RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S.H.J. Muijlkens).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.18970
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, C.T.W. van Dijk als waarnemer van de voormalige gemachtigde van eiser (D. van Elp), A.R. Faquiri als tolk en de gemachtigde van de minister (S. Aboulouafa).
6. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst. Eiser heeft namelijk op 1 juli 2025 nieuwe documenten overgelegd, waarvan de vertalingen nog niet binnen zijn. Op zitting is de afspraak gemaakt dat, zodra de vertalingen aan het dossier zijn toegevoegd, de minister een reactie zal geven op de documenten.
7. Op 4 juli 2025 heeft eiser de vertalingen van de documenten aan het dossier toegevoegd. De minister heeft op 10 september 2025 gereageerd op deze documenten met een verweerschrift.
8. Op 1 oktober 2025 en op 22 oktober 2025, heeft eiser gereageerd op het verweerschrift.
9. De rechtbank heeft het beroep op 6 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser,
C.T.W. van Dijk als waarnemer van de gemachtigde van eiser, H. Malwand-Baraki als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Het asielrelaas
10. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In Afghanistan was eiser werkzaam voor een bouwbedrijf toen hij bedreigingen ontving van de Taliban. Hij heeft een dreigbrief ontvangen en is telefonisch bedreigd. Toen eiser in 2015 onderweg naar werk was, werd hij staande gehouden door de Taliban. De chauffeur heeft een talib doodgeschoten. De Taliban heeft eiser sindsdien in het dorp, maar ook in [plaats] gezocht. Ook is de vader van eiser ontvoerd en mishandeld door de Taliban. Toen eiser zich in [plaats] niet meer veilig voelde, is hij in 2016 vertrokken uit Afghanistan. Eiser is eerst naar Iran gegaan en daarna naar China. In 2022 heeft eiser via een collega gehoord dat de Taliban de chauffeur hebben opgepakt en doodgeschoten. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser problemen te ondervinden met de Taliban.
11. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst; en
(2) Problemen met de Taliban vanwege werkzaamheden en de dood van een talib.
De minister is van mening dat beide asielmotieven geloofwaardig zijn. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen omdat, volgens de minister, de problemen niet zo zwaarwegend zijn dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. De minister stelt zich op het standpunt dat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet raken aan één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast heeft eiser geen concrete verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat de Taliban hem bij terugkeer om het leven zullen brengen.
Nergens is uit gebleken dat, sinds het vertrek van eiser in 2016, de Taliban daadwerkelijk naar eiser op zoek zijn. Ook heeft eiser geen bronnen overgelegd waaruit blijkt dat de chauffeur om het leven is gebracht door de Taliban. De verklaringen van eiser zijn op dit punt geheel gebaseerd op aannames die hij niet nader heeft onderbouwd. Er zijn geen concrete aanknopingspunten dat eiser op dit moment nog gezocht wordt. De minister concludeert daarom dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Tot slot heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
De bewijspositie van eiser
12. Eiser voert aan dat de minister te weinig rekening heeft gehouden met de zwakke bewijspositie waarin eiser verkeerd, omdat het voor hem niet mogelijk is om te bewijzen dat zijn chauffeur in 2022 is gearresteerd en is vermoord. Eiser probeert om aan bewijsmateriaal te komen om aan te tonen dat de chauffeur om het leven is gekomen door toedoen van de Taliban, maar dit is niet makkelijk.
13. De rechtbank stelt het volgende vast. Het asielrelaas van eiser is door de minister in het bestreden besluit geloofwaardig bevonden. Dat houdt in dat niet wordt betwist dat eiser problemen heeft gehad met de Taliban vanwege zijn werkzaamheden. Eiser is meerdere keren door de Taliban gevraagd te stoppen met deze werkzaamheden en is hierbij ook bedreigd. In 2015 is eiser op weg naar zijn werk aangehouden, waarna de chauffeur een talib heeft doodgeschoten. Naar aanleiding van dit incident hebben eiser en zijn vader problemen ondervonden. Ook wordt niet betwist dat de chauffeur in 2022 is overleden. De minister vindt het echter niet geloofwaardig dat de chauffeur is overleden door toedoen van de Taliban. Ook vindt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het overlijden van de chauffeur verband houdt met de eerdere problemen met de Taliban in 2015.
14. Eiser heeft op 1 juli 2025 twee documenten overgelegd (waarvan vertalingen op 4 juli 2025). Ten eerste heeft eiser een verklaring van een algemeen gezondheidscentrum van 28 juni 2025 overgelegd, waarin staat dat de chauffeur op 4 december 2022 gewond en in comateuze toestand naar de kliniek is gebracht en dat hij op 5 december 2022 is overleden. Ook heeft eiser een verklaring overgelegd van de familie van de chauffeur en dorpsoudsten, waarin staat dat de chauffeur in 2022 om het leven is gebracht door de Taliban. Beide documenten zijn onderzocht door Bureau Documenten. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 24 oktober 2025 volgt dat er geen onregelmatigheden zijn aangetroffen, en dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid, de opmaak en afgifte en de juistheid van de inhoud van de documenten.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Het is in de eerste plaats aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. Zo schrijft artikel 31, eerste lid, van de Vw, voor dat een asielaanvraag wordt afgewezen als de vreemdeling niet aannemelijk maakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Kenmerkend voor de asielprocedure is de lastige bewijspositie waarin een vreemdeling die een asielaanvraag heeft gedaan, vaak verkeert.1 Die vreemdeling is namelijk veelal niet in staat en van hem kan redelijkerwijs niet worden gevergd zijn asielrelaas overtuigend met bewijsmateriaal te staven. Ook in het beleid van de minister is rekening gehouden met de omstandigheid dat van een vreemdeling doorgaans niet verwacht kan worden dat hij zijn asielrelaas volledig met bewijsmateriaal staaft.2 Dit betekent dat van eiser niet verwacht mag worden bewijs te leveren waaruit onomstotelijk blijkt dat de chauffeur om het leven is gebracht door de Taliban en dat dit te maken heeft met de schietpartij in 2015. Zeker niet als niet aannemelijk is dat dit bewijs geleverd kan worden.
1. Zie in dit kader bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352, onder 5.3.
2 Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel), pagina 5.
16. De overlijdensverklaring van de gezondheidskliniek en de verklaring van de familie van de chauffeur en dorpsoudsten - in samenhang bezien - ondersteunen het asielrelaas van eiser dat de chauffeur door toedoen van de Taliban is overleden en dat dit verband zou houden met de gebeurtenis in 2015. De rechtbank kan eiser volgen in zijn standpunt dat de minister niet heeft duidelijk gemaakt waarom het leveren van meer dan wel ander bewijs van hem mag worden verwacht. De Taliban is in Afghanistan aan de macht en zal deze informatie niet verschaffen. Door de minister is ook erkend dat de dood van een persoon door toedoen van de Taliban niet in de media zal worden vermeld. Dat de gezondheidskliniek enkel een beschrijving geeft van de gezondheidstoestand van eiser en niet hoe hij in deze gezondheidstoestand is geraakt, komt de rechtbank niet vreemd voor. Dat sprake kan zijn geweest van een ongeval wordt weersproken door de verklaring van de familie van de chauffeur en de dorpsoudsten. Aan de stelling dat deze informatie niet objectief en verifieerbaar is, kan worden afgedaan dat het hier niet om eigen familie van eiser gaat en dat er geen onregelmatigheden in deze verklaring zijn aangetroffen. De minister zal opnieuw moeten kijken naar de bewijslastverdeling en de waardering van de overgelegde bewijsstukken.
17. Omdat het bestreden besluit, gelet op hiervoor is overwogen, voor vernietiging in aanmerking komt, komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke bespreking van de overige beroepsgronden. De minister dient eerst de asielaanvraag opnieuw te beoordelen.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
19. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank heeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
20. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt €2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0.5 punt voor de nadere zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1). Er zijn verder geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.