RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17221
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).
Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als ongegrond.
Op 14 april 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 22 april 2025 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Op 31 augustus 2025 en 30 november 2025 heeft eiser de beroepsgronden aangevuld en landeninformatie overgelegd.
Op 4 december 2025 heeft verweerder op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. L.J. Meijering, als waarneemster van eisers gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Ahmad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Inleiding
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij is Jezidi en afkomstig uit Sinun, gelegen in het district Sinjar (hierna ook: Sinjar) in de provincie Ninewa. Op 13 juli 2023 heeft hij in Nederland asiel aangevraagd.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft in Irak discriminatie en problemen ondervonden omdat hij Jezidi is. Op de basisschool werd hij vanwege zijn etnoreligieuze identiteit mishandeld en ook later in zijn werk ondervond hij hierdoor problemen. In 2009 kwam zijn broer in Sinun om het leven door een bomaanslag. Volgens eiser hield deze aanslag verband met de Jezidische identiteit van zijn broer. Kort daarna ontvingen eiser en zijn oom een dreigbrief, waarin werd gedreigd dat ook zij zouden worden vermoord. Na de inval van Islamitische Staat (IS) in Sinjar en de daar gepleegde genocide is eiser uit Sinjar gevlucht en heeft hij van 2014 tot 2016 in een vluchtelingenkamp in Zakho (in de Koerdische Autonome Regio) verbleven. Tussen 2016 en 2019 verbleef hij weer in zijn geboortedorp Sinun in Sinjar. Op enig moment in 2019 heeft hij voor het schildersbedrijf waarvoor hij werkte een klus moeten doen op het hoofdkwartier van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK). De PKK heeft hem toen geprobeerd te rekruteren, maar eiser heeft dat geweigerd. Daarna is hij herhaaldelijk voor rekrutering benaderd door PKK-leden, onder andere bij zijn woning en die van zijn ouders. Hierop vluchtte eiser in 2019 opnieuw naar Zakho. In 2021 keerde hij voor een tweede keer terug naar Sinjar om voor zijn vader te zorgen. Daar had hij als Jezidi echter geen levens- of bestaansmogelijkheden tussen de islamitische en Arabische bevolkingsgroepen. Op 15 mei 2023 is hij daarom uit Irak gevlucht. Bij terugkeer naar Sinjar in Irak vreest eiser voor gedwongen rekrutering door de PKK, voor vervolging en/of ernstige schade vanwege zijn Jezidische identiteit en voor gevaar vanwege de strijdende milities en de veiligheidssituatie in Sinjar.
Het bestreden besluit
Verweerder heeft de volgende asielmotieven vastgesteld en beoordeeld:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Discriminatie op basis van eisers Jezidische etniciteit;
De gedwongen rekrutering door de PKK en daaropvolgende problemen.
Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofd dat eiser Jezidi is, dat hij de genocide op Jezidi’s in 2014 heeft meegemaakt en dat hij discriminatie heeft ondervonden als Jezidi. Verder heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser in 2019 in Sinjar gedwongen rekruteringspogingen en problemen van de PKK heeft ondervonden. Verweerder gelooft echter niet dat eiser in de periode van 2021 tot 2023 in Sinjar nog negatieve aandacht of problemen van de PKK heeft ondervonden en ook niet dat eiser nu nog in de negatieve aandacht staat van de PKK.
De grotendeels geloofwaardig geachte asielmotieven leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar Sinjar in Irak een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband heeft verweerder (onder andere) gesteld dat de ondervonden en te ondervinden discriminatie vanwege zijn Jezidi-identiteit niet zwaarwegend genoeg is voor asielverlening, dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer nog te vrezen heeft voor (rekrutering door) de PKK en dat de algemene veiligheidssituatie in Sinjar ook geen grond biedt voor asielverlening. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit aan de hand van de daartegen door eiser aangevoerde beroepsgronden.
Ondertekening van het bestreden besluit
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de beroepsgrond dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat het niet is ondertekend, heeft laten vallen. De rechtbank bespreekt deze grond daarom niet inhoudelijk.
Toetsingskader geloofwaardigheid
5. Eiser voert aan dat verweerders geloofwaardigheidsbeoordeling in het bestreden besluit, waarbij de werkinstructie (WI) 2024/6 is toegepast, in strijd is met het Unierecht. Volgens eiser hanteert verweerder een te hoge bewijslast door de geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten aan de hand van vijf cumulatieve voorwaarden en door objectieve bewijsstukken te vereisen. Verder miskent verweerder de omvang van de samenwerkingsverplichting en is er ten onrechte geen ruimte meer om een vreemdeling het voordeel van de twijfel te gunnen, zo stelt eiser.
Uit WI 2024/6 volgt dat verweerder eerst de feiten en omstandigheden identificeert en het asielrelaas vaststelt (stap 1) en vervolgens de geloofwaardigheid van het asielmotief beoordeelt (stap 2). In dat kader wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve documenten die authentiek zijn (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken, wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). Daarbij wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, r.o. 4.3 tot en met 4.6, en de uitspraak van de meervoudige kamer van zittingsplaats Utrecht van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, r.o. 7 tot en met 7.3, heeft deze rechtbank en zittingsplaats inmiddels al meerdere keren overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2710, r.o. 5.3, dat met ‘stap 2a’ van WI 2024/6 geen sprake is van een met het Unierecht strijdige verhoging van de bewijsmaatstaf, zolang maar in de beoordeling erna, bij ‘stap 2b’, alle verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden worden betrokken en in samenhang worden beoordeeld. Ook heeft deze rechtbank en zittingsplaats reeds eerder overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3109, r.o. 4.2, dat de toepassing van ‘stap 2b’ van WI 2024/6 niet in iedere zaak zonder meer in strijd is met het Unierecht, maar in een concrete zaak wel in strijd met het Unierecht kan komen als verweerder ‘stap 2b’ te strikt, als een ‘checklist’, toepast en niet alle omstandigheden, waaronder de afgelegde verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal, betrekt en in samenhang beoordeelt. Deze overwegingen worden in deze uitspraak onderschreven en overgenomen. In deze zaak heeft verweerder de verklaringen van eiser over wat hij heeft meegemaakt in Irak in samenhang met elkaar en alle overige omstandigheden bezien en beoordeeld. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de in deze zaak verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht. Bovendien geldt dat het asielrelaas grotendeels geloofwaardig is geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees bij terugkeer voor (rekrutering door) de PKK
6. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht dat hij bij terugkeer opnieuw te vrezen heeft voor rekrutering door de PKK. Weliswaar heeft in de periode van 2021 tot 2023 geen rekrutering plaatsgevonden terwijl eiser zich opnieuw in Sinjar bevond, maar hij had zijn bewegingsvrijheid drastisch beperkt waardoor hij niet opviel voor de in Sinjar aanwezige PKK. Eiser is eerder echter wel gerekruteerd en de PKK is nog altijd aanwezig in Sinjar.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte gesteld dat ongeloofwaardig is dat eiser tijdens zijn verblijf in Sinjar in de periode van 2021 tot 2023 in de negatieve aandacht van de PKK heeft gestaan en dat hij nu nog steeds in de negatieve aandacht van de PKK staat. Eiser vermoedt slechts dat PKK-leden hem nog zoeken vanwege de mislukte rekruteringspogingen en bedreigingen in 2019, maar hij heeft, behalve dat de PKK hem in 2019 zocht, geen concrete aanvullende feiten of omstandigheden genoemd die dit vermoeden ondersteunen. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat eiser van 2021 tot 2023 opnieuw in (dezelfde woonomgeving in) Sinjar verbleef waar de eerdere rekruteringspogingen en problemen met de PKK plaatsvonden, zonder dat hij toen opnieuw gedwongen rekrutering of problemen van de PKK heeft ondervonden. De stelling dat hij zijn bewegingsvrijheid destijds beperkte door zich uitsluitend in Sinjar te begeven, biedt onvoldoende steun aan zijn vermoeden dat de PKK nog naar hem op zoek was, te meer omdat eiser zelf heeft verklaard dat er in die periode (2021-2023) juist veel PKK-leden in Sinjar aanwezig waren.
In het verlengde van het voorgaande heeft verweerder terecht gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Sinjar in Irak te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering door of problemen met de PKK als gevolg van de (geloofwaardig geachte) eerdere rekruteringspogingen in 2019. Hierbij heeft de rechtbank ook betrokken dat verweerder terecht heeft gesteld dat uit de landeninformatie geen aanwijzingen volgen voor gedwongen rekrutering van volwassenen door het Iraakse leger of andere milities, waaronder de PKK. Zo vermeldt het Algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 dat er geen berichten zijn over dergelijke gevallen (p. 36) en bericht de EUAA Country Guidance: Iraq (november 2024, p. 39) alleen over de rekrutering van Jezidi-kinderen.
De beroepsgrond slaagt gezien het voorgaande niet.
Vrees bij terugkeer vanwege de positie van Jezidi’s als groep
Beroepsgronden
Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte niet vanwege zijn Jezidi-identiteit als verdragsvluchteling heeft aangemerkt. Hij wijst daarbij op de genocide die hij in 2014 heeft meegemaakt, de ondervonden discriminatie en de aanslag op zijn broer en daaropvolgende bedreigingen. Hij stelt dat de bewijslast daardoor is omgekeerd en dat het nu aan verweerder is om te motiveren waarom hij, ondanks dat hij slachtoffer is geweest van vervolging op etnoreligieuze gronden, bij terugkeer niet opnieuw een risico loopt. Volgens eiser ontbreekt in het bestreden besluit een toetsing van zijn vrees voor vervolging op de wijze als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Vw.
Eiser voert verder aan, in het kader van artikel 3 van het EVRM, dat hij behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep, wat maakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade en een onmenselijke behandeling. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt de volgende informatie overgelegd: brieven van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) over de positie van Jezidi’s in Irak (brieven van 20 augustus 2025 en 18 november 2025), over de veiligheidssituatie en de humanitaire omstandigheden in Sinjar (brieven van 22 augustus 2025 en 18 november 2025) en over de ontwapening van de PKK en de gevolgen voor Sinjar (brief van 18 november 2025), een samenvatting van deze brieven, en verscheidene links naar nieuwsartikelen over verleende gratie aan duizenden gevangenen in Irak, waaronder aan leden van IS die verantwoordelijk waren voor de genocide op de Jezidi’s. Volgens eiser berust het bestreden besluit, evenals de beleidswijziging van 1 juli 2024 voor Jezidi’s in Irak, niet op een deugdelijk onderzoek naar de positie van Jezidi’s. Hij acht de motivering in de Kamerbrief van 27 mei 2024 om Jezidi’s niet langer als kwetsbare minderheidsgroep (thans: risicoprofiel) aan te merken, niet deugdelijk, omdat niet de daden van IS, maar de structureel kwetsbare positie van Jezidi’s als etnoreligieuze minderheid in Irak aanleiding was om hen sinds (in ieder geval) 2007 als kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. De positie van Jezidi’s is sinds 2007 geenszins verbeterd. Ook de motivering dat de Iraakse autoriteiten de religie van de Jezidi’s officieel erkennen acht eiser onvoldoende, omdat die erkenning al sinds 2006 bestaat.
Het standpunt van verweerder
8. Uit het meest recente ambtsbericht over Irak blijkt niet dat Jezidi’s omwille van hun geloof in algemene zin het risico lopen om slachtoffer te worden van vervolging of ernstige schade. Daarom is in het thans geldende beleid niet langer een aparte positie voor Jezidi’s aangenomen. Er is volgens verweerder in Sinjar nu geen sprake van een situatie voor Jezidi’s die vergelijkbaar is met die ten tijde van de genocide door IS. Er zijn volgens verweerder ook geen andere gronden die aanleiding geven om aan te nemen dat Jezidi’s als groep worden vervolgd of een reëel risico lopen op ernstige schade of een onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Sinjar. Verweerder verwijst daarbij naar de onderliggende motivering van de beleidswijziging. Verweerder heeft verder gesteld dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hijzelf als Jezidi wel dat risico loopt. In de periode voorafgaand aan zijn vertrek uit Irak heeft eiser in Sinjar gewoond zonder dat hij te maken had met vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.
Het beleid ten aanzien van Jezidi’s
Verweerder nam in het verleden voor Jezidi’s aan dat zij min of meer dezelfde gevaren, bedreigingen en belemmeringen als andere groepen religieuze minderheden in Irak ondervonden om hun geloof vrij uit te oefenen. Volgens het vanaf 5 augustus 2007 geldende beleid van verweerder in paragraaf C24/11.3.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) waren Jezidi’s aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep. Dit betekende dat een Jezidi in aanmerking kwam voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw indien hij met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk kon maken dat in samenhang met het behoren tot die groep een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM aanwezig was. Daarvoor was niet vereist dat de vreemdeling persoonlijk te maken had gehad met een dergelijke behandeling. Ook indien sprake was van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kon dit voldoende grond zijn om een dreigende schending aan te nemen. In het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/21 was toegelicht dat uit het aan dit beleid ten grondslag liggende Algemeen ambtsbericht Irak van juni 2007 bleek dat de positie van Jezidi’s sinds de val van het regime van Saddam Hoessein niet significant leek te zijn verbeterd. Uit dat ambtsbericht (p. 78-79) blijkt verder dat de Iraakse autoriteiten niet bij machte waren om bescherming te bieden aan Jezidi’s. Ook blijkt uit dat ambtsbericht dat in de afgelopen jaren om religieuze redenen een aantal Jezidi’s vermoord was en meer dan 50 geweldplegingen tegen Jezidi’s hadden plaatsgevonden alsmede dat Jezidi’s zich in toenemende mate moesten houden aan de islamitische voorschriften met betrekking tot kleding e.d.
Ook na de beleidswijziging van 14 januari 2021 bleven Jezidi’s uit Irak (met uitzondering van de Koerdische Autonome Regio) aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep (WBV 2021/1; Stcrt. 2021, 1570). In paragraaf C7/13.4.3 van de Vc was in dit verband vermeld dat verweerder in het geval van Jezidi’s bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vrees in de weging betrok: de grootschalige en ernstige mensenrechtenschendingen, waarvan de Jezidi minderheid in Irak het slachtoffer is geworden van de zijde van IS vanaf 2014, de algemene kwetsbare situatie waarin deze groep ook sinds het verdrijven van IS gedurende de afgelopen jaren verkeert, mensenrechtenschendingen ten aanzien van betrokkene zelf of in zijn naaste omgeving, en slechte leefomstandigheden, mits ingegeven door discriminatoire feiten en omstandigheden. Deze afweging kon ertoe leiden dat verweerder een beperkte indicatie aannam.
Vervolgens is met de nota Landenbeleid Irak van 27 mei 2024 bepaald dat de beleidsmatige aanwijzing van Jezidi’s als kwetsbare minderheidsgroep (thans: risicoprofiel), evenals de aanvullende bepalingen over hun normale woon- en verblijfsplaats, komt te vervallen (zie ook WBV 2024/12; Stcrt. 2024, 19165). Aan dit, sinds 1 juli 2024 en ook thans nog geldende beleid heeft verweerder ten grondslag gelegd dat nu IS grotendeels is verslagen, de dreiging voor Jezidi’s om gericht slachtoffer te worden van geweld sterk is afgenomen. Daarbij komt dat er van de zijde van de autoriteiten, zij het in beperkte mate, inspanning wordt geleverd om Jezidi’s terug te laten keren naar hun oorspronkelijke leefgebied en dat er initiatieven zijn voor herstelbetalingen aan IS-slachtoffers. Ook geldt dat het Jezidisme een officieel erkende godsdienst is in Irak. Toegelicht is verder dat uit het aan de beleidswijziging ten grondslag liggende Algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 niet blijkt dat Jezidi’s omwille van hun geloof het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Evenmin lijkt er sprake te zijn van vervolging ten aanzien van Jezidi’s. Op grond van dit ambtsbericht heeft verweerder geconcludeerd dat er geen reden is om Jezidi’s nog langer aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep. Er wordt ook geen reden gezien om Jezidi’s aan te merken als risicogroep. Voor Jezidi’s wordt daarom voortaan (lees: sinds 1 juli 2024) aangesloten bij de reguliere asielbeoordeling, waarbij het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat haar oordeel in deze zaak specifiek gaat over Jezidi’s van wie de normale woon- en verblijfplaats Sinjar is. Dat betekent echter niet dat het oordeel van de rechtbank niet ook betekenis kan hebben voor de positie van Jezidi’s in bredere zin.
Gelet op de beroepsgrond onder 7.1. rijst eerst de vraag of Jezidi’s in Sinjar vanwege hun etniciteit/religie als groep worden vervolgd (in de zin van paragraaf C2/3.2.3 van de Vc) dan wel systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen (in de zin van paragraaf C2/3.3.2.1 van de Vc). Ter vergelijking wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4202, r.o. 4.1 en 5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat ten aanzien van Jezidi’s in Sinjar thans sprake is van groepsvervolging dan wel van systematische blootstelling aan een reëel risico op ernstige schade. Verweerder heeft in dit kader terecht gesteld dat IS niet langer de machthebber is in Sinjar en dat Jezidi’s daardoor niet meer omwille van hun etniciteit/geloof in algemene zin worden vervolgd of het risico lopen slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Dat in het verleden frequent sprake is geweest van gericht geweld (genocide) tegen Jezidi’s maakt dit niet anders. Het gaat bij deze beoordeling immers om de actuele situatie in Sinjar. De algemene situatie in Sinjar waarop eiser zich beroept (onder verwijzing naar paragraaf 102 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, J.K. and Others v. Sweden van 23 augustus 2016, nr. 59166/12, over wanneer past ill-treatment provides a strong indication of a future, real risk of treatment contrary to Article 3), is door het verslaan van IS gewijzigd. Daarmee is er sprake van ‘goede redenen’, als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Vw, om aan te nemen dat de vervolging en/of ernstige schade waaraan de Jezidi’s in Sinjar eerder blootgesteld zijn geweest zich niet opnieuw zullen voordoen. Er ontbreekt verder objectieve informatie waaruit volgt dat er thans nog steeds structureel sprake is van gericht geweld tegen Jezidi’s. Verweerder stelt terecht dat het Algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 daarvoor geen aanwijzingen bevat. De rechtbank overweegt dat ook de door eiser overgelegde informatie geen aanleiding geeft om aan te nemen dat het eerder door IS tegen Jezidi’s gerichte geweld zich thans opnieuw of op vergelijkbare wijze en op grote schaal voordoet (‘real risk’). De op zichzelf zorgwekkende meldingen over het oplaaien van slapende IS-cellen zijn daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat zich in de periode van oktober tot en met 8 december 2025 enkele geweldsincidenten hebben voorgedaan waarbij Jezidi’s betrokken waren, maar dat daarbij geen sprake was van gericht geweld, maar van familieomstandigheden.
Het voorgaande betekent dat het zijn van Jezidi in Sinjar naar het oordeel van de rechtbank niet automatisch leidt tot een gegronde vrees voor vervolging dan wel tot een reëel risico op ernstige schade en dus tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Dit betekent echter niet dat aan het zijn van Jezidi in Sinjar asielrechtelijk geen betekenis meer hoeft te worden gehecht. Verweerder kan namelijk ook groepen aanwijzen als risicoprofiel (voorheen: kwetsbare minderheidsgroep), zoals hij in het verleden wél voor Jezidi’s had gedaan en in het huidige landenbeleid ten aanzien van Irak heeft gedaan voor de religieuze minderheden shabak, kaka’i en bahai (paragraaf C7/16.3.2 van de Vc). Uit paragraaf C2/2.4 van de Vc volgt dat verweerder een groep als risicoprofiel kan aanwijzen, als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. De beroepsgrond onder 7.2 geeft de rechtbank aanleiding te beoordelen of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat Jezidi’s in Sinjar niet langer hoeven te worden aangemerkt als risicoprofiel. Daarbij gaat de rechtbank achtereenvolgens in op de onderwerpen: discriminatie, veiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden.
De positie van Jezidi’s in Sinjar op het gebied van discriminatie is precair. Op basis van de onder 7.2 genoemde landeninformatie deelt de rechtbank weliswaar het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is dat Jezidi’s op dit moment vanwege discriminatie zodanig ernstig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren (zie paragraaf C2/3.2.6 van de Vc). Maar uit die landeninformatie volgt wel dat Jezidi’s binnen en buiten het Sinjar-gebied dagelijks forse discriminatie en sociale uitsluiting ondervinden. Die discriminatie strekt zich uit over vrijwel alle levensdomeinen: sociaal, economisch, juridisch en bestuurlijk. Zowel structurele achterstelling, zoals beperkte toegang tot werk, huisvesting en diensten, als openlijke vijandigheid, zoals haatzaaiende campagnes, online berichtgevingen die aanzetten tot geweld en stigmatisering, komen voor. Het Algemeen ambtsbericht van november 2023 (p. 68) bevestigt dit beeld. De formele bescherming die het Iraakse recht biedt, wordt in de praktijk onvoldoende nageleefd of gehandhaafd, waardoor Jezidi’s blijvend kwetsbaar zijn voor discriminatie en uitsluiting.
Gelet op al deze informatie acht de rechtbank het aannemelijk dat Jezidi’s zich binnen hun eigen, gevestigde gemeenschap in Sinjar maatschappelijk en sociaal kunnen handhaven, maar dat zij forse, door discriminatie ingegeven problemen en belemmeringen op alle levensdomeinen ondervinden zodra zij daarbuiten moeten treden, waardoor zij buiten hun gemeenschap grote moeilijkheden hebben om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Tot het buiten hun gemeenschap treden zijn zij, gelet op wat hierna wordt overwogen over de humanitaire situatie, bovendien geregeld gehouden.
De rechtbank overweegt verder dat de veiligheidssituatie in Sinjar zorgelijk is. Uit de onder 7.2 genoemde brieven van VWN over de veiligheidssituatie in Sinjar blijkt het volgende. Volgens de Protection Considerations van de UNHCR van januari 2024 (p. 37-39) is de veiligheidssituatie in het overwegend Jezidische Sinjar-district (provincie Ninewa) zeer complex en fragiel, omdat verschillende binnenlandse actoren met elkaar wedijveren om de controle. Minstens acht milities strijden er om de militaire, economische en politieke macht, waardoor de instabiliteit in de regio voortduurt. Het EUAA-rapport “Iraq: Country Focus” van 8 oktober 2025 vermeldt dat het gebied is veranderd in een ‘transnationaal conflictcentrum’ en dat terugkeer om die reden wordt belemmerd (p. 129). Er is aldus sprake van een zeer precaire veiligheidssituatie voor burgers (brief VWN, p. 2, 4-5). Het EUAA, dat de veiligheidssituatie eerder al als blijvend fragiel omschreef (EUAA “Country Guidance: Iraq”, november 2024, p. 40), en het Algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 (p. 68) beschrijven de veiligheidssituatie als het belangrijkste obstakel voor grootschalige terugkeer van ontheemde Jezidi’s naar Sinjar en de situatie heeft ook tot hernieuwde ontheemding uit het gebied geleid. Het Sinjar-akkoord van oktober 2020, dat de bestuurlijke en veiligheidsverhoudingen moest normaliseren, is tot op heden slechts gedeeltelijk uitgevoerd. De PKK kondigde in 2025 aan te zullen ontwapenen, maar de aanwezigheid van meerdere gewapende actoren en het uitblijven van effectieve implementatie van het akkoord houden de situatie complex. De feitelijke veiligheidscontrole over Sinjar blijft verdeeld. Daar komt nog bij dat een heropleving van IS in Irak weer is waargenomen en dat ook in Ninewa aanvallen door IS zijn geregistreerd. Eiser heeft in dit verband gewezen op nieuwsartikelen waaruit volgt dat aan duizenden gevangenen in Irak, onder wie leden van IS die verantwoordelijk waren voor de genocide op de Jezidi’s, gratie is verleend. Verweerder neemt in de gehele provincie Ninewa, waarin de Sinjar-regio ligt, de laagste gradatie van een ‘15c-situatie’ aan, vanwege onder meer Turkse bombardementen op doelwitten van de PKK en de YBS (een aan de PKK gelieerde gewapende groep van voornamelijk Jezidi-strijders) en aanhoudende spanningen tussen het Iraakse leger en de YBS. Ook mijnen en niet-ontplofte munitie vormen een gevaar voor burgers. Daarbij geldt wel dat het aantal burgerslachtoffers beperkt is. Verweerder heeft gewezen op informatie van ACLED waaruit blijkt dat in Sinjar, met 325.816 inwoners, in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 1 oktober 2023 24 burgerdoden zijn geregistreerd. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de veiligheidssituatie in de Sinjar-regio niet zodanig is dat alle burgers, waaronder Jezidi’s, aldaar een reëel risico lopen slachtoffer te worden van willekeurig geweld, maar dit neemt niet weg dat, vanwege de voortdurende strijd tussen milities om de controle over de regio, de veiligheidssituatie in Sinjar wel zorgwekkend is, wat de toch al lastige positie waarin de Jezidi’s daar verkeren (zie hierna) verder bemoeilijkt.
Verder geldt dat de humanitaire situatie voor Jezidi’s in Sinjar als zeer ernstig moet worden aangemerkt. De infrastructuur is door IS grotendeels verwoest en de wederopbouw is nog altijd nauwelijks op gang gekomen. Uit een nieuwsbericht van The New Region, waarnaar in de brief van VWN wordt verwezen, volgt dat meer dan 70 procent van Sinjar nog steeds in puin ligt als gevolg van de bezetting door IS in 2014. Het gebrek aan essentiële voorzieningen zoals gezondheidszorg, onderwijs en water maakt terugkeer vrijwel onmogelijk. De Iraakse overheid kondigde in juli 2024 aan alle hulp aan de vluchtelingenkampen voor Jezidi’s in de Koerdische Autonome Regio te stoppen, met slechts een eenmalige uitkering per gezin. Veel Jezidi’s keren onder druk van deze maatregelen terug naar Sinjar, maar treffen hun dorpen grotendeels verwoest en onveilig aan. Volgens IOM was tussen 2014 en 2017 in de stad Sinjar tachtig procent van de publieke infrastructuur en zeventig procent van de huizen verwoest. Ondanks daarvoor bestemde fondsen en inmiddels goedgekeurde aanvragen is er een gebrek aan compensatie vanuit de overheid voor materiële schade opgelopen in de strijd met IS, waardoor veel huizen, bedrijven, scholen en medische voorzieningen nog steeds beschadigd of verwoest zijn en functionerende voorzieningen te kampen hebben met personeelstekorten (zie Algemeen ambtsbericht Irak november 2023, p. 67). Uit het thematisch ambtsbericht Irak van november 2025 (p. 55) blijkt dat 88 procent van de binnenlands ontheemden die terugkeerden naar Sinjar onder zware leefomstandigheden leefde. De discriminatie en maatschappelijke uitsluiting van Jezidi’s belemmeren hun toegang tot voorzieningen, werk en bescherming des te meer.
Uit de vorige drie overwegingen volgt dat nog altijd sprake is van wijdverbreide discriminatie jegens Jezidi’s buiten hun gemeenschap, terwijl zij zich binnen die gemeenschap in Sinjar in erg slechte leefomstandigheden bevinden, gelet op de slechte veiligheidssituatie en zeer ernstige humanitaire situatie in Sinjar. Die erg slechte leefomstandigheden dwingen de Jezidi’s bovendien om buiten hun gemeenschap te treden om gebruik te kunnen maken van voorzieningen, waar zij dan weer forse discriminatie ervaren. Dit samenstel van factoren maakt dat Jezidi’s nog altijd een zeer kwetsbare groep vormen in Irak. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij Jezidi’s als groep in Sinjar desondanks niet langer heeft aangewezen als risicoprofiel. Belangrijk hierbij is dat Jezidi’s lange tijd – en in ieder geval sinds 2007 en daarmee ruim vóór de genocide door IS in 2014 – beleidsmatig als kwetsbare minderheidsgroep zijn aangemerkt vanwege hun status als etnoreligieuze minderheid in Irak. De daden van IS in 2014 hebben geleid tot vervolging en/of ernstige schade in de vorm van genocide, maar het verdrijven van IS heeft niet tot gevolg gehad dat de positie van Jezidi’s in Sinjar – al dan niet na jaren van ontheemding en verblijf in vluchtelingenkampen – wezenlijk is verbeterd. Aldus is niet deugdelijk gemotiveerd waarom het verdrijven van IS maakt dat Jezidi’s in Sinjar niet langer een risicoprofiel vormen, zoals voorheen (en ook vóór de inval van IS) wel het geval was. Ook het standpunt van verweerder dat de Iraakse autoriteiten de religie van de Jezidi’s nu officieel erkennen, overtuigt de rechtbank niet. In 2007 garandeerde de Iraakse grondwet al vrijheid van godsdienst, maar dit vormde voor verweerder destijds geen reden om Jezidi’s niet als kwetsbare minderheidsgroep aan te merken. Bovendien wordt in het geldende landenbeleid (paragraaf C7/16.5.1) juist aangenomen dat vreemdelingen uit Irak in beginsel geen bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties in Irak kunnen verkrijgen. Voor Sinjar geldt dit te meer nu de lokale autoriteiten daar gefragmenteerd zijn.
Concluderend overweegt de rechtbank dat de periode van systematische vervolging dan wel blootstelling aan ernstige schade van Jezidi’s om etnoreligieuze redenen weliswaar voorbij is, maar dat Jezidi’s in Sinjar als gevolg van de combinatie van discriminatie, slechte veiligheidssituatie en ernstige humanitaire situatie nog steeds in een zeer zorgwekkende en kwetsbare situatie verkeren. Van verweerder mag dan worden verwacht dat hij deugdelijk uitlegt waarom Jezidi’s als groep in Sinjar toch niet langer als risicoprofiel zijn aangemerkt. Dat heeft hij, zowel in het kader van de onder 9.3. genoemde beleidswijziging als binnen het bestek van deze beroepsprocedure, niet, althans onvoldoende, gedaan. De beroepsgrond van eiser slaagt in zoverre.
Slotsom
11. Verweerder heeft aldus ondeugdelijk gemotiveerd waarom Jezidi’s in Sinjar niet langer zijn aangewezen als risicoprofiel. Daarmee is ook ondeugdelijk gemotiveerd dat het zijn van Jezidi in Sinjar geen relevante factor meer is die moet worden meegewogen bij de beoordeling van individuele asielrelazen. In het verlengde hiervan ligt dat niet kan worden geoordeeld dat het onderzoek naar en de beoordeling van het individuele asielrelaas van eiser volledig en juist is geweest. Immers, het onderzoek, waaronder het gehoor, en de beoordeling in het individuele geval dienen plaats te vinden tegen de achtergrond van een vastgesteld risicoprofiel. Zo zullen er tijdens het gehoor vragen moeten worden gesteld die te maken hebben met de redenen en omstandigheden die tot de vaststelling van het risicoprofiel hebben geleid en zullen die antwoorden op die vragen moeten worden betrokken bij de beoordeling. Zolang niet deugdelijk is gemotiveerd dat een groep, zoals in dit geval Jezidi’s in Sinjar, geen risicoprofiel meer vormt, kan ook niet worden geoordeeld dat het onderzoek naar en de beoordeling van het individuele asielrelaas van een lid van die groep, in dit geval eiser, volledig en juist is geweest.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop en op wat er hierna over de wijze van geschilbeslechting is overwogen, laat de rechtbank wat meer of overigens door eiser is aangevoerd, waaronder de beroepsgrond dat er sprake is van individuele, risico verhogende omstandigheden om slachtoffer te worden van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, inhoudelijk onbesproken.
13. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase door verweerder zijn hersteld. Ook zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is en blijft om deugdelijk te motiveren of Jezidi’s in Sinjar moeten worden aangewezen als risicoprofiel. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit, gelet op de aard van de gebreken, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op de asielaanvraag moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hiertoe zal verweerder eerst een nieuwe, deugdelijk gemotiveerde beoordeling moeten verrichten ten aanzien van de vraag of Jezidi’s in Sinjar moeten worden aangewezen als risicoprofiel. Mocht deze beoordeling leiden tot het vaststellen van een risicoprofiel, dan dient verweerder in het kader van het nieuw te nemen besluit het individuele asielrelaas van eiser tegen de achtergrond van dat risicoprofiel te onderzoeken (door middel van een daarop gericht gehoor) en te beoordelen. Mocht de beoordeling niet leiden tot het vaststellen van een risicoprofiel, dan mag verweerder een reguliere asielbeoordeling verrichten. Daarnaast dient verweerder in het nieuw te nemen besluit hoe dan ook in te gaan op de (combinatie van de) door eiser (deels voor het eerst in beroep) aangevoerde individuele, risico verhogende omstandigheden om slachtoffer te worden van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ook dient verweerder vanzelfsprekend de actuele situatie in Sinjar bij zijn besluit te betrekken. De rechtbank geeft verweerder een termijn van zestien weken voor het nieuw te nemen besluit.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen zestien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. C.E. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. U ziet deze datum hierboven.