RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam eiser 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.1586 en NL26.1588
[naam eiser 2] , V-nummer: [V-nummer 2] , eisers
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met het bestreden besluiten van 9 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en verder de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen. De rechtbank heeft de verzoeken, tezamen met de zaken NL26.1587 en NL26.1589 (de verzoeken om voorlopige voorziening), op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, K. Koyuncu als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
Eisers stellen de Turkse nationaliteit te hebben en zijn geboren op [geboortedatum 1] 2004 ( [naam eiser 1] ) en [geboortedatum 2] 2007 ( [naam eiser 2] ). Eisers zijn broers. Zij hebben op 23 november 2025 asiel in Nederland aangevraagd.
Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 9 oktober 2025 in Kroatië verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend. Op 10 december 2025 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Kroatië heeft deze verzoeken op 22 december 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
Bestreden besluiten
2. Met de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers met toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook hebben eisers volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om hun asielaanvragen in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
4. Eisers beroepen zich op artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Zij menen dat sprake is van een systeemfout in de Kroatische asielprocedure. Daartoe stellen zij, onder verwijzing naar de pagina’s 68 en 69 van het AIDA-rapport over Kroatië, update 2024 van augustus 2025, dat zij als Turkse asielzoekers het risico lopen dat hun asielaanvraag in de versnelde procedure zal worden behandeld. Bij afwijzing van hun asielaanvraag zal een beroep daartegen geen schorsende werking hebben. Volgens eisers volgt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 juli 2025 in de zaak Y.K. tegen Kroatië (38776/21) dat er geen sprake is van een effectief rechtsmiddel tegen een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM in een geval waarin een beroep tegen de uitzetting niet automatisch schorsende werking heeft. Volgens eisers is dit het geval in Kroatië. Eisers wijzen er verder op dat zij in Kroatië slachtoffer zijn geworden van meerdere pushbacks, dat hun spullen zijn afgepakt en verbrand, dat zij zijn gedetineerd en dat één van hen ( [naam eiser 2] ) door honden is aangevallen en door de politie is mishandeld. Gelet op het samenstel van deze ervaringen en de omstandigheid dat de ervaringen een grote psychische impact hebben gehad, menen eisers ook dat in redelijkheid niet van hen kan worden verwacht dat zij hun asielprocedure in Kroatië doorlopen. Zij beroepen zich in dat verband op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, bevestigd op onder meer 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1869 en 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eisers zal nakomen en dat eisers bij overdracht aan Kroatië geen risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichting door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kunnen zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over hun eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo).
Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers niet in hun bewijslast geslaagd. Met de verwijzing naar het meest recente AIDA-rapport over Kroatië van augustus 2025 hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een systeemfout in het Kroatische asielsysteem. Uit de aangehaalde passages uit dit rapport blijkt dat asielverzoeken in Kroatië onder bepaalde voorwaarden in de versnelde procedure kunnen worden behandeld. Gelet op de omstandigheid dat volgens het rapport in het jaar 2024 in totaal veertien asielverzoekers in de versnelde procedure zijn behandeld, kan niet worden aangenomen dat asielaanvragen in Kroatië systematisch in de versnelde procedure worden afgedaan. De rechtbank ziet in de informatie in het rapport ook geen aanwijzing om aan te nemen dat er op dit punt onderscheid wordt gemaakt tussen Turkse asielzoekers en asielzoekers met andere nationaliteiten. Daarbij blijkt uit pagina 70 van het AIDA-rapport dat asielzoekers die in beroep gaan tegen een negatieve beslissing die is genomen in de versnelde procedure, over het algemeen een verzoek tot schorsende werking kunnen indienen.
Ten aanzien van het door eisers genoemde arrest van het EHRM in de zaak Y.K. overweegt de rechtbank allereerst dat dit arrest geen betrekking heeft op een Dublinclaimant, maar op een persoon die illegaal Kroatië was binnengekomen en geen toegang had tot de asielprocedure. Eisers zullen wel toegang hebben tot de asielprocedure omdat dat is gegarandeerd middels het door de autoriteiten van Kroatië ten aanzien van hen afgegeven claimakkoord. Eisers zullen daarbij gereguleerd worden overgedragen aan Kroatië. Daarnaast is in het arrest vastgesteld dat die desbetreffende klager geen effective remedy om zijn uitzetting naar zijn land van herkomst aan te vechten had. Dat in die individuele zaak geen sprake was van een effective remedy, duidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op het bestaan van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Kroatië.
De rechtbank is verder van oordeel dat eisers ook met hun verklaringen over hun eigen ervaringen in Kroatië niet aannemelijk hebben gemaakt dat verweerder niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Omdat eisers als Dublinclaimanten gereguleerd zullen worden overgedragen, zullen zij Kroatië op een andere wijze binnenkomen dan zij eerder hebben gedaan. Er zijn (dus) geen concrete aanwijzingen dat zij opnieuw slachtoffer zullen worden van een pushback. Kroatië heeft de claimverzoeken geaccepteerd en hiermee gegarandeerd dat de asielaanvragen van eisers in behandeling zullen worden genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eisers in Kroatië problemen ervaren in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen en zij menen dat Kroatië zich jegens hen niet houdt aan de internationale verplichtingen, ligt het op hun weg om hierover bij de Kroatische autoriteiten te klagen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Kroatische autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Verder is van belang dat Kroatië partij is bij het EVRM. Verweerder mag er van uitgaan dat eisers bij voorkomende problemen in Kroatië de bescherming van de Kroatische autoriteiten kunnen krijgen. Ook hiervoor geldt dat niet aannemelijk is gemaakt dat hulp vragen in Kroatië niet mogelijk is voor eisers. De beroepsgrond slaagt niet.
Op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eisers gestelde omstandigheden – ook in samenhang bezien – niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eisers aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft daarom in redelijk geen toepassing hoeven geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.