RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11987
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.11988, op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de waarnemer van gemachtigde van eiser: mr. E.V. Appeldoorn, A. Abdiraham als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989. Hij heeft op 28 oktober 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 26 maart 2019, en later nogmaals op 30 augustus 2023, in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 1 december 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit verzoek op 5 december 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden van eiser
4. Volgens eiser heeft verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte niet in behandeling genomen omdat verweerder deze op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich zou moeten trekken. Hij heeft Duitsland namelijk juist moeten verlaten nadat zijn asielaanvraag is afgewezen. Bij zijn asielaanvraag in Duitsland heeft hij uit angst niet vermeld dat hij homoseksueel is. Dit zal hem in Duitsland blijvend worden tegengeworpen en zal hij daarom terug moeten naar Nigeria. Volgens eiser kan hij niet terugkeren naar zijn land van herkomst vanwege zijn seksualiteit. Verder voert eiser aan dat hij traumabehandeling krijgt in Nederland terwijl zijn psychische behandeling in Duitsland niet heeft geholpen. Ter onderbouwing heeft eiser op de zitting een afsprakenboekje van de psycholoog laten zien, waaruit blijkt dat twee eerdere afspraken hebben plaatsgevonden en binnenkort een nieuwe afspraak gepland staat.
5. Ook stelt eiser dat hij een partner in het asielzoekerscentrum (azc) heeft ontmoet die zijn steun en toeverlaat is geworden. In dit kader verwijst eiser naar artikel 8 van het EVRM, het recht op familie- en gezinsleven. Eiser stelt dat al deze omstandigheden in samenhang maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
Beoordeling door de rechtbank
Had verweerder de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich moeten trekken?
6. Verweerder trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Dit staat in artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in samenhang met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7. Eiser betwist niet dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, waardoor mag worden verondersteld dat Duitsland zich aan alle internationale verplichtingen houdt. Daar komt bij dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Eiser heeft eerder de mogelijkheid gehad om in Duitsland asiel aan te vragen en krijgt nu middels het claimakkoord opnieuw deze mogelijkheid. Dit betekent ook dat eiser de mogelijkheid zal krijgen om naar voren te brengen dat hij homoseksueel is. Eiser stelt dat Duitsland hem blijvend zal nadragen dat hij dit niet eerder heeft verklaard, maar verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit geen bijzondere omstandigheid is. Eisers stelling dat sprake is van indirect refoulement bij overdracht omdat Duitsland zijn asielaanvraag zal afwijzen en hem terug zal sturen naar Nigeria, bespreekt de rechtbank aan het eind van deze uitspraak. Als eiser toch problemen ondervindt in Duitsland kan hij hierover klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is.
8. Verweerder heeft er verder vanuit kunnen gaan dat er ook in Duitsland behandeling voor zijn psychische problemen aanwezig is. Dit wordt bevestigd door het feit dat hij deze daar ook eerder heeft gehad. Dat deze niet tot het door eiser gewenste resultaat heeft geleid, maakt dit niet anders.
9. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij en zijn partner elkaar hebben ontmoet in het azc waar zij beiden verbleven en dat zij bij elkaar willen blijven. Zijn partner, die ook op zitting aanwezig was, heeft dit bevestigd en verklaard dat hij eiser veel tot steun is in (psychisch) moeilijke tijden. Hoewel de wens van eiser om bij zijn partner in Nederland te blijven begrijpelijk is, heeft verweerder de relatie tussen eiser en zijn partner niet aan hoeven merken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. De Dublinverordening is op zichzelf niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen. Daarom wordt in de Dublinprocedure niet aan artikel 8 van het EVRM getoetst. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1765. In artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening zijn de mogelijkheden voor het bijeenhouden en -brengen van het gezin in de asielprocedure uitgewerkt. Eiser heeft niet gesteld dat hij onder één van die bepalingen valt, en dit is de rechtbank verder ook niet gebleken.
10. De rechtbank is verder niet gebleken van andere bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland getuigt van onevenredige hardheid.
11. Alles bij elkaar heeft verweerder dan ook in de omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
12. De beroepsgronden slagen niet.
Loopt eiser het risico op indirect refoulement bij overdracht aan Duitsland?
13. Nog daargelaten dat volgens de Afdeling binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement (zie de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359), overweegt de rechtbank dat er in het geval van eiser geen grond bestaat voor dat oordeel. Eiser heeft zijn gestelde vrees voor indirect refoulement namelijk op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat de eerdere asielaanvraag van eiser in Duitsland is afgewezen, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat hij bij overdracht een reëel risico op indirect refoulement loopt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die afwijzing in Duitsland het gevolg is van een evident en fundamenteel ander beschermingsbeleid dan in Nederland of van een evidente fout. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing komt doordat hij zelf niet durfde te verklaren over zijn geaardheid. Verder geldt, zoals hiervoor overwogen, dat de Duitse autoriteiten met het uitdrukkelijke claimakkoord hebben gegarandeerd dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen. Daarin kan hij alsnog verklaren over zijn homoseksualiteit. Als deze aanvraag ook wordt afgewezen kan eiser dit aanvechten bij de Duitse (hoogste) rechter. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse (hoogste) rechter hem binnen het bestek van die asielprocedure niet zal beschermen tegen refoulement naar Nigeria. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar Nigeria, moet Duitsland zich daarbij houden aan internationale verplichtingen.
14. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.