[naam], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. K.S. Kort),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. De minister heeft op 2 april 2025 aan verzoeker een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw. Het besluit verplicht verzoeker met ingang van 3 april 2025 te verblijven in de gemeente Westerwolde, waar hij zich in de vbl in Ter Apel dient op te houden.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de minister op het bezwaar van verzoeker, waarin zijn verzoek de vrijheidsbeperkende maatregel op te heffen, kennelijk ongegrond is verklaard. Verzoeker heeft daarbij verzocht om een voorlopige voorziening.
Op de zitting heeft verzoeker ook verzocht om een voorlopige voorziening inhoudende dat hij zijn aanvraag zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw in Nederland mag afwachten.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken, gelijktijdig met het beroep, op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de vrijheidsbeperkende maatregel zal worden opgeheven tot op het beroep is beslist.
Bij uitspraak van vandaag, is op het beroep beslist. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd. De minister is daarbij opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Met betrekking tot het verzoek de artikel 64 aanvraag in Nederland te mogen afwachten, is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek geen connexiteit heeft met onderhavig beroep, namelijk het beroep tegen het besluit met betrekking tot de vrijheidsbeperkende maatregel. Daar komt bij dat de minister nog geen besluit heeft genomen op de artikel 64 aanvraag. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.