RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63319
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 31 januari 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de stam Al Mawali. Eiser is opgegroeid in Aleppo, maar in 2012 is hij in verband met de bombardementen in Aleppo naar het dorp [dorp 1] verhuisd. Dit dorp bestaat volledig uit leden van zijn stam. Vrij snel nadat eiser in dit dorp is gaan wonen vroegen zijn dorpsgenoten hem mee te vechten tegen het regime van Assad. Dit heeft eiser steeds geweigerd. Om die reden is eiser na zes maanden met zijn gezin naar het dorp [dorp 2], vlak bij de Turkse grens vertrokken. Enkele maanden later is eiser naar Turkije gegaan en heeft later zijn gezin over laten komen. Vanaf 2013 hebben zij gezamenlijk in Turkije gewoond. In Turkije heeft eiser gespaard om naar Europa te kunnen vertrekken. Hij kan niet terug naar Syrië omdat hij bang is vermoord te worden. Een neef van eiser heeft net als eiser geweigerd om te vechten tegen het regime van Assad, hij is onlangs teruggekeerd naar Syrië en familieleden hebben verteld dat hij is vermoord. Eiser denkt dat het mogelijk is dat dit hem ook zal overkomen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst; en
Problemen met zijn stam.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de asielmotieven geloofwaardig zijn. Deze asielmotieven leveren echter geen gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer op. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
Zienswijze
5. Eiser benoemt in de gronden dat de zienswijze als uitdrukkelijk herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank oordeelt dan ook dat de enkele verwijzing naar de zienswijze, zonder concreet te maken waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Heeft de minister kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees heeft bij terugkeer naar Syrië door problemen met zijn stam?
6. Eiser stelt dat hij in het nader gehoor al heeft aangegeven dat hij is bedreigd, daartoe verwijst hij naar enkele passages uit het nader gehoor. Dat in de beschikking staat dat nergens uit blijkt dat eiser is bedreigd klopt dus niet. Daarnaast is eiser recent, eind 2025 of begin 2026, ook nog bedreigd via e-mail en audioberichten. Dit zijn bedreigingen van na de val van Assad. Omdat deze bedreigingen na de gehoren hebben plaatsgevonden heeft eiser hier niet eerder over kunnen verklaren. In de zienswijze is al verwezen naar de recente bedreigingen en in beroep zijn vertalingen van de audiobestanden overgelegd. Deze bedreigingen zijn volgens eiser afkomstig van leden van de Al Mawali stam en zijn niet meegenomen in de bestreden beschikking.
De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht de vrees van eiser, dat hij bij terugkeer door zijn stam vermoord wordt, niet aannemelijk geacht. De rechtbank overweegt dat uit de passages in het nader gehoor niet volgt dat eiser persoonlijk is bedreigd. Er is op verschillende momenten doorgevraagd over mogelijke concrete bedreigingen waarop eiser steeds heeft geantwoord dat hij niet persoonlijk is bedreigd. De minister heeft ook op het tijdsverloop mogen wijzen. Eisers problemen dateren namelijk van 2012 en 2013. Ook heeft de minister mogen vinden dat hetgeen eiser heeft verklaard over de vermeende dreigementen grotendeels is gebaseerd op via-via vernomen geruchten.
Over de gestelde recente bedreigingen heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen hierover is aangevoerd niet zijn gestelde vrees alsnog aannemelijk maakt. In de beschikking is al toegelicht dat de nog te overleggen e-mailberichten en USB-stick geen objectieve bronnen zijn. Aan de in beroep overgelegde vertaling van de dreigberichten kan niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wil zien. Zo is niet vast te stellen van wie de berichten afkomstig zijn en wanneer ze zijn gestuurd. Daarbij blijkt ook niet uit de berichten dat ze aan eiser zijn gestuurd en hebben de berichten geen duidelijke samenhang met eisers asielmotief. Bovendien betreffen de berichten geen concrete (doods)bedreigingen en volgt hier niet uit dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor zijn stam. De minister heeft er daarnaast nog op gewezen dat de e-mailberichten waar eiser naar verwijst nog steeds niet zijn overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister uit mogen gaan van de laagste gradatie van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn?
7. Eiser voert aan dat de minister miskent dat hij niet kan terugkeren naar Syrië vanwege de algemene situatie. Hij verwijst naar verschillende uitspraken van deze rechtbank, waarin is geoordeeld dat landeninformatie onvoldoende is betrokken bij de bepaling dat in Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. Eiser verwijst daarbij naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 2 februari 2026. Daaruit blijkt volgens hem dat het in zijn algemeenheid nog steeds te gevaarlijk is om terug te keren naar Syrië. Ook stelt eiser dat, omdat de humanitaire omstandigheden niet zijn meegewogen, onvoldoende is gemotiveerd hoe de huidige gradatie van 15c is vastgesteld. Tot slot verwijst eiser naar de prejudiciële vragen die zijn gesteld door zittingsplaats Roermond, beantwoording moet volgens eiser worden afgewacht.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al een oordeel heeft gegeven over de gradatie van willekeurig geweld. In die uitspraak heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Net als in die zaak volstaat eiser met een generieke verwijzing naar enkele uitspraken en de rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de meervoudige kamer te komen. Voor zover eiser stelt dat uit de brief van Vluchtelingenwerk Nederland blijkt dat niet uitgegaan kan worden van een relatief laag niveau van willekeurig geweld, verwijst de rechtbank naar de motivering van de minister dat in genoemde brief juist uitgegaan wordt van een verbetering in de veiligheidssituatie in Aleppo. In de brief wordt ook verwezen naar het EUAA-rapport van 1 december 2025. Daarin wordt geconcludeerd dat het aantal slachtoffers in de provincie Aleppo sinds maart 2025 sterk is gedaald, dat er weliswaar sprake is van willekeurig geweld, maar niet op een hoog niveau. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet uit mag gaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
Over de humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de hiervoor genoemde meervoudige kamer uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats. Daarin is geoordeeld dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 en uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in hun algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling, spelen de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien zijn beleid te wijzigen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats.
8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om deze zaak te schorsen in afwachting van de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond of een eventuele uitspraak van de Afdeling.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees heeft gelet op de algehele veiligheidssituatie?
9. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister terecht stelt dat eiser er niet in is geslaagd om met persoonlijke omstandigheden te onderbouwen dat er, ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden genoemd die een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld zouden kunnen opleveren en de rechtbank is hier ook overigens niet van gebleken.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.