[naam], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. K.S. Kort),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. De minister heeft op 2 april 2025 aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw (de maatregel). Het besluit verplicht eiser met ingang van 3 april 2025 te verblijven in de gemeente Westerwolde, waar hij zich in de vbl in Ter Apel dient op te houden.
Op 3 december 2025 heeft eiser de minister verzocht de maatregel op te heffen. De minister heeft dit op 9 december 2025 geweigerd.
Eiser heeft tegen deze weigering op 19 december 2025 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is door de minister op 13 februari 2026 kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Eiser heeft daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Hier wordt bij afzonderlijke uitspraak op beslist.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister het bezwaar tegen de weigering de maatregel op te heffen, terecht kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beslissing op bezwaar en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt dat de maatregel moet worden opgeheven en hem de mogelijkheid moet worden geboden terug te keren naar stichting INLIA. Eiser verbleef daar tot hij vrijwillig zou vertrekken naar Benin op 12 februari 2025. Op het vliegveld ging het psychisch zo slecht met eiser dat hij niet kon vertrekken. Met een crisismaatregel is hij vervolgens opgenomen in CTP Veldzicht, vanuit waar hem de vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd. Eiser stelt dat hij na stabilisatie terug had kunnen keren naar INLIA. Eiser verwijst naar meerdere aan het dossier gevoegde verklaringen van INLIA, waarin wordt aangegeven dat eiser gedurende zijn eerdere verblijf werd ondersteund door een medisch team, woonbegeleiders en maatschappelijk werkers. Ook waren er korte lijnen met de GGZ. Eiser functioneerde goed en was bijna zelfstandig. Daarnaast blijkt uit de verklaringen dat eiser weer bij INLIA terecht kan en de omschreven zorg kan worden hervat. Vanuit INLIA kan eiser beter worden en zodoende weer werken aan terugkeer naar Benin.
Eiser stelt daarnaast dat de minister een onjuist toetsingskader hanteert door te stellen dat ter beoordeling staat of zich sinds het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. De minister heeft daarbij onterecht geconcludeerd dat daar geen sprake van is. De duur van de vrijheidsbeperkende maatregel en de actuele gezondheidssituatie van eiser vormen wel degelijk nieuwe feiten en omstandigheden. Deze omstandigheden hadden door de minister bij de beoordeling moeten worden betrokken. Ten aanzien van zijn medische situatie voert eiser aan dat hij in de vbl niet de medische behandeling krijgt die hij nodig heeft, namelijk medicatie én regelmatige gesprekken. Daarnaast blijkt uit het GZA rapport niet dat het medicijngebruik van eiser door zijn behandelaren wordt gemonitord.
Daarnaast stelt eiser dat er geen zicht is op vertrek binnen een redelijke termijn. Er loopt immers nog een verzoek uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Eiser kan het daarnaast niet worden verweten dat hij niet heeft voldaan aan zijn rechtsplicht Nederland te verlaten. Eiser was bereid terug te keren naar zijn land van herkomst, maar dit kon door een onvoorziene verslechtering van zijn gezondheidstoestand niet doorgaan.
Tot slot betwist eiser dat er geen sprake is van een vaste woon- en verblijfplaats en hij niet over onvoldoende middelen van bestaan beschikt. Eiser kan immers terecht bij stichting INLIA waar hij zich beschikbaar zal houden en hij ook een meldplicht heeft. INLIA kan eiser ook in zijn levensonderhoud voorzien. Tot slot voert eiser aan dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst of een lichter middel, zoals een verblijfplaats elders met een meldplicht, volstaat.
Wat vindt de minister?
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de beslissing op bezwaar terecht kennelijk ongegrond is verklaard en daarbij het juiste toetsingskader is toegepast. Op het moment dat de beslissing is genomen, is beoordeeld of zich sinds het opleggen van de maatregel nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Daarvan is geen sprake. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf en heeft nog steeds de wens om terug te keren naar zijn land van herkomst. Hier wordt vanuit de vbl aan gewerkt. Er is een lp voor eiser toegezegd, dus het vertrek naar het land van herkomst is ook daadwerkelijk mogelijk. Dat de artikel 64 aanvraag al langere tijd in behandeling is, maakt dit volgens de minister niet anders. Er dient een fysieke overdracht plaats te vinden, en in dat kader moeten er afspraken met het land van herkomst worden gemaakt. Dit neemt enige tijd in beslag, maar maakt niet dat er geen zicht meer is op vertrek. In de maatregel is daarnaast ingegaan op de omstandigheid dat eiser bij INLIA kan verblijven en zij willen voorzien in de nodige medische zorg en middelen van bestaan. Ook dit vormt dus geen nieuwe omstandigheid op grond waarvan de beslissing op bezwaar niet kennelijk ongegrond kon worden verklaard. Hetzelfde geldt voor de medische situatie van eiser, die ongewijzigd is en waar gemotiveerd in de maatregel op wordt ingegaan. In de beslissing op bezwaar wordt tot slot aangegeven dat de overige gronden uit het bezwaar niet relevant zijn voor de beoordeling of terecht is geweigerd de maatregel op te heffen.
De minister heeft op de zitting aangegeven dat de door eiser aan het dossier gevoegde verklaringen van INLIA waarin zij bevestigen eiser opvang en passende zorg te kunnen bieden, niet maakt dat er nu wel aanleiding bestaat de maatregel op te heffen. De minister wijst er daarbij op dat de vbl als doel heeft dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf werken aan hun vertrek en zich in dat kader beschikbaar houden voor de minister. De minister kan hier geen toezicht op houden wanneer eiser bij INLIA verblijft. Een door INLIA georganiseerde meldplicht maakt dit niet anders. Dat de medische omstandigheden van eiser maken dat een verblijf bij INLIA is aangewezen, volgt de minister evenmin. De minister voert in dat verband aan dat INLIA zelf geen artsen in dienst heeft en de zorg voor eiser daarom beter is gewaarborgd vanuit de vbl. Daar komt bij dat onduidelijk is hoe de zorg voor eiser wordt gefinancierd bij een verblijf bij INLIA. Tot slot moet de plaatsing in de vbl worden gezien als een lichter middel. Wanneer de maatregel wordt opgeheven en eiser elders verblijft, loopt hij het risico in bewaring te worden gesteld.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 56, eerste lid van de Vw kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dit vordert, de minister de bewegingsvrijheid beperken van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft of rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e.
In paragraaf A5/5.3. van de Vc staat vermeld dat de vbl onderdak biedt aan vreemdelingen die Nederland moeten verlaten en geen recht (meer) hebben op opvang van rijkswege. Doel is dat gedurende het verblijf in de vbl het vertrek wordt voorbereid. De maatregel duurt in beginsel 12 weken, maar kan voortduren indien na ommekomst van de twaalf weken er nog steeds voldoende grondslag bestaat.
Op grond van artikel 7:2 van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Van het horen kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Omdat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure vormt, kan dit alleen worden toegepast wanneer er naar objectieve maatstaven bezien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
Oordeel van de rechtbank
6. Vooropgesteld moet worden dat het in deze procedure niet gaat om het opleggen van de maatregel, maar om het voortduren van de maatregel. Bij de beoordeling van het verzoek om opheffing van de maatregel zal moeten worden beoordeeld in hoeverre zich feiten en omstandigheden voordoen die van zodanig aard zijn dat voortduren van de maatregel niet langer op zijn plaats is. Daarbij kan bijvoorbeeld – gelet ook op hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen – gedacht worden aan het niet langer bestaan van de grondslag. Maar die feiten en omstandigheden zijn niet daartoe beperkt. Ook denkbaar is dat zich andere feiten en omstandigheden voordoen en dat die feiten en omstandigheden van een zodanig gewicht zijn dat moet worden afgezien van het voortduren van de maatregel.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser nog steeds behoort tot de in artikel 56, eerste lid, van de Vw omschreven categorie vreemdelingen. Hij heeft geen rechtmatig verblijf en heeft geen recht meer op opvang en voorzieningen vanuit het COa. Daarnaast is hij bereid te werken aan zijn vertrek en is dit vertrek ook daadwerkelijk mogelijk. De aanvraag zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw levert geen rechtmatig verblijf op en schort ook de vertrekplicht van eiser niet op.
Zoals hiervoor onder 6 is uiteengezet, is bij de beoordeling van het verzoek niet alleen de grondslag van belang. In dit geval moet het bezwaar van eiser zo worden opgevat dat er volgens hem andere feiten en omstandigheden zijn die van zodanig gewicht zijn dat die zich verzetten tegen het voortduren. Daarbij heeft hij gewezen op het tijdsverloop, het feit dat zijn medische situatie meer gebaat is bij een verblijf bij INLIA en het feit dat INLIA ook bereid is hem weer op te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar niet kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het horen in bezwaar het uitgangspunt is en dat daarvan alleen kan worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Van dat laatste is geen sprake. Eiser verblijft inmiddels al ruim een jaar op de vbl, waar een verblijf van maximaal 12 weken het uitgangspunt is. Duidelijk is dat eiser medische zorg en begeleiding nodig heeft. In bezwaar heeft eiser naar voren gebracht dat die zorg en begeleiding ook bij INLIA kan worden gegeven. Door eiser te horen, had de minister de mogelijkheid van een verblijf bij INLIA en de details daarvan nader kunnen onderzoeken en bij de besluitvorming kunnen betrekken. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Hierdoor heeft eiser zijn belangen onvoldoende kenbaar kunnen maken en heeft de minister niet zorgvuldig onderzoek gedaan naar de relevante feiten en de betrokken belangen.
De minister dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen, eiser voorafgaand daaraan te horen en opnieuw onderzoek te doen naar de relevante feiten en betrokken belangen. De minister moet daarbij in het bijzonder ingaan op de recente verklaringen van INLIA, waarin wordt aangegeven dat zij eiser opvang en de nodige zorg kunnen bieden. De minister dient ook te betrekken dat eiser volgens de verklaringen van INLIA tijdens zijn eerdere verblijf stabiel functioneerde en onder de door hen geboden begeleiding bereid was terug te keren naar Benin.
Het beroep is gegrond en het besluit op bezwaar wordt vernietigd vanwege strijd met artikel 3:2 en 7:2 van de Awb.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.