RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9259
(gemachtigde: mr. S. Igdeli),
en
(gemachtigde: mr. M. Smeulders).
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 19 februari 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.9260) te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op
2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2000. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 13 september 2025 ingediend.
Op 11 november 2025 heeft Nederland aan Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Bulgarije heeft dit terugnameverzoek op 14 november 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
3. Eiser verzoekt om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast voert eiser aan dat de brochure 'De Dublinprocedure - Informatie voor personen die om
internationale bescherming verzoeken en zich in een Dublinprocedure
bevinden' (Deel B) niet aan hem is uitgereikt; hiermee is niet voldaan aan artikel 4, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser is van mening dat een standaardvoornemen niet voldoet, verweerder gaat daarin op geen enkele wijze in op wat eiser in het gehoor heeft verklaard over wat hij heeft meegemaakt in Bulgarije. Bulgarije voldoet niet aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de tekortkomingen zijn structureel. Eiser is in Bulgarije verplicht om een asielaanvraag in te dienen. Ook is de manier waarop zijn vingerafdrukken zijn afgenomen tegen de regels in. Het is onredelijk dat van eiser wordt verwacht dat hij hier bewijs van aanlevert. Hetzelfde geldt voor de detentieomstandigheden. Eiser heeft wel een foto van het detentiecentrum bijgevoegd. Uit pagina 40 en verder van het AIDA rapport, update 2024, volgt dat asielzoekers niet of nauwelijks rechtsbijstand krijgen in Bulgarije. Om te klagen heb je rechtsbijstand nodig. De asielaanvraag van eiser is in Bulgarije afgewezen, uit het AIDA rapport volgt dat Dublinterugkeerders geen recht meer zullen hebben op rechtsbijstand. Daarnaast volgt uit pagina 86 van het AIDA rapport dat de opvangomstandigheden sinds 2015 zijn verslechterd. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraken van rechtbank Haarlem, van 11 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15059 en van 29 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16429. Ook hebben Dublinterugkeerders geen garantie op een opvangplek. Eiser verwijst in dit kader ook nog naar het Matteo- rapport van 29 januari 2025 ‘Asyl in der Kirche Berlin-Brandenburg, matteo – Kirche und Asyl’ en het rapport van VluchtenlingenWerk Nederland ‘Veelgestelde Vragen- Dublinterugkeerders Bulgarije’. De uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) nemen het AIDA-rapport niet mee. Ook bevat het AIDA rapport, update 2024 meer informatie over de situatie in Bulgarije dan update 2023. Eiser heeft in Bulgarije niet voldoende opvang, voedsel, water, medische hulp et cetera gehad. Ten slotte is eiser van mening dat er wel sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Eiser is mishandeld, vernederd en heeft onder slechte omstandigheden in de opvang verbleven. Eiser doet een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd.
Uitreiken Brochure
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat verweerder de informatiebrochure 'De Dublinprocedure - Informatie voor personen die om internationale bescherming verzoeken en zich in een Dublinprocedure bevinden' (Deel B) bij het aanmeldgehoor niet aan eiser heeft uitgereikt. Tijdens het gehoor is eiser wel op de informatie uit de brochure gewezen. In artikel 4, tweede lid, van de Dublinverordening is vastgelegd dat de informatie schriftelijk moet worden verstrekt waarbij gebruik wordt gemaakt van de voor dat doel opgestelde gemeenschappelijke brochure. Door enkel op de inhoud te wijzen zonder de informatie schriftelijk te verstrekken is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek, zodat het besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft dit ter zitting ook erkend. Eiser is door de gehoormedewerker alleen wel gewezen op de inhoud van de brochure, heeft gelegenheid gehad om zijn verhaal te doen en hem is gevraagd om zijn bezwaren tegen overdracht aan Bulgarije toe te lichten. Eiser heeft naar aanleiding van het Aanmeldgehoor Dublin ook correcties en aanvullingen ingediend. De ingediende zienswijze is betrokken in de besluitvorming en in de beroepsfase heeft eiser kunnen reageren op het bestreden besluit. Eiser heeft onvoldoende aangevoerd welke concrete informatie hij heeft gemist en in welk belang hij daardoor is geschaad. Omdat niet is gebleken dat eiser door de gang van zaken is benadeeld, ziet de rechtbank aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
Standaardvoornemen
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming omdat verweerder in het voornemen gebruik heeft gemaakt van ‘standaardoverwegingen’. In het voornemen zijn de voorwaarden voor een Dublinoverdracht beoordeeld en heeft verweerder de verklaringen van eiser uit het aanmeldgehoor betrokken, over de slechte behandeling in Bulgarije. Dat één en ander in het voornemen wat meer algemeen en standaardmatig en niet heel expliciet is opgeschreven, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het besluitvormingsproces onzorgvuldig is geweest of dat eiser in de zienswijze niet voldoende heeft kunnen reageren. Verweerder kan bovendien in het besluit, zoals hij ook heeft gedaan, één en ander meer concretiseren en expliciteren. De rechtbank verwijst tot slot naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4348, r.o. 2.1.), waaruit volgt dat een standaardvoornemen wel degelijk aan de vereisten kan voldoen. De beroepsgrond slaagt niet.
Verwijzing naar de zienswijze
7. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op de zienswijze ingegaan. Voor zover eiser enkel verwijst naar zijn zienswijze zonder toe te lichten op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom, kan dit niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel 8.1. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Bulgarije mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit onder meer bekrachtigd in de uitspraken van 26 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2387), waarin de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17552) wordt bevestigd, en van 17 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5536), waarin de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 27 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:19860) wordt bevestigd. Daarin is ook het meest recente AIDA rapport (update 2024) ten aanzien van Bulgarije betrokken, waar eiser in zijn gronden naar verwijst.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Bulgarije geen risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen met landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen. Uit punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218), volgt dat van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest pas sprake zal zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet met landeninformatie aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten op het gebied van opvang, zorg, of rechtsbijstand een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. De verwijzing naar het AIDA-rapport van 27 maart 2025 (update 2024) leidt niet tot een ander oordeel. Uit het AIDA rapport, update 2024, volgt weliswaar dat gratis rechtsbijstand niet gedurende de hele procedure beschikbaar is voor asielzoekers. Uit artikel 20 van de Procedurerichtlijn volgt alleen dat lidstaten enkel gratis rechtsbijstand moeten bieden als sprake is van een (beroeps)procedure tegen de beslissing op de asielaanvraag. In andere gevallen kunnen lidstaten gratis rechtsbijstand bieden, maar zijn zij daartoe niet verplicht. De Afdeling heeft in de bovengenoemde uitspraken van 26 mei 2025 en 17 november 2025 het AIDA-rapport update 2024 betrokken. De Afdeling heeft in deze uitspraken bevestigd dat uit het AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024) geen wezenlijk ander beeld blijkt van de opvangsituatie in Bulgarije voor Dublinterugkeerders en over de toegang tot rechtsbijstand, dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten (update 2023 en update 2022). Eiser heeft geen concrete punten aangegeven waaruit blijkt dat de (opvang)situatie relevant slechter is dan voorheen. Hetzelfde geldt voor het rapport van Matteo en het rapport van VluchtelingenWerk Nederland. Dat er zorgen zijn is duidelijk, maar dat de situatie is verslechterd ten opzichte van de eerder bekende informatie, blijkt hieruit niet. Ten aanzien van het beroep van eiser op de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 augustus 2025, (ECLI:NL:RBDHA:2025:16429) en van 11 augustus 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:15059), overweegt de rechtbank dat de Afdeling ondertussen al wel uitspraken heeft bevestigd die het AIDA rapport, update 2024, beoordelen. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om af te wijken van het oordeel dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Het AIDA- rapport, update 2024, bevat geen wezenlijk andere informatie dan volgt dan uit de eerdere AIDA-rapporten, zodat dat rapport geen aanleiding geeft voor een ander oordeel.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ook met zijn verklaringen over wat hij zelf in Bulgarije heeft meegemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft in de beroepsgronden weliswaar aangevoerd dat hij is verplicht om zijn asielaanvraag in te dienen en dat de manier waarop zijn vingerafdrukken in Bulgarije zijn afgenomen in strijd is met de regels. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser hier in Bulgarije over kan klagen. Daarnaast voert eiser aan dat hij onvoldoende opvang, voedsel, water en medische hulp kreeg in Bulgarije. Ook waren de detentieomstandigheden volgens eiser niet volgens de wet. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat eiser na overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormelde bepalingen. De documenten waar eiser naar verwijst onderbouwen niet dat Bulgarije zich niet aan de verdragsverplichtingen houdt. Verweerder is voldoende ingegaan op de door eiser overgelegde foto en heeft voldoende gemotiveerd waarom deze onvoldoende is. Ter zitting heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk in detentie heeft gezeten in Bulgarije. Daarnaast gaan de gestelde ervaringen van eiser over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Bulgarije is behandeld en niet over de situatie dat hij als Dublinclaimant aan Bulgarije zal worden overgedragen (vgl. de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64). Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Bulgarije.
Bulgarije heeft met het claimakkoord gegarandeerd om eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser vindt dat Bulgarije zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Bulgarije te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is door eiser niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van eiser dat hij niet kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten, is onvoldoende. Eiser heeft in het aanmeldgehoor namelijk verklaard dat hij in de opvang geen klacht heeft ingediend, omdat hij dacht dat dit tegen hem zou werken. Het is niet gebleken dat de autoriteiten van Bulgarije eiser niet zouden kunnen of willen helpen. Het voorgaande betekent dat verweerder ook geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, eerste gedachtestreepje, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) aan zich te trekken.
9. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat verweerder zijn asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiser terecht wordt overgedragen aan Bulgarije.
11. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.