RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: L.S. Hartog).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53518
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
Procesverloop
3. Eiser heeft een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, C.T.W. van Dijk als waarnemer van de gemachtigde van eiser,
M. Ziad als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Nieuwe en relevante elementen of bevindingen
Het medisch rapport van de zoon van eiser
Actuele beoordeling non-refoulement
Eerdere asielprocedures
6. Eiser heeft vijf keer eerder asiel aangevraagd. Deze vijf asielaanvragen zijn afgewezen bij besluiten van 25 november 2009, 17 maart 2011, 1 oktober 2012,
13 augustus 2014 en 28 oktober 2019. Eiser heeft tegen deze besluiten beroep en hoger beroep ingesteld. In deze procedures zijn de bestreden besluiten in stand gelaten. Aan deze procedures heeft eiser, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat hij gevaar loopt in Iran vanwege zijn afvalligheid en atheïsme. Eiser stelt verder dat hij wordt gezocht vanwege zijn werkzaamheden voor de Amerikanen in Irak en dat om die reden zijn familieleden zijn lastiggevallen.
Het asielrelaas
Eiser legt aan zijn herhaalde asielaanvraag ten grondslag dat hij nieuwe documenten heeft waarmee hij zijn oorspronkelijke asielrelaas kan onderbouwen. Eiser heeft bij zijn herhaalde aanvraag tien documenten overgelegd. Het gaat in de documenten om een medisch rapport van de zoon van eiser d.d. 25 april 2022, een aangifte gedaan door de zoon van eiser, een dreigbrief en documenten die gaan over een auto-ongeluk van de zoon en (ex-)vrouw van eiser.
Het bestreden besluit
7. De minister is van mening dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de opvolgende aanvraag. Het medisch rapport van de zoon van eiser is volgens de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 26 februari 2025, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. De minister stelt zich daarom op het standpunt dat het document niet nieuw is en dat er geen waarde aan wordt gehecht. Met betrekking tot de overige door eiser overgelegde documenten heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat deze niet relevant zijn. De minister heeft hiertoe overwogen dat het gaat om kopieën die niet op echtheid onderzocht kunnen worden. Ook komen de documenten niet uit objectieve bron en kunnen ze daarom het eerdere asielrelaas niet alsnog geloofwaardig maken. De dreigbrief noemt daarbij zaken die in de vorige procedures ongeloofwaardig zijn geacht. De minister heeft de aanvraag afgewezen als niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
Het standpunt van eiser
8. Eiser voert aan dat de minister de herhaalde asielaanvraag onterecht heeft afgewezen op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Het dossier bevat een nieuw medisch stuk en een verklaring van een familielid die een actuele dreiging beschrijft. De minister had moeten onderzoeken of de nieuwe verklaringen, ook als die van “horen zeggen” zijn, samen met het medisch document een plausibel nieuw element kunnen opleveren. Daarnaast heeft de minister afgezien van een inhoudelijke beoordeling van het overgelegde medische document. Het ontbreken van formaliteiten of interne authenticatie ontslaat de minister niet van de verplichting om de inhoud en strekking van het bewijs te
betrekken in de individuele beoordeling van het asielrelaas. De minister heeft het merendeel van de ingebrachte argumenten niet afzonderlijk gewogen, maar samengevat onder een algemene afwijzingsgrond.
Het toetsingskader
9. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, kan de minister een opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als daaraan geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of als er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
10. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof)1 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)2, volgt dat de beoordeling van de ontvankelijkheid van opvolgende asielaanvragen bestaat uit twee fasen.3 In fase 1 moet worden onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn. Dat is het geval wanneer het aangevoerde niet werd onderzocht in het kader van de vorige asielaanvraag en dat besluit niet op kon worden gebaseerd. Indien een document in de eerdere procedure niet is overgelegd maar in een opvolgende procedure wel, dan is dus reeds sprake van een element dat nieuw is ten opzichte van de voorgaande procedure. De vaststelling of een element of bevinding nieuw is behelst dus alleen een feitelijke beoordeling. Beoordeling van de authenticiteit van het document is een onderdeel van de inhoudelijke toetsing die moet worden uitgevoerd. Elk document dat als zijnde nieuw en relevant wordt overgelegd en inhoudelijk betrekking heeft op de asielaanvraag moet daarom inhoudelijk worden behandeld. Alleen als er nieuwe elementen of bevindingen zijn, komt de minister toe aan fase 2. In fase 2 moet worden onderzocht of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Uit de rechtspraak van het Hof volgt tevens dat nieuwe documenten niet mogen worden uitgesloten van het grondig onderzoeken of er behoefte aan internationale bescherming bestaat, alleen omdat de authenticiteit ervan niet is vastgesteld of omdat de bron van het document niet objectief verifieerbaar is.
11. De minister heeft de Werkinstructie (WI) 2023/7 Opvolgende aanvragen toegepast, waarin ook een gefaseerde beoordeling wordt gehanteerd. Daarbij gaat het in fase 1 ook om de vraag of sprake is van nieuwe elementen en bevindingen. In fase 2 is de vraag aan de orde of de nieuw bevonden elementen en bevindingen relevant kan zijn.
12. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat het medisch rapport van de zoon van eiser een document is dat nog niet in een eerdere asielprocedure is overgelegd. Bureau Documenten heeft onderzoek gedaan naar het medische rapport. Uit de verklaring van onderzoek van 26 februari 2025 blijkt dat het document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. De minister heeft zich onder verwijzing naar dit oordeel op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een nieuw element en dat reeds daarom geen waarde aan dit document kan worden gehecht. Op de zitting heeft de minister daarbij toegelicht dat vanwege de onbevoegdheid niet kan worden
1. Arrest van het Hof van 10 juni 2012, ECLI:EU:C:2021:478.
2 Uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208.
3 Zie ook de Werkinstructie 2023/7. “Opvolgende asielaanvragen”.
uitgegaan van de inhoud van het document en dat in zoverre niet aan de beoordeling van authenticiteit kan worden toegekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt in strijd met de genoemde jurisprudentie van het Hof en ook met de WI 2023/7, waaruit volgt dat documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, of die geen objectief verifieerbare bron hebben, ook moeten worden betrokken bij de beoordeling of deze relevant kunnen zijn. Daarbij wordt van belang geacht dat de beoordeling van de bewijzen die bij een opvolgende aanvraag worden overgelegd, niet mag verschillen van die beoordeling bij een eerste aanvraag. Niet valt in te zien waarom – zo lijkt de minister te stellen – een conclusie over de onbevoegdheid zich zodanig onderscheidt van een conclusie over de authenticiteit van een document dat aan de inhoud van een naar alle waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt document in fase 1 wel voorbij kan worden gegaan.
13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het medisch rapport niet is aan te merken als een nieuw en relevant element.
De overige documenten
14. De rechtbank constateert dat de minister de overige documenten weliswaar als nieuw, maar niet als relevant heeft aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ook dat standpunt onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank overweegt dat de minister zich voornamelijk op het standpunt heeft gesteld dat de documenten kopieën betreffen en dat deze niet uit objectieve bron afkomstig zijn. In dat kader vindt de rechtbank van belang dat uit de genoemde jurisprudentie van de Afdeling4 volgt dat de minister niet aan zijn samenwerkingsplicht voldoet en daarmee in strijd handelt met de Procedurerichtlijn en de Kwalificatierichtlijn, als hij zonder nader onderzoek volstaat met de conclusie dat documenten weliswaar nieuwe elementen of bevindingen zijn maar niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag, alléén omdat hij de authenticiteit van die documenten niet kan vaststellen of omdat die documenten geen objectief verifieerbare bron hebben. Dat de documenten kopieën zijn die niet op echtheid onderzocht kunnen worden en dat zij voortkomen uit een niet-objectieve bron, is dus onvoldoende om te kunnen stellen dat de documenten niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
15. Ten aanzien van de dreigbrief heeft de minister zich verder op het standpunt gesteld dat daarin zaken worden genoemd die in de vorige procedures ongeloofwaardig zijn geacht. Daarmee miskent de minister dat eiser met het overleggen van deze dreigbrief juist heeft beoogd om de eerdere ongeloofwaardigheid te betwisten. De motivering van de minister volstaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voor de conclusie dat geen sprake is van een relevant element.
16. De stelling van de minister dat de onderhavige asielaanvraag in feite dezelfde aanvraag is als de voorgaande, volgt de rechtbank evenmin. Het door eiser overgelegde medische document dat betrekking heeft op zijn zoon is niet identiek aan het - in een eerdere procedure - door eiser overgelegde medische document dat betrekking heeft op zijn zus. De documenten over de zus van eiser zijn bovendien in de eerdere procedure inhoudelijk beoordeeld in het licht van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser en niet reeds
4 Uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208, r.o. 5.4.6.
als niet relevant afgedaan
17. De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de opvolgende aanvraag. Daarmee is de afwijzing van de aanvraag als niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, evenmin deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek en komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen.
18. Eiser voert aan dat de minister een actuele en inhoudelijke beoordeling had moeten verrichten van het risico van refoulement, zoals volgt uit het arrest Ararat.5 Het enkele feit dat eerdere asielaanvragen zijn afgewezen en die afwijzingen onherroepelijk zijn geworden, ontslaat de minister niet van deze plicht.
19. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025.6 Hieruit volgt dat de minister, op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst, een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij zich er van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn of haar land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
20. De rechtbank overweegt als volgt. In het voornemen heeft de minister overwogen dat het vijftien jaar geleden is sinds eiser in Irak is geweest en dat niet wordt gevolgd dat hij nog altijd in de aandacht staat.7 In het bestreden besluit stelt de minister: “U woonde van 1991 tot aan uw vertrek in 2008 in [plaats] . Er geldt geen 15c-beleid voor [plaats] . U voert daar ook niets over aan. Er is dus geen reden om u daarover te horen.” Daarnaast stelt de minister dat er geen risico wordt gezien op refoulement. De minister verwijst daarbij naar de vijf eerdere, en deze afgewezen asielaanvraag.8 Uit deze overwegingen blijkt niet dat de minister een geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft gemaakt op basis van (actuele) landeninformatie. De enkele verwijzing naar de eerdere asielprocedures is geen toereikende refoulementbeoordeling die berust op een kenbare motivering. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek bevat.
5 Het arrest van het Hof van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
6 Uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.
7 Voornemen van 29 september 2025, pagina 2.
8 Bestreden besluit van 27 oktober 2025, pagina 3.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
22. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
23. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt €1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Er zijn verder geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.