[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: L. Ploeger).
Inleiding
1. De minister heeft op 6 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Zijn gemachtigde en een tolk zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreek zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat de eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Op 31 januari 2026 heeft de minister een claimverzoek ingediend bij de Duitse autoriteiten. Duitsland heeft het claimverzoek van Nederland op 3 februari 2026 geaccepteerd. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3d, 3k, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
De rechtbank is van oordeel dat grond 3a feitelijk juist is. Eiser heeft immers verklaard zonder documenten Nederland te zijn ingereisd. Dat hij als asielzoeker naar Nederland is gekomen, doet aan de feitelijke juistheid niet af. Ook zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser op 17 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser stelt dat hij ten onrechte is aangemerkt als met onbekende bestemming vertrokken. Hij moest namelijk op 17 maart 2026 naar het ziekenhuis. Eiser heeft dit echter op geen enkele wijze onderbouwd. Grond 3d is ook feitelijk juist. Uit verklaringen van eiser, tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling, blijkt dat hij zijn identiteitsdocumenten in Algerije heeft achtergelaten. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat hij te weinig tijd zou hebben gehad om aan documenten te komen. Dat hij in de asielprocedure een kopie van zijn paspoort zou hebben ingeleverd leidt ook niet tot een ander oordeel. Van een dergelijke kopie is in het bewaringsdossier niet gebleken. De minister heeft daarbij terecht opgemerkt dat zelfs als dat het geval was geweest, een document niet op echtheid gecontroleerd kan worden op basis van een kopie. Ook grond 3k is feitelijk juist. Op 19 februari 2026 is aan eiser een beschikking met overdrachtsbesluit Duitsland opgelegd. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij zal meewerken aan overdracht aan Duitsland, mits hij daar kan werken. Dit is eiser echter niet toegestaan. In de maatregel wordt het eiser daarnaast verweten dat hij in het gehoor aangeeft contact te willen met de Algerijnse ambassade zodat zij ‘dit’ kunnen tegengehouden. De minister heeft dit opgevat als het willen tegenhouden van de overdracht. Eiser voert aan dat hij hoopte dat de ambassade zijn inbewaringstelling zou kunnen tegenhouden, en hij niet doelde op het tegenhouden van de overdracht. De rechtbank is van oordeel dat zijn intentie met die opmerking in het midden kan blijven, omdat voldoende is gebleken dat eiser niet meewerkt aan zijn overdracht.
Over de lichte gronden is de rechtbank van oordeel dat deze ook terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en dat het risico op onttrekking voldoende is gemotiveerd. In de maatregel is gemotiveerd dat eiser niet ingeschreven staat in het BRP en dat hij zich daarmee onttrekt aan het toezicht (4c). Daarnaast beschikt eiser over ongeveer € 20,- en dus niet over voldoende middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Omdat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, maakt dit het onwaarschijnlijk dat hij uit eigen beweging zal vertrekken en het onttrekken aan toezicht dan ook aannemelijker (4d). De enkele stelling dat eiser als asielzoeker afhankelijk is van opvang en verstrekkingen van het COA, leidt niet tot een ander oordeel.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat een lichter middel volstaat, hij is immers altijd in het zicht van de autoriteiten gebleven. Ook is er onvoldoende rekening gehouden met het feit dat hij getrouwd is en dat sprake is van ‘family life’. Daarnaast is in de maatregel onvoldoende ingegaan op de omstandigheid dat eiser geopereerd zou worden op 9 april 2026. Eiser zou in afwachting van de overdracht op een vrijheidsbeperkende locatie kunnen verblijven.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen en de verklaringen van eiser, de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de overdracht van eiser te verzekeren.
De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister ook de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Door de minister is eiser erop gewezen dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is. Ook wijst de minister erop dat mocht er een operatie nodig zijn zoals eiser stelt, dat er allerlei middelen zijn om hieraan te kunnen voldoen. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser zijn medische omstandigheden niet met documenten heeft onderbouwd.
Over het gestelde family life heeft de minister in de maatregel terecht overwogen dat eiser heeft verklaard zijn vrouw drie keer te hebben ontmoet en alleen op afstand contact met haar te hebben. Eiser heeft de familierechtelijke band met zijn vrouw niet aangetoond of aannemelijk gemaakt. Daarnaast is bij de rechtbank niet gebleken dat er andere persoonlijke belangen van eiser spelen, die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarend handelen en zicht op overdracht
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht aan Duitsland niet ontbreekt. De rechtbank overweegt dat de Duitse autoriteiten akkoord hebben gegeven voor de overdracht van eiser en dat aan hem op 19 februari 2026 een overdrachtsbesluit is opgelegd. Eiser heeft op 20 februari 2026 beroep ingediend tegen het overdrachtsbesluit en heeft daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Het beroep en het verzoek lopen bij deze rechtbank en zittingsplaats. De rechtbank stelt vast dat er nog geen zittingsdatum bekend is. Wel heeft de minister de rechtbank op 10 april 2026 verzocht de voorlopige voorziening met voorrang te behandelen. De rechtbank ziet hierin op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op overdracht ontbreekt. Tot slot heeft de minister op 10 april 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Conclusie
9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.