RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44505
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
(gemachtigde: mr. J. Sanchez Rhemrev), de minister.
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de afgifte van een verblijfsdocument EU/EERvoor verblijf van eiser bij zijn minderjarige kinderen op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en K. Lazar als tolk.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser is in 2007 vanuit Marokko naar Europa gekomen. Tijdens een verblijf in België heeft hij de (Nederlandse) moeder van zijn kinderen ontmoet, waarna hij met haar in Nederland is gaan wonen. In 2012 is eiser uitgezet naar Marokko. De moeder van zijn kinderen kwam hem daar af en toe opzoeken. Op [geboortedatum 1] 2013 is [minderjarige 1] geboren. Omdat eiser en zijn ex-echtgenote destijds nog niet waren getrouwd, staat eiser niet als vader vermeld op haar geboorteakte. Inmiddels heeft eiser [minderjarige 1] wel erkend maar ligt het ouderlijk gezag bij zijn ex-echtgenote. In 2015 is eiser op illegale wijze weer naar Nederland gereisd. Eerder is hij in Marokko met de moeder van zijn kinderen getrouwd. Op [geboortedatum 2] 2015 is zijn zoon [minderjarige 2] geboren. Op 13 juli 2019 is eiser onherroepelijk veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair veertig dagen hechtenis wegens het plegen van vier feiten (voor diefstal uit/vanaf een auto) die hij op 24 februari 2024 volledig ten uitvoer heeft gebracht. In de periode tussen 2018 en 2021 heeft eiser ook twee perioden in detentie verbleven. Rond de tijd dat eiser uit detentie kwam, zijn eiser en zijn ex-echtgenote gescheiden. Sindsdien beschikt eiser niet over eigen woonruimte maar verblijf hij wisselend bij familie en vrienden. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] hebben de Nederlandse nationaliteit en eiser heeft op 16 april 2024 gevraagd om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind.
Besluitvorming
4. De aanvraag van eiser is door de minister in het primaire besluit afgewezen omdat eiser nog procedureel rechtmatig verblijf had in afwachting van de beslissing op een door hem ingediende asielaanvraag. De minister heeft geconcludeerd dat eiser zolang dit het geval is geen geslaagd beroep kan doen op Chavez-Vilchez of artikel 8 van het EVRM.
5. In het bestreden besluit is de minister, hoewel eiser zijn asielaanvraag inmiddels had ingetrokken, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Dit omdat eiser volgens de minister onvoldoende heeft aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn minderjarige Nederlandse kinderen. Eiser woont niet samen met zijn kinderen, heeft geen ouderschapsplan of omgangsregeling overgelegd en heeft niet aangetoond dat de kinderen financieel van hem afhankelijk zijn. Evenmin heeft eiser de omgangsregeling niet met andere objectieve bewijsstukken onderbouwd. De gestelde omgangsregeling van één keer in de twee weken een weekend is bovendien te mariginaal om van een afhankelijkheidsverhouding te spreken. De minister heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn kind dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Het grootste deel van de zorg- en opvoedingstaken ligt namelijk bij de andere ouder. De minister heeft tenslotte de aanvraag van eiser getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Volgens de minister is er tussen [minderjarige 1] en eiser geen sprake van gezins- of familieleven omdat er geen sprake is van een hechte persoonlijke band. Voor zover wel een hechte persoonlijke band moet worden aangenomen, verwijst de minister subsidiair naar de belangenafweging die is uitgevoerd in het kader van de relatie tussen eiser en [minderjarige 2] . Tussen eiser en [minderjarige 2] neemt de minister wel gezinsleven aan maar daar weegt het belang van de Nederlandse overheid zwaarder dan het persoonlijke belang van eiser, aldus de minister. Hierbij zijn aspecten van openbare orde in het nadeel van eiser meegenomen, als ook het economische belang en er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven elders uit te oefenen. Aan eiser wordt dan ook geen verblijfsvergunning verleend in het kader van artikel 8 EVRM.
Juridisch kader
6. Om te kunnen vaststellen of er rechtmatig verblijf is op grond van Chavez-Vilchez
is het volgende kader van belang. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie, een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd. Eén zo'n zeer bijzondere situatie is de situatie dat tussen een familielid dat derdelander is en het desbetreffende kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat. Als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind kan een vreemdeling dus rechtmatig verblijf hebben in Nederland. In het beleid staat uitgewerkt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan voor toekenning van deze vergunning. Ten tijde van het bestreden besluit waren in het toepasselijke beleid een aantal voorwaarden benoemd, onder meer dat de vreemdeling al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken verricht ten behoeve van het minderjarige kind en dat er tussen de vreemdeling en het kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.
7. In de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 is geoordeeld over de vraag of de bovengenoemde vereisten uit het beleid cumulatief zijn. De Afdeling komt tot de conclusie dat deze voorwaarden niet cumulatief zijn en dat het uitgangspunt dat voor het verkrijgen van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU naast het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding ook moet zijn voldaan aan het vereiste dat de vreemdeling meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht, onjuist is. Hierop is het beleid aangepast in die zin dat als voorwaarde wordt benoemd dat er sprake moet zijn van een zodanige afhankelijkheid tussen de derdelander en het Nederlandse minderjarige kind dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.
Zorgtaken en afhankelijkheidsrelatie.
8. De rechtbank stelt vast dat de minister heeft doorgetoetst of er ondanks het gebrek aan meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken sprake is van afhankelijkheid. Zo heeft de minister daar ook bij betrokken dat eiser en zijn kinderen nooit samen hebben gewoond, de mate van de relatie met zijn kinderen en dat de kinderen in hun lichamelijke en emotionele ontwikkeling niet wordt bedreigd als hij zijn taak op een grotere afstand blijft vervullen. Daar komt bij dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet voorstelbaar is als een vreemdeling niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Andersom is het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding.
9. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van zodanige afhankelijkheid tussen hem en zijn kinderen dat hem verblijf moet worden toegestaan. Hij voert hiertoe aan dat hij een goede band heeft met zijn kinderen en een grote, meer dan marginale, rol speelt in hun leven. Ook draagt hij naar vermogen financieel bij. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan in beroep een ouderschapsplan overgelegd. Verder wijst eiser erop dat het voor zijn kinderen heel belangrijk is om hun vader in hun omgeving te hebben. Persoonlijke contacten met en de aanwezigheid van met beide ouders zijn van groot belang voor kinderen bij het opgroeien en dit wordt onvoldoende erkent. Eiser verwijst in dit kader naar het familierecht en naar jurisprudentie van het Hof. Ook vindt eiser dat zijn kinderen gehoord hadden moeten worden, zodat zij hun belang bij de aanwezigheid van hun vader duidelijk hadden kunnen maken.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding waardoor, als hij zou worden gedwongen terug te keren naar Marokko, zijn kinderen hem zou moeten volgen. De minister heeft hierbij betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat eiser niet samenwoont met zijn kinderen en evenmin heeft aangetoond dat dit ooit het geval is geweest. Eiser heeft daarbij geen objectieve bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt wat zijn zorg- en opvoedingsstaken zijn en dat deze als meer dan marginaal moeten worden beoordeeld. Zo heeft eiser geen verklaringen van objectieve derden, zoals een leerkracht of coach, overgelegd waaruit blijkt dat hij betrokken is bij het school- dan wel sport- of verenigingsleven van zijn kinderen. Verder heeft eiser niet aangetoond dat hij op structurele wijze financieel bijdraagt. Aan het ouderschapsplan dat eiser in beroep heeft overgelegd, kan daarbij niet die waarde worden toegekend die eiser daaraan gehecht wil zien. Dit plan is namelijk geen objectieve onderbouwing van de zorg- en opvoedtaken, omdat deze tot stand is gekomen op basis van verklaringen van eiser en de andere ouder en niets zegt over de feitelijke uitvoering. Daarbij komt dat dit ouderschapsplan niet overeenkomt met de eerdere verklaringen van eiser. Eiser heeft namelijk eerder aangegeven de kinderen niet veel doordeweeks te zien terwijl uit het ouderschapsplan blijkt dat eiser op woensdagmiddag voor zijn kinderen zou zorgen.
11. De rechtbank ziet geen grond om eiser te volgen in zijn stelling dat de minister de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn kinderen onjuist heeft beoordeeld dan wel dat de minister het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De beoordeling die hier voorligt, betreft de vraag of sprake is van afhankelijkheidsverhouding die grond oplevert voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 van het VWEU. Dit is een andere vraag dan die voorligt in familierechtelijke geschillen of de vraag wat er wenselijk of beter zou zijn voor het kind. Uit de door eiser aangehaalde arrest volgt daarbij enkel dat de beoordeling van de afhankelijkheidsrelatie in de zin van Chavez, in het belang van het kind, moet worden gebaseerd op alle betrokken omstandigheden terwijl samenwoning een rechtsvermoeden van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie oplevert. In onderhavige situatie is geen sprake van samenwoning terwijl evenmin is gebleken dat niet alle betrokken omstandigheden zijn meegewogen bij het oordeel dat geen sprake is van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie. Ook heeft de minister geen aanleiding hoeven zien de kinderen van eiser te horen. Hierbij is van belang dat het aan de derdelands ouder is om voldoende gegevens te verschaffen waarmee wordt aangetoond dat er sprake is van zodanige afhankelijkheidsrelatie als hiervoor bedoeld. De uitspraak waarnaar eiser verwijst, ziet specifiek op de vraag of er voor de minister een verplichting is om begeleide minderjarige vreemdelingen binnen de Dublinprocedure te horen en zo ja, hoe ver die verplichting strekt. Aan de uitspraak kunnen daarom buiten de Dublinprocedure geen conclusies worden verbonden.
12. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Artikel 8 EVRM
13. De rechtbank stelt vast dat de minister ter zitting heeft aangegeven dat, naast voor [minderjarige 2] , ook voor [minderjarige 1] moet worden aangenomen dat sprake is van familie- of gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de minister bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven een “fair balance” moet vinden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij de afweging heeft betrokken. De rechtbank mag dit vol toetsen. Als alle belangen zijn meegewogen dient de rechtbank te beoordelen of de uitkomst van de weging getuigt van een "fair balance". Dit laatste moet de rechtbank enigszins terughoudend toetsen. Niet in geschil is dat alle belangen zijn meegenomen. Eiser stelt zich echter op het standpunt dat de weging van deze belangen door de minister onjuist zijn gewogen en dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
14. Onbetwist is dat de minister alle relevante gegevens en belangen kenbaar in de belangenafweging heeft betrokken. De rechtbank moet dus toetsten of de uitkomst van die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance". De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte de weging van de belangen in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Hierbij is het volgende van belang.
15. De minister heeft betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat geen sprake is van inmenging in het recht op gezinsleven. Eiser heeft namelijk nooit een verblijfsvergunning gehad die hem tot het uitoefenen van het gezinsleven in staat stelde. Daarom kan als uitgangspunt worden genomen dat de belangenafweging alleen in uitzonderlijke gevallen in zijn voordeel zal uitvallen. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen heeft de minister terecht geen afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn kinderen aangenomen. In dat kader is ook vastgesteld dat eiser niet meer dan marginale zorg- en opvoedtaken voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verricht. De minister heeft dan ook in de belangenweging mogen meewegen dat maar in beperkte mate invulling wordt gegeven aan het gezinsleven. Dat eiser afhankelijk is van moeder voor (fysiek) contact met zijn kinderen, is gelet op het vorenstaande geen omstandigheid die ertoe leidt dat sprake is van een ‘certain degree of hardship’, zoals gesteld. Ook is eiser onherroepelijk veroordeeld wegens het plegen van verschillende feiten, zodat de minister de openbare orde (zwaar) in zijn nadeel heeft mogen meewegen. In het nadeel van eiser heeft de minister verder ook gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat er geen objectieve belemmeringen bestaan voor eiser om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. De omstandigheid dat de moeder van zijn kinderen niet van plan is om naar Marokko te verhuizen, maakt niet dat sprake is van dergelijke belemmeringen
16. De minister heeft bij de afweging van het persoonlijk belang van eiser en de belangen van de kinderen tegenover het algemeen belang van de Staat gelet op vorengaande dan ook niet ten onrechte aan het belang van de Nederlandse Staat een zwaarder gewicht toegekend. Eiser heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan de minister een uitzonderlijk geval had moeten aannemen. Ook heeft de minister de belangen van eiser apart en in samenhang met elkaar beoordeeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.