ECLI:NL:RBDHA:2026:9807

ECLI:NL:RBDHA:2026:9807

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer NL26.19168
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Volgberoep, 59b onder a en b, zicht op uitzetting ontbreekt niet, voldoende voortvarend, ongegrond.

Uitspraak

[naam], eiser

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

1. De minister heeft op 20 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a en b van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich op de rechtbank in Groningen laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 6 maart 2026. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 9 maart 2026 is gebeurd.

Wat vindt eiser?

3. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting bestaat, omdat het de minister niet is gelukt om een lp te verkrijgen en eiser uit te zetten, ondanks meerdere pogingen. Ook stelt eiser dat er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld, omdat er slechts eenmaal een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en er verder geen vertrekhandelingen zijn verricht. Eiser verzoekt om schadevergoeding voor de dagen dat hij onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. Eiser heeft op de zitting de grond dat de maximale termijn van de bewaring inmiddels is verstreken, ingetrokken.

Oordeel van de rechtbank

4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat eiser op 9 maart 2026 is uitgenodigd voor een vertrekgesprek, waar hij niet is verschenen. Op 16 maart en op 16 april 2026 hebben er alsnog vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden. Op 23 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard, waarbij een terugkeerbesluit en inreisverbod aan eiser zijn opgelegd. Eiser heeft hiertegen op 30 maart 2026 beroep ingesteld. Het beroep en het connexe verzoek om een voorlopige voorziening zijn aanhangig bij deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. De rechtbank stelt vast dat er nog geen zittingsdatum bekend is. Omdat de maximale termijn van de bewaring bij de beschikking van 23 maart 2026 met drie maanden is verlengd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting op dit moment ontbreekt. De minister heeft op de zitting aangegeven dat er op 24 april 2026 een lp-aanvraag ingediend zal worden. Deze is op 16 april 2026 door eiser ondertekend en ligt op dit moment ter controle bij de advocaat van eiser. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Met betrekking tot het zicht op uitzetting, overweegt de rechtbank dat uitzetting op dit moment niet aan de orde is. De minister heeft terecht aangegeven dat het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag moet worden afgewacht. Zoals blijkt uit overweging 4., treft de minister voor zover mogelijk voorbereidingen. Over het lichter middel stelt de rechtbank vast dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan een lichter middel opgelegd zou moeten worden. Op de zitting is door de gemachtigde van eiser bevestigd dat het goed met hem gaat, hij medicatie krijgt en tot rust is gekomen.

5. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.A.G. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?