RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8615
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2013 uit Syrië is vertrokken vanwege de oorlog en vervolging als gevolg van zijn broers desertie. Eiser was toen zestien jaar oud. Vervolgens is hij in 2023 vertrokken uit Turkije. Eiser stelt dat hij zijn echtgenote in Turkije heeft achtergelaten, dat hij haar in Griekenland heeft laten weten te willen scheiden en dat hij als gevolg hiervan problemen heeft gekregen met zijn schoonfamilie. Volgens eiser hebben ze recentelijk zijn vader benaderd en laten weten eiser alsnog te zoeken. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser voor zijn invloedrijke ex-schoonfamilie en de stam waartoe zij behoren en de algemene situatie.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen met de ex-schoonfamilie zijn niet geloofwaardig en de vrees voor vervolging wegens de desertie van eisers broer wordt niet op geloofwaardigheid beoordeeld.
Heeft de minister de problemen met de ex-schoonfamilie niet geloofwaardig kunnen achten?
Artikel 31, zesde lid, onder b, Vw
5. Eiser is tijdens het nader gehoor gevraagd of hij enige documentatie kan overleggen waaruit blijkt dat hij getrouwd is. Eiser heeft daarbij geantwoord dat na de aardbeving in 2023 veel documenten kwijt zijn, dat hij het zijn moeder heel vaak heeft gevraagd en dat zijn ex-vrouw heeft aangegeven dat hij haar niet moet benaderen. Eiser heeft vervolgens daags voor de behandeling ter zitting kopieën van een huwelijkscontract en een huurovereenkomst overgelegd, evenals een foto waarop eiser naar eigen zeggen te zien is met zijn ex-vrouw. De minister heeft ter zitting gemotiveerd uiteengezet waarom aan deze documenten geen waarde wordt gehecht.
De rechtbank oordeelt dat de minister eiser in het bestreden besluit heeft kunnen tegenwerpen dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd om uit te gaan van het door eiser gestelde huwelijk. Eiser heeft geen contact gezocht met de sjeik die het huwelijk zou hebben voltrokken om alsnog documenten te krijgen, terwijl dit wel van hem verwacht mag worden. Bij gebrek aan een dergelijke oprechte inspanning is er ook geen aanleiding voor het oordeel dat eiser in bewijsnood verkeert.
Aan de documenten die in beroep alsnog zijn overgelegd, heeft de minister geen waarde hoeven hechten. Het betreft kopieën die niet op echtheid zijn te onderzoeken. Zo is, zoals de minister ter zitting ook naar voren heeft gebracht, het overgelegde huwelijkscontract slechts een handgeschreven document zonder controleerbare stempels. Ook heeft de minister -eveneens op zitting- kunnen betrekken dat eiser steeds heeft verklaard niet aan stukken te kunnen komen. Zo antwoordt eiser tijdens het nader gehoor op vragen over huurcontracten of enige documentatie die het verblijf of samenleven met zijn ex-vrouw ondersteunt: “Dat heb ik niet”. Omdat de vrouw op de foto niet herleidbaar is, is ook deze foto onvoldoende om het huwelijk dan wel de problemen aannemelijk te maken.
Artikel 31, zesde lid, onder c, Vw.
6. Eiser stelt verder door andere asielzoekers onjuist te zijn geadviseerd en daarom niet al direct bij het aanmeldgehoor zijn vrees voor de problemen met zijn ex-schoonfamilie te hebben gemeld. Omdat eiser dit tijdens het nader gehoor alsnog ten volle naar voren heeft gebracht vindt hij dat hem dit niet als zodanig kan worden tegengeworpen. Verder wijst eiser er op dat hij in de correcties en aanvullingen op het rapport aanmeldgehoor de opgave ‘alleenstaand’ heeft gecorrigeerd en heeft aangegeven dat hij gescheiden is. Eiser meent dat deze correctie moet worden gevolgd. Voorts stelt eiser dat de getuigenis van hemzelf, de door hem vertelde getuigenis van zijn vader en de opname van de bedreiging bewijs zijn van de gegrondheid van eisers vrees.
De rechtbank overweegt dat eiser eerst, op 1 februari 2024, heeft verklaard alleenstaand te zijn en vervolgens in de correcties en aanvullingen, op 8 september 2025, heeft aangegeven gescheiden te zijn. Eiser maakt bij die correctie geen melding van enig eerwraakprobleem, terwijl dit niet is genoemd toen hem is gevraagd naar zijn asielmotieven. Dit doet eiser voor het eerst in het nader gehoor van 6 februari 2026. Daargelaten of de correctie gevolgd moet worden, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit voorgaande al dat eiser ongerijmd verklaart over zijn huwelijk. Niet valt in te zien dat eiser zijn verklaring uit het aanmeldgehoor corrigeert, zonder daarbij te noemen dat dit samenhangt met zijn belangrijkste asielmotief. Omdat eiser dit pas in derde instantie noemt, heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser ongerijmd verklaart over zijn huwelijk. Het betoog van eiser dat hij verkeerd is geadviseerd door andere asielzoekers doet hier niet af aan de tegenwerping dat eiser zijn eerwraakproblemen niet zo snel mogelijk naar voren heeft gebracht. De minister heeft dit daarom ook als zodanig kunnen tegenwerpen.
De rechtbank overweegt verder dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de informatie van de vader niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid en niet maakt dat de gestelde problemen wel geloofwaardig zijn. Hierbij is er niet alleen op gewezen dat de vader geen objectieve bron is die een asielmotief in zijn geheel kan dragen, maar is er ook op gewezen dat het bevreemdend is dat eiser in augustus 2023 wordt bedreigd en vervolgens pas weer twee jaar later als zijn vader in Syrië is. De theoretisch mogelijkheid dat dit is omdat men mogelijk dacht dat eiser zijn ouders naar Syrië zou volgen, heeft de minister onvoldoende kunnen vinden om dit weg te nemen. Hoewel de verklaringen van vader eventueel kunnen fungeren als steunbewijs, heeft de minister gezien het voorgaande kunnen concluderen dat eiser de gestelde bedreigingen niet aannemelijk heeft gemaakt.
Heeft eiser te vrezen bij terugkeer?
7. Eiser meent dat gewapende aanhangers van Assad nog steeds actief zijn in Syrië en daarom wel degelijk ook voor hem een gevaar vormen. Zo vreest hij voor vervolging vanwege de desertie van zijn broer, zijn eigen dienstplichtontduiking en zijn illegale vertrek. Eiser meent voorts dat de algehele veiligheidssituatie nog altijd zeer zorgelijk is en benoemt dat in Aleppo, waar eiser vandaan komt, sprake is van aanhoudend geweld en politieke instabiliteit. Ook brengt eiser naar voren dat er sprake is van een humanitaire crisis: zo moeten heel veel mensen wonen in tenten of zwaar beschadigde woningen en is er een groot tekort aan basisvoorzieningen zoals schoon water, medische zorg en verwarming.
De minister heeft overwogen dat voor dienstweigeraars en deserteurs het Assad-regime de enige actor was die hen vervolgde. Nu dit regime niet langer aan de macht is, is het risico op vervolging in verband met dienstweigering of desertie komen te vervallen. De minister heeft daarnaast met objectieve bronnen onderbouwd dat de coalitie onder leiding van HTS een algemene amnestie heeft afgekondigd voor (voormalige) dienstplichtigen van het Syrische leger. Hiermee is beoogd een einde te maken aan vervolging en bestraffing van personen die eerder betrokken waren bij, of zich hebben onttrokken aan, de militaire dienst. De minister heeft hiermee deugdelijk gemotiveerd waarom is geconcludeerd dat eiser geen risico op vervolging loopt vanwege dienstweigering of desertie. Eiser heeft geen argumenten ingebracht die aan deze conclusie kunnen afdoen.
De rechtbank overweegt voorts dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats reeds heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Eiser heeft onvoldoende ingebracht om hierover anders te oordelen. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door het EUAA rapport van december 2025. Uit het Ambtsbericht van 2026 volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is verslechterd en specifiek voor Aleppo is in dat ambtsbericht een afname van het aantal geweldsincidenten te zien.
Ten aanzien van de humanitaire omstandigheden oordeelt de rechtbank dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het AAB Syrië van mei 2025 en uit het AAB Syrië van januari 2026 blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling, spelen de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft hierin geen aanleiding hoeven zien zijn beleid te wijzigen.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat eiser er niet in is geslaagd om met persoonlijke omstandigheden te onderbouwen dat er ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld. Eiser heeft immers verklaard dat hij daarin niet verschilt van andere burgers in Syrië.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.