht.

De rechtbank heeft op de zitting van 4 november 2025 bevolen de voeging van de dagvaarding met parketnummer 09/146192-25 (hierna te noemen dagvaarding I) met de dagvaarding met parketnummer 16/222485-25 (hierna te noemen dagvaarding II).

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I (09/146192-25) hij op of omstreeks 13 mei 2025 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes tegen de keel en/of gezicht van die [slachtoffer] te drukken en/of met dat mes stekende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Als jij denkt dat jij dit huis verlaat, dan verlaat je hem in een lijkenzak", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Dagvaarding II (16/222485-25) 1.hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Almere opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Almere [slachtoffer] heeft mishandeld door bij die [slachtoffer] de pruik van het hoofd te trekken;

3.hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Almere als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto met kenteken [kenteken 1] , dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 220 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I bij dagvaarding II tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding II tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Dagvaarding I (09/146192-25)

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025156810, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 48).

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 13 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 5-7):

Ik doe aangifte van bedreiging. Dit feit is gepleegd door mijn ex-vriend [verdachte] .

Op 12 mei 2025 hadden wij een afspraak bij het scheidingspunt Zoetermeer. Na ongeveer een uur nadat wij terug waren begonnen de bedreigingen. Dit was om omstreeks 23.30 uur. Ik lag rustig op bed waarna mijn ex-vriend [verdachte] onze slaapkamer in kwam lopen met een keukenmes van ongeveer 20 centimeter in zijn hand. Hij zei tegen mij: "Zo, dacht je dat je dat gewoon kon. Ik heb je al eerder gezegd dat je nergens heen gaat." Hij liep vervolgens naar de kant van het bed waar ik op lag. Hij drukte met een keukenmes op mijn keel. Hij ging staan en begon met het keukenmes over het hoofdbord van het bed te schrapen. Hij was toen even afgeleid op zijn eigen telefoon. Ik heb hierop snel een SOS-bericht gestuurd naar mijn vriendin [getuige] . Ik had namelijk al met haar afgesproken dat ik een bericht zou sturen als ik in nood was. Zij heeft hierop de politie gebeld. Snel hierna kwam de politie.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgemaakt op 13 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 8-11):

Afgelopen avond, 13 mei 2025, kreeg ik een app van [slachtoffer] met: "SOS keel tegen

mijn mes". En toen appte dat ik in actie zou komen waarna ik de politie belde.

Ik heb later diezelfde avond van [slachtoffer] begrepen dat de politie was gekomen.

3. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan in raadkamer, voor zover inhoudende (p. 43):

Foto 9092a743-8f86-4346-aaa8-d03c5ca5e5e6: SOS bericht (pagina 43 van het dossier)

Op de foto is een telefoon te zien met een gesprek waar ‘ [slachtoffer] ’ boven staat. Om 00:09 uur worden vier berichten door haar gestuurd:

Sos

Nuuuu

Mes tegen keel

Pls ben je nog wakker

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 14-16):

Op 13 mei 2025 omstreeks 00:15 uur kregen wij van het Operationeel Centrum Den Haag het verzoek om te gaan naar de [adres 1] . Aldaar zou door bewoonster [slachtoffer] een SOS-bericht zijn verzonden dat zij problemen had met haar vriend [verdachte] .

Ter plaatse belden wij, verbalisanten, aan bij de centrale ingang. Na aanbellen bij de voordeur, zagen wij dat deze open ging en zagen wij een man en een vrouw in de hal staan. Dit bleken later te zijn [verdachte] en [slachtoffer] . Wij vroegen hoe het ging en hoorden [verdachte] antwoorden dat het goed ging. Tegelijkertijd zagen wij dat [slachtoffer] nee schudde met haar hoofd.

Ik wenkte [slachtoffer] naar de voordeur en zag dat zij naar mij toe liep. Ik zag dat [slachtoffer] erg trilde over heel haar lichaam en ik zag dat zij een snelle ademhaling had. Ik hoorde haar zeggen dat er al langere tijd sprake was van huiselijk geweld. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat [verdachte] haar net een mes op haar keel had gezet.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 mei 2025, voor zover

inhoudende, inclusief foto (p. 12-13, 42):

Aangekomen bij de betreffende woning, zag ik dat [verbalisant 1] in gesprek was, met een vrouw die mij later bekend werd als [slachtoffer] . We stonden in de openbare gang van het flatgebouw. Ik zag dat [slachtoffer] zeer geëmotioneerd was. Ik zag dat haar hand erg aan het trillen was toen zij haar telefoon pakte. Ik zag ook dat haar gezicht zeer

angstig was. Ik hoorde haar zeggen dat ze aangifte wilde doen tegen haar ex-vriend.

Ongeveer vijf tot tien minuten later hoorde ik, vanaf de gang, dat de ex-vriend van

[slachtoffer] werd aangehouden. Ik zag dat [slachtoffer] erg bang werd, toen ze hoorde dat haar

ex-vriend, via de gang werd weggevoerd. Ik hoorde haar zeggen dat ze hem absoluut niet wilde zien. Ik zag dat ze angstig wegrende richting het trappenhuis van het flatgebouw, om uit het zicht te blijven van haar ex-vriend. Ik zag dat toen de

ex-vriend uit de woning liep, door de gang van het flatgebouw, hij zoekend om zich

heen keek alsof hij met iemand contact wilde maken.

Toen de ex-vriend weg was, zei ik tegen [slachtoffer] dat zij haar woning in kon gaan, om

met [verbalisant 2] en mij een aangifte op te nemen. Ik zag dat toen [slachtoffer] haar woning betreden had, zij zeer emotioneel werd. Ik zag dat zij begon te hyperventileren. Ik zag dat zij hierdoor moeite met ademhalen kreeg. Ik zag dat zij begon te huilen. Ik zag dat het ongeveer twee minuten duurde, voordat [slachtoffer] kon reageren op iets wat ik zei.

Ik zag dat [slachtoffer] mij het mes liet zien, waarmee haar ex-vriend haar bedreigd had.

Ik zag dat dit mes een keukenmes betrof van 28 centimeter lang. Een foto van dit mes is als bijlage toegevoegd aan dit proces-verbaal (p. 42).

5. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan in raadkamer, voor zover inhoudende (p. 45):

Foto c2120bf6-4726-4753-8d4d-8744db454d4

Op de foto is een hoofdbord van een bed te zien met daarop meerdere strepen.

Dagvaarding II (16/222485-25)

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL0900-2025260653, van de politie-eenheid Midden-Nederland, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 99).

De bewijsmiddelen zijn gebruikt voor de feit(en) waarover zij blijkens hun inhoud gaan.

Feiten 1 en 2

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 2 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 9-12):

Op 2 augustus 2025 kwam ik met mijn auto aan bij mijn woonadres aan de

[adres 2] . Mijn auto betreft een leaseauto en was op dat

moment schadevrij.

Ik zag een zwarte auto geparkeerd staan in de parkeerhaven aan de Keizerstraat. Ik

zag een persoon uit de auto stappen. Ik zag aan de manier waarop de persoon liep

en de bouw van de persoon dat het om [verdachte] ging. Ik reed via Regentesseweg en

Koningstraat terug naar huis. Er reed een zwarte auto voor mij. Ik was alert, omdat

[verdachte] net ter plaatse was. Ik zag dat de zwarte auto achteruit ging inparkeren. Ik

reed voorbij de ingeparkeerde auto en zag in mijn ooghoek dat de zwarte auto gas

gaf. Ik voelde dat mijn auto aan de rechterzijde werd geraakt door de zwarte auto. Ik

voelde mijn lichaam van links naar rechts bewegen door de botsing. Ik keek in mijn

rechterzijspiegel en zag dat de zwarte auto, die net voor mij inparkeerde, tegen de

rechterzijde van mijn auto aanstond.

Ik reed meteen door in de richting van mijn woning aan de [adres 2] .

Ik zag dat de zwarte auto achter mij aan was gereden. Ik zag dat [verdachte] uit de

zwarte auto stapte. Ik zag dat [verdachte] op mij afliep met zijn armen wijd. Ik zag dat

mijn vader hem tegenhield met twee handen. Ik zag dat [verdachte] zichzelf los

probeerde te wrikken. Ik zag dat dit lukte. Ik voelde dat [verdachte] mij vastpakte bij

mijn haar, de kraag van mijn jas en mijn armen. Ik voelde dat [verdachte] de pet van

mijn hoofd aftrok. Ik voelde dat [verdachte] met kracht aan mijn pruik trok. Deze pruik

was met speciale lijm aan mijn hoofdhuid bevestigd. Ik voelde dat deze pruik

loskwam van mijn hoofd.

Na het incident had ik een stekende pijn in mijn rechteronderarm door de

worsteling. Ik heb veel hoofdpijn doordat de pruik van mijn hoofd is getrokken. Ik

heb schade aan de rechterzijde van mijn auto.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 20, 27-29)

Op zaterdag 2 augustus 2025, omstreeks 04:30 uur, waren wij verbalisanten belast met de openbare orde en veiligheid in Almere. Wij kwamen ter plaatse omstreeks 04:45 uur aan op de [adres 2] . Daar werden wij aangesproken door een mevrouw. Zij bleek te zijn [slachtoffer] . Zij vertelde dat zij de melding had gemaakt en dat haar ex-vriend [verdachte] net met een auto op haar auto was ingereden waar zij inzat. Wij verbalisanten keken naar de auto van het slachtoffer, dat betrof een blauwe LYNK & CO met het kenteken [kenteken 2] . Aan de bijrijderszijde, aan het achterportier zagen wij verbalisanten een grote deuk, waarbij de schade zodanig was dat het verf eraf was. De schade was over de gehele

lengte van het portier. Wij verbalisanten maakten van de schade aan haar auto foto’s

die als bijlage aan dit proces-verbaal van bevindingen worden toegevoegd.

3. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan in raadkamer, voor zover inhoudende (p. 31):

Foto 9 met omschrijving: letsel hoofd slachtoffer.

Op de foto zijn lijmresten te zien op het hoofd van het slachtoffer.

4. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte bij de rechter-commissaris op 4 augustus 2025, voor zover inhoudende:

Zij wilde erlangs, maar ik wilde mijn auto ervoor zetten. Toen ze voorbij reed botste ik tegen haar zijkant.

Feit 3

De rechtbank zal voor het bij dagvaarding II onder feit 3 tenlastegelegde met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezenverklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 2 augustus 2025 (p. 96-97);

2. Het proces-verbaal rijden onder invloed, opgemaakt op 2 augustus 2025 (p. 88-92);

Bewijsoverwegingen

Dagvaarding I

De verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend en verklaard dat er niets is gebeurd. Op de zitting heeft hij in dat verband verklaard dat hij samen met de aangeefster in de woning was en dat zij, totdat de politie verscheen, niets mankeerde en rustig was. De rechtbank schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde, nu deze niet te rijmen is met de inhoud van de aangifte, die wordt ondersteund door de bij haar waargenomen hevige emoties toen de politie kort nadien ter plaatse kwam, de waargenomen strepen op het hoofdbord van het bed en de inhoud van de door haar verzonden berichten aan haar vriendin toen zij met de verdachte in de woning was. De rechtbank ziet echter onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de mondelinge bedreiging, nu deze (naast de aangifte) onvoldoende steun vindt in overige bewijsmiddelen.

Dagvaarding II feit 2

De verdachte heeft, zowel bij de politie als ter terechtzitting, verklaard dat hij slechts een afwerende beweging heeft gemaakt in reactie op het spuiten met een (zogenoemde) smurfenspray in zijn richting door de aangeefster. De rechtbank vindt deze verklaring niet aannemelijk, zodat verdachte daarin niet wordt gevolgd. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte de pruik van de aangeefster heeft vastgepakt en, gezien de lijmresten op het hoofd van de aangeefster, met enige kracht van haar hoofd heeft getrokken hetgeen bij haar pijn heeft veroorzaakt. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zonder meer worden gesproken van een handeling die slechts afwerend van aard is geweest. De rechtbank heeft in het dossier evenmin voldoende aanknopingspunten gevonden die daarop wijzen.

Dit maakt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I en de bij dagvaarding II met parketnummer ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I (09/146192-25) hij omstreeks 13 mei 2025 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door een mes tegen de keel van die [slachtoffer] te drukken;

Dagvaarding II (16/222485-25) 1.hij op 2 augustus 2025 te Almere opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die aan een ander, toebehoorde heeft beschadigd;

2.hij op 2 augustus 2025 te Almere [slachtoffer] heeft mishandeld door bij die [slachtoffer] de pruik van het hoofd te trekken;

3.hij op 2 augustus 2025 te Almere als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto met kenteken [kenteken 1] , dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht en dat aan de verdachte, ter zake van de bedreiging, de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt opgelegd die de duur van vier jaren te boven kan gaan. Daarnaast dient aan de verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) te worden opgelegd en deze maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Tot slot dient aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr te worden opgelegd, inhoudende een locatieverbod voor de [adres 2] te Almere.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat, in geval van bewezenverklaring van de bij dagvaarding I tenlastegelegde bedreiging, een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden kan worden opgelegd. De verdediging heeft daarbij verzocht niet de voorwaarden voor wat betreft kort gezegd het ‘alcoholverbod’ en het ‘buitenlandverbod’ op te leggen, nu die voorwaarden niet nodig zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op 13 mei 2025 schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-vriendin (het slachtoffer). Eerder die avond had zij aangegeven de relatie te willen beëindigen, waarna de verdachte, toen zij eenmaal weer thuis waren, een mes op haar keel heeft gezet. Door zo te handelen, heeft de verdachte veel gevoelens van angst bij het slachtoffer veroorzaakt. Temeer nu dit is gebeurd in haar eigen huis, bij uitstek een plek waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Uit het schade-onderbouwingsformulier blijkt dat het slachtoffer als vanwege het incident tijdelijk bij haar ouders is gaan wonen.

Op 2 augustus 2025 heeft zich opnieuw een incident afgespeeld waar het slachtoffer bij betrokken was. Op dat moment liep de verdachte in een schorsing van zijn voorlopige hechtenis ter zake van de bedreiging op 13 mei 2025, hij was dus een gewaarschuwd mens en wist dat hij geen strafbare feiten mocht plegen. De verdachte is in zijn auto achter het slachtoffer aangegaan en is daarna tegen de auto waarin zij zat gereden omdat zij weg wilde rijden, waardoor deze is beschadigd. Vervolgens heeft hij het slachtoffer mishandeld door haar pruik van haar hoofd te trekken. Door zo te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij pijn bij haar veroorzaakt. Uit het schade-onderbouwingsformulier blijkt bovendien dat haar angst voor de verdachte hierdoor verder is toegenomen.

De rechtbank kent bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte bij herhaling de veiligheid van het slachtoffer, met wie hij een relatie had, ernstig heeft aangetast.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van huiselijk geweld. De verdachte is op 2 oktober 2020 ter zake van poging tot zware mishandeling (huiselijk geweld) en vernieling zelfs veroordeeld tot een forse gevangenisstraf en een tbs-maatregel met voorwaarden.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van over de verdachte opgemaakte rapportages, te weten een Pro Justitia rapportage psychiatrisch onderzoek d.d. 14 januari 2026 van P.K.J. Ronhaar, psychiater, een Pro Justitia rapportage psychologisch onderzoek d.d. 19 januari 2026 van drs. T. ‘t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog en een reclasseringsadvies tbs met voorwaarden d.d. 1 april 2026. De rechtbank zal deze rapportages hierna bespreken.

Pro Justitia psychiatrisch onderzoek d.d. 14 januari 2026

Diagnostiek

Bij de verdachte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en in mindere mate antisociale kenmerken, die vooral tijdens partnerrelaties tot uitdrukking komt.Hiervan was ook sprake ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten.Dit beïnvloedde gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.

Mate van toerekening

De deskundige adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, gelet op het nadrukkelijke verband met de beschreven persoonlijkheidspathologie. Ten aanzien van het ten laste gelegde rijden onder invloed van alcohol, wordt geadviseerd dit geheel toe te rekenen, nu een stoornis in het gebruik van alcohol niet is vastgesteld.

Gevaar voor herhaling

De kans op herhaling van de thans ten laste gelegde bedreiging, vernieling en mishandeling wordt groot geacht bij nieuwe partnerrelaties. In alle langer durende partnerrelaties van de verdachte was herhaaldelijk sprake van relationeel geweld. Ondanks een opgelegde behandeling in het kader van tbs met voorwaarden is de verdachte opnieuw gerecidiveerd.

Conclusie van de deskundige

Op dit moment lijkt een klinische behandeling geen toegevoegde waarde te hebben, ook omdat een dergelijke behandeling in 2020/2021 al op een positieve wijze werd afgerond. Geadviseerd wordt een behandeling op te leggen in een ambulant kader, maar met voldoende stok achter de deur, zodat de verdachte daadwerkelijk de behandeling krijgt die hij nodig heeft. Bovengenoemde behandeling kan alleen succesvol zijn indien dit in een strikt kader wordt opgelegd, dat wil zeggen in het kader van - opnieuw - een terbeschikkingstelling. Een minder strikt kader, zoals het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, is voor de verdachte te vrijblijvend. Naar overtuiging van de deskundige is dwangverpleging niet noodzakelijk om te waarborgen dat de verdachte een voldoende intensieve en langdurige behandeling ondergaat, nu dit ook mogelijk is door oplegging van een tbs met voorwaarden.

Pro Justitia psychologisch onderzoek d.d. 19 januari 2026

Diagnostiek

Er is bij de verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische trekken. Dit was ook ten tijde van het ten laste gelegde het geval. Dit beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het relationele geweld. Dit geldt niet voor het rijden onder invloed. De verdachte is als gevolg van zijn persoonlijkheidspathologie nog altijd niet voldoende in staat op een adequate wijze om te gaan met oplopende gevoelens van boosheid en frustratie.

Mate van toerekening

De ten laste gelegde feiten in relationele sfeer hangen direct samen met de persoonlijkheidspathologie van de verdachte. Vanuit gedragskundig oogpunt wordt daarom geadviseerd het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Voor wat betreft het rijden onder invloed wordt geen aanleiding gezien te adviseren de verdachte dit in verminderde mate toe te rekenen.

Gevaar voor herhaling

De belangrijkste kwetsbaarheid van de verdachte ligt binnen relaties. De gedragsdeskundige acht het positief dat de verdachte (meermalen) uit zichzelf weer aan de bel heeft getrokken bij zijn voormalig behandelaar. Dat geeft blijk van een toegenomen inzicht en probleembesef. Desondanks vindt de deskundige dat de verdachte op dat vlak nog stappen heeft te nemen. De verwachting is dat wanneer deze ‘stappen’ niet worden genomen, het risico op recidive hoog is. Op andere levensgebieden speelt deze pathologie echter (inmiddels) veel minder een rol en wordt er niet tot nauwelijks agressief of problematisch gedrag gezien.

Conclusie van de deskundige

Een klinische behandeling acht de gedragsdeskundige bij de verdachte niet (meer) aangewezen, omdat de verdachte een dergelijke behandeling eerder goed heeft doorlopen. Er valt wel winst te behalen in voortzetting van de ambulante behandeling bij Fivoor. De gedragsdeskundige ziet voldoende aanknopingspunten om dit opnieuw vorm te geven binnen een tbs met voorwaarden. De gedragsdeskundige geeft in overweging om naast de tbs met voorwaarden ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.

Reclasseringsadvies tbs met voorwaarden d.d. 1 april 2026

De reclassering heeft twijfels over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden. Hoewel de

gedragsdeskundigen van oordeel zijn dat de verdachte in bepaalde mate geprofiteerd heeft van de (behandel)interventies die eerder binnen een justitieel kader zijn ingezet, is het bij een bewezenverklaring evident dat voornoemde niet heeft geresulteerd in een aanvaardbaar laag recidiverisico en langdurige positieve gedragsverandering bij de verdachte. Volgens de reclassering kan worden geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van hardnekkige, lang bestaande problematiek die direct samenhangt met het risico op (gewelds)recidive en moeilijk bewerkbaar is.

Daartegenover staat dat de reclassering - gelet op de complexe problematiek, het patroon van relationeel geweld, de snelle escalatiedynamiek binnen (nieuwe) partnerrelaties en het hoge risico op (gewelds)recidive - wel noodzaak ziet om te interveniëren binnen een strikt- en gestructureerd kader. Hoewel de inschatting van de gedragsdeskundigen is dat met een adequaat ambulant behandel- en begeleidingstraject het recidivegevaar voldoende kan worden ingeperkt, bestaat bij de reclassering de zorg dat een dergelijk traject niet afdoende is. De verdachte is als gevolg van zijn persoonlijkheidspathologie nog altijd onvoldoende in staat om op een adequate wijze om te gaan met oplopende gevoelens van boosheid en frustratie, wat direct leidt tot een toename van het risico op (gewelds)recidive.

De reclassering adviseert daarom gematigd positief over tbs met voorwaarden. Een behandel- en begeleidingstraject binnen een setting waar expertise is op zowel het gebied van forensische scherpte als de bij de verdachte vastgestelde pathologie, is aangewezen. Primair voor het vergroten van het eigen probleeminzicht en het introspectieve vermogen - door het leren omgaan met emoties, gevoelens en frustraties ter voorkoming van agressieve doorbraken in de toekomst – en secundair om binnen een veilige- en stabiele context te kunnen toetsen of de verdachte profiteert van de ingezette interventies. Vanwege de complexe problematiek en het beschreven recidiverisico vindt de reclassering het van groot belang dat de behandeling geborgd is en dat de continuïteit daarvan niet in gevaar komt. Het borgen van de behandeling binnen de bescherming van een tbs maatregel met voorwaarden en onder toezicht van de reclassering kan bijdragen aan het behalen van het gewenste resultaat.

De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden, nu de kans groot is dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen – of gevaar veroorzaakt voor – één of meer personen. Daarnaast wordt geadviseerd een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.

Oordeel van de rechtbank over de toerekenbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de bevindingen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank zal deze bevindingen en de daaruit getrokken conclusies dan ook deels overnemen. Tegen die achtergrond zal de rechtbank het bij dagvaarding I bewezenverklaarde feit en de bij dagvaarding II onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.

Oplegging van de maatregel

De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan: het bewezen geachte feit (bedreiging) is een misdrijf als bedoeld in artikel 37a, eerste lid en onder 1, Sr, tijdens het begaan van het feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van deze maatregel. Uit de hiervoor aangehaalde rapportages blijkt dat er bij de verdachte sprake is van hoog risico op recidive, dat intensieve behandeling nodig is om dat risico te verlagen en dat die behandeling niet in een ander (minder strikt) kader dan een tbs met voorwaarden kan plaatsvinden. De rechtbank zal deze adviezen volgen en daarom aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden opleggen. De rechtbank zal daarbij de voorwaarden opleggen zoals opgenomen in het advies van de reclassering van 1 april 2026.

De rechtbank stelt vast dat het onder dagvaarding I bewezen geachte feit, bedreiging, een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr. Daartoe is de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan redengevend. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Dadelijk uitvoerbaarheid

Gelet op het feit dat er sprake is van een hoog recidiverisico, ziet de rechtbank aanleiding

om conform artikel 38, zesde lid, Sr te bevelen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat naast de tbs-maatregel met voorwaarden een gevangenisstraf aan de verdachte moet worden opgelegd. Gelet op wat hiervoor is overwogen, en gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank weegt bij de beslissing mee dat de bewezenverklaarde feiten, met uitzondering van het rijden onder invloed, in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 266 dagen, gelijk aan het al ondergane voorarrest, passend en geboden.

Vrijheidsbeperkende maatregelen artikel 38v Sr

De rechtbank zal aan de veroordeelde de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr opleggen, inhoudende een contact- en locatieverbod.

Contactverbod

De rechtbank legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1996. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel noodzakelijk, zodat het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens het slachtoffer wordt ingeperkt.

De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Locatieverbod

De rechtbank legt op de maatregel dat de veroordeelde zich voor de duur van drie jaren niet zal ophouden op de [adres 2] in Almere. Gelet op het hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat deze maatregel noodzakelijk is met het oog op beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal bevelen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Dadelijke uitvoerbaarheid vrijheidsbeperkende maatregelen

De rechtbank zal bovengenoemde maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaren, aangezien er – gelet op het strafblad van de verdachte met meerdere veroordelingen voor onder andere mishandeling (huiselijk geweld) en het hoge recidiverisico – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte zich opnieuw belastend jegens aangeefster gedraagt of zich schuldig maakt aan het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel 38z Sr

De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevorderde maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr op te leggen. De rechtbank overweegt – onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis

(Kamerstukken II 2013/14, 33816, nr. 3) – daartoe dat deze maatregel (als het gaat om het opleggen van deze maatregel in combinatie met een tbs-maatregel) bedoeld is om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen, in aansluiting op een in duur gemaximeerde tbs-maatregel. Nu – zoals hiervoor overwogen – ‘de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen’ niet alleen de reden maar ook de inzet is van de oplegging van een in duur ongemaximeerde tbs met voorwaarden, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van de maatregel van artikel 38z Sr. In het geval van een in duur ongemaximeerde tbs met voorwaarden geldt dat het verlengen van de tbs-maatregel de aangewezen weg is wanneer het recidiverisico ten aanzien van de verdachte niet voldoende is afgenomen.

Voorlopige hechtenis

Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van heden.

Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729.

7. De vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer]

Dagvaarding I (09/146192-25)

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een vergoeding van geleden immateriële schade ter hoogte van € 700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Dagvaarding II (16/222485-25)

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.770,05, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.470,05 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen kunnen worden toegewezen tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Door en namens de verdachte is de vordering ingediend ter zake dagvaarding II (16/222485-25) niet betwist. De vordering ingediend ter zake dagvaarding I (09/146192-25) is niet anders betwist dan met een verzoek tot vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Dagvaarding I (09/146192-25)

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel als gevolg van het bewezenverklaarde handelen door de verdachte. De aard en ernst van de normschending is evenmin zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan zozeer voor de hand liggen dat een schending in voormelde zin dient te worden aangenomen.

De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Dagvaarding II (16/222485-25)

De rechtbank overweegt dat de vordering door en namens de verdachte niet is betwist en namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan eveneens worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. Ook deze schade is niet betwist. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd en bij gebreke aan betwisting, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 300,00.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 1.770,05, bestaande uit € 1.470,05 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer]

De verdachte zal voor de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.770,05, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36 f, 37a, 38, 38a, 38v, 38w, 57, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;

- 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I met parketnummer 09/146192-25 tenlastegelegde feit en de bij dagvaarding II met parketnummer 16/222485-25 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

Dagvaarding I

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling;

Dagvaarding II

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

Ten aanzien van feit 2:

mishandeling;

Ten aanzien van feit 3:

overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 (220 microgram);

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 266 (TWEEHONDERDZESENZESTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte onder de volgende voorwaarden;

stelt dat de terbeschikkinggestelde:

1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

2. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

3. meewerkt aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de terbeschikkinggestelde:

 zich meldt op afspraken bij de reclassering, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

 zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering;

 de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is, zo nodig voor opsporing bij ongeoorloofde aanwezigheid;

 meewerkt aan huisbezoeken;

 de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

 zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

 meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;

4. als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, zich voor een time-out laat opnemen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of betrokkene deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

5. niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaat, zonder toestemming van de reclassering;

6. zich ambulant laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

7. geen alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod, zolang de reclassering dat nodig vindt. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd;

8. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

9. openheid geeft aan de reclassering over het aangaan en onderhouden van (partner)relaties en verleent de reclassering toestemming om relevante referenten uit zijn (sociale) netwerk te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn (sociale) netwerk;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de opgelegde maatregel en de daarmee samenhangende voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;

maatregel artikel 38v Sr inhoudende een contactverbod

legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1996;

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

maatregel artikel 38v Sr inhoudende een locatieverbod

legt op de maatregel dat de veroordeelde zich voor de duur van 3 jaren niet zal ophouden in het navolgende gebied: [adres 2] in Almere;

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte, met ingang van 23 april 2026, onder de volgende algemene voorwaarden, dat de verdachte:

1. als de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;

2. als hij voor het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, wordt veroordeeld tot andere dan vervangende vrijheidsstraf, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken;

3. zal meewerken aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aanbiedt voor het vaststellen van zijn identiteit;

4. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

voor het overige worden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis dezelfde bijzondere voorwaarden verbonden, gedurende de schorsing, als de hiervoor onder 3 t/m 9 genoemde voorwaarden die gesteld worden bij de terbeschikkingstelling onder voorwaarden;

de vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer] ;

Dagvaarding I (09/146192-25)

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

Dagvaarding II (16/222485-25)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 1.770,05 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 1.770,05 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 17 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R. Aaron, voorzitter,

mr. M.C. Ritsema van Eck - van Drempt, rechter,

mr. R.P. van der Weide, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.R. Aaron
  • mr. M.C. Ritsema van Eck - van Drempt
  • mr. R.P. van der Weide

Griffier

  • mr. L.A. Haas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?