RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20170
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Essebai. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en derde lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en vierde lid van het Vb, vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De zware gronden 3a en 3c en de lichte grond 4a, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende motivering
3. Eiser betoogt dat de oplegging van de maatregel van bewaring onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Hiertoe voert eiser aan dat op 28 oktober 2025 een laissez passer (lp) is aangevraagd bij de Algerijnse autoriteiten. Eiser meent dat verweerder had kunnen wachten met het opleggen van de maatregel totdat het antwoord van de Algerijnse autoriteiten op het nationaliteitsonderzoek, dat op 11 april 2026 is ontvangen, beschikbaar was. Volgens eiser is de inbewaringstelling daardoor overhaast genomen en onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Voorts voert eiser aan dat de motivering van de maatregel onvoldoende is gemotiveerd, nu drie dagen na de oplegging ervan is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten zijn nationaliteit niet bevestigen, terwijl de maatregel uitgaat van Algerije als land van herkomst. Deze omstandigheden leiden volgens eiser tot onvoldoende onderbouwing van de maatregel van bewaring.
4. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op 3 maart 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het asielberoep van eiser ongegrond verklaard. Hoewel eiser hoger beroep heeft ingesteld en een voorlopige voorziening heeft gevraagd, had hij Nederland moeten verlaten omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder h van de Vw, zolang de voorlopige voorziening niet is toegewezen. Hiermee is de asielprocedure van eiser beëindigd en is hij in principe verwijderbaar. Zoals onder rechtsoverweging 2. is besproken, zijn er voldoende gronden om de maatregel van bewaring te dragen. Verweerder heeft eiser dan ook terecht in bewaring gesteld en was niet verplicht te wachten op een reactie van de Algerijnse autoriteiten op het nationaliteitsonderzoek. Daarbij komt dat verweerder niet wist wanneer een reactie te verwachten was. Het feit dat verweerder bij de motivering van de maatregel uitgaat van Algerije als land van herkomst van eiser, komt voor eigen risico en rekening van eiser, aangezien hij gedurende de gehele asielprocedure heeft verklaard uit Algerije te komen, ook al kon hij dit niet met documenten onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
5. Eiser stelt dat er in zijn specifieke geval geen zicht is op uitzetting. Hiertoe voert hij aan dat nu de Algerijnse autoriteiten zijn nationaliteit niet hebben bevestigd op 11 april 2026, het onwaarschijnlijk is dat hij een lp zal ontvangen. In dit kader stelt eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting omdat niet blijkt dat verweerder andere uitzettings-of overdrachtsmogelijkheden dan naar Algerije heeft onderzocht.
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is in het geval van eiser, en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Niet in geschil is dat zicht op uitzetting naar Algerije in algemene zin niet ontbreekt. Het nationaliteitsonderzoek bij de Algerijnse autoriteiten is op 11 april 2026 gestaakt omdat zij de nationaliteit van eiser niet hebben kunnen bevestigen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser wel een lp zal worden afgegeven. Verweerder moet maandelijks uitzettingshandelingen verrichten. Hoewel op 20 april 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser, heeft verweerder verder geen concrete uitzettingshandelingen ondernomen of kenbaar gemaakt. Tijdens de zitting heeft verweerder toegelicht te wachten tot eiser documenten overlegt waaruit zijn nationaliteit blijkt. Nu eiser verschillend verklaart over het al dan niet hebben van een (Algerijns) paspoort is het onduidelijk of eiser überhaupt documenten zal overleggen. Hoewel van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting ligt het ook op de weg van verweerder om inspanning te verrichten voor eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is per datum van deze uitspraak, te weten 23 april 2026, onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht geen gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen omdat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel tot het moment van opheffen rechtmatig was.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 23 april 2026;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.