RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: L.S. Hartog).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53820
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. De minister heeft met het bestreden besluit van
27 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.M.T. Crockett als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
Risico bij terugkeer
Eerdere asielprocedures
6. Eiser heeft twee keer eerder asiel aangevraagd. Bij besluit van 18 juni 2019 is de eerste asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en dit beroep is bij uitspraak van 13 augustus 2019 ongegrond verklaard. Op 28 augustus 2019 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij in Gambia niet kan uitkomen voor zijn seksuele geaardheid. Deze aanvraag is bij beschikking van 16 juli 2021 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen dit besluit beroep en hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is op 9 december 2021 ongegrond verklaard, waarmee het besluit van 16 juli 2021 onherroepelijk is geworden.
7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is biseksueel en heeft een identiteitsgroei doorgemaakt. Eiser heeft een relatie met een vrouw, hetgeen niet wegneemt dat hij ook nog op mannen valt. Ook ontplooit eiser diverse activiteiten, gericht op en samen met de lhbti-gemeenschap.
Het bestreden besluit
8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst; en
(2) Seksuele gerichtheid.
De minister stelt zich op het standpunt dat het eerste asielmotief deels geloofwaardig is. In de vorige asielprocedure van eiser is namelijk al geoordeeld dat zijn nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, maar dat er wel wordt getwijfeld aan de door eiser opgegeven leeftijd. Eiser heeft in de onderhavige asielprocedure geen nieuwe relevante elementen of bevindingen ten aanzien van dit asielmotief naar voren gebracht. De door eiser opgegeven leeftijd wordt daarom niet gevolgd. Daarnaast is de minister van mening dat de seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is. Hiertoe heeft de minister overwogen dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Ook vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel en kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw. De asielaanvraag van eiser is namelijk een opvolgende aanvraag, die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Tot slot heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Beoordeling van de seksuele gerichtheid
9. Eiser voert aan dat de minister zijn aanvraag niet overeenkomstig Werkinstructie (WI) 2019/17 “Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd” heeft beoordeeld. Eiser wijst er op dat de WI 2019/17 voorschrijft dat de beoordeling plaatsvindt op authenticiteit, samenhang en innerlijke overtuiging, met oog voor
cultuur en geleidelijke ontwikkeling. Eiser heeft uitgelegd hoe zijn gevoelens zich ontwikkelden, waarom veiligheid en de community daarin essentieel waren en hoe deelname aan activiteiten hem hielp om openheid te vinden. Volgens eiser heeft de minister dit alles in de beoordeling teruggebracht tot “barbecueën en advies vragen”, waarmee de minister de ratio van WI 2019/17 miskent. Dat eiser nu een vriendin heeft en ook gevoelens voor vrouwen ervaart, sluit biseksualiteit niet uit. De minister heeft bij zijn beoordeling in zoverre een binaire maatstaf gehanteerd. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen waarde heeft gehecht aan de overgelegde verklaringen van derden, waaronder die van [persoon1] , de ex-partner van eiser. Dat deze verklaringen niet voorzien zijn van een datum of van een subjectieve bron afkomstig zijn, is volgens eiser onvoldoende motivering om aan deze verklaringen voorbij te gaan. Eiser wijst er ook op dat hij tijdens het nader gehoor moeite had met het communiceren met de tolk. Op de zitting heeft hij daarover toegelicht dat dit mogelijk van invloed is geweest op zijn verklaringen. Op de zitting heeft eiser hier aan toegevoegd dat er bij de beoordeling van zijn seksuele gerichtheid onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven omtrent de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid en zijn gedachten en gevoelens hieromtrent en heeft de minister daarbij mogen betrekken dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister is in zijn beoordeling uitgebreid ingegaan op de eigen verklaringen van eiser. Dat de minister de verklaringen van eiser over zijn gevoelens terugbrengt tot “barbecueën en advies vragen” kan de rechtbank dan ook niet volgen. .
11. De minister heeft onder andere er op gewezen dat eiser in zijn vorige asielprocedure, tijdens het nader gehoor van 8 april 2021, heeft verklaard nooit gevoelens voor vrouwen te hebben gehad, terwijl eiser in zijn reguliere aanvraag voor verblijf bij zijn – vrouwelijke - partner ( [persoon2] ) heeft gesteld al sinds februari 2021 een relatie te hebben met [persoon2] . Ook heeft de minister van belang mogen achten dat de homoseksuele gerichtheid van eiser eerder ongeloofwaardig is geacht en eiser aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij zichzelf accepteert en nu beter in staat is om inzicht te geven in zijn gevoelens. In dit kader heeft de minister er op mogen wijzen dat eiser in zijn vorige asielprocedure ook heeft verklaard dat hij zichzelf accepteerde. Toen eiser hier naar is gevraagd in het gehoor opvolgende aanvraag (GOA) van 21 oktober 2025, heeft hij geantwoord: “In mijn land wist ik dat ik op jongens viel. Maar je durft daar niet over te praten. Maar ik heb een gesprek gehad, heel veel, hier hoef je niet bang te zijn. Als je valt op jongens gaat er niks gebeuren hier. Het is toegestaan hier, je wordt niet mishandeld.”1
12. Daarnaast heeft de minister mogen oordelen dat de door eiser overgelegde verklaringen van derden, gezien in samenhang met de eigen verklaringen van eiser, de seksuele gerichtheid van eiser niet aannemelijk maken. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister hierbij niet alleen opgemerkt dat (een aantal van) de brieven niet van objectieve bronnen afkomstig zijn. Zo heeft de minister er op gewezen dat in een aantal brieven door de auteur wordt opgemerkt dat eiser gesprekken heeft gehad over zijn gevoelens en de ontwikkeling daarvan, maar dat in die brieven die ontwikkeling of die gevoelens verder niet worden beschreven. Ook heeft de minister opgemerkt dat het vreemd is dat in de door eiser
1. Gehoor opvolgende aanvraag van 21 oktober 2025, pagina 8.
overgelegde brieven van [persoon3] en [persoon4] , van 8 mei 2024 en 10 mei 2024, geen enkele melding wordt gemaakt van [persoon2] , terwijl eiser en [persoon2] volgens zijn eigen verklaringen al sinds 2021 een relatie zouden hebben.2
13. Het standpunt van eiser dat de minister een binaire maatstaf heeft gehanteerd, volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt wat hij met dit standpunt, in het licht van de uitgebreide motivering van het bestreden besluit, beoogt te betogen. Voor zover eiser stelt dat de minister zou hebben miskend dat zijn gevoelens voor [persoon2] zijn biseksuele geaardheid niet uitsluit, mist deze stelling feitelijke grondslag. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de homoseksuele gerichtheid van eiser in de vorige asielprocedure ongeloofwaardig is geacht. De relatie met [persoon2] maakt die homoseksuele gerichtheid niet alsnog geloofwaardig. Vervolgens heeft de minister uitgebreid gemotiveerd waarom ook de biseksuele geaardheid niet geloofwaardig wordt geacht. Naar het oordeel van de rechtbank biedt hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat die motivering onvoldoende moet worden geacht. Eiser heeft bovendien niet concreet gemaakt waarom die beoordeling niet voldoet aan de WI 2019/17, dan wel bij die beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser.
14. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat er communicatieproblemen waren tussen eiser en de tolk tijdens het GOA of dat er onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Eiser heeft geen concrete voorbeelden genoemd waaruit blijkt dat hij de tolk niet goed heeft begrepen. Eiser heeft weliswaar aan het begin van het gehoor verklaard de tolk “een klein beetje goed” te hebben verstaan3, maar eiser heeft later in het gehoor verklaard te tolk goed te hebben begrepen en verstaan.4 De gehoormedewerker heeft verder op verschillende punten en op verschillende manieren doorgevraagd tijdens het gehoor, bijvoorbeeld over hoe het voor eiser was om nu ook gevoelens voor vrouwen te ervaren.5
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom de seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig wordt geacht. Hetgeen eiser in beroep naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
16. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Gambia een reëel risico loopt vanwege zijn biseksuele oriëntatie. Eiser verwijst hierbij naar verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).6
17. De rechtbank is van oordeel dat, nu de minister de seksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig heeft mogen vinden, de minister niet hoeft aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Gambia als gevolg van die gestelde gerichtheid te vrezen heeft voor
2 Gehoor opvolgende aanvraag van 21 oktober 2025, pagina 6.
3 Idem, pagina 2.
4 Idem, pagina’s 15 en 16.
5 Idem, pagina’s 5, 6, en 10.
6 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 2 december 2014 in de gevoegde zaken C-148 tot en met C-150/13, ECLI:EU:C:2014:2406 en het arrest van het Hof van 7 november 2013 in de gevoegde zaken C-199/12 tot en met C-201/12, ECLI:EU:C:2012:720.
vervolging of een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft verder geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit blijkt dat er bij terugkeer sprake is van een risico op schending van artikel 3 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Het inreisverbod en artikel 8 van het EVRM
18. Eiser voert aan dat hij sinds 2021 een duurzame relatie heeft met zijn partner [persoon2] . Eiser heeft privéleven opgebouwd. De minister heeft nagelaten om een actuele belangenafweging te maken zoals is vereist onder artikel 8 van het EVRM. Gezien eisers sociale inbedding in Nederland én de risico’s die hij in Gambia loopt, is een inreisverbod van twee jaar disproportioneel.
19. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit uiteen heeft gezet dat de in de onderhavige procedure overgelegde stukken geen blijk geven van beschermingswaardig familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft deze motivering in beroep niet concreet bestreden. De rechtbank merkt hierbij op dat door eiser twee uur voor de zitting stukken heeft overgelegd die onderdeel zijn van het dossier aangaande zijn reguliere aanvraag voor verblijf bij partner [persoon2] . Deze stukken zijn zodanig laat ingediend, dat de rechtbank het betrekken van deze stukken in strijd acht met de goede procesorde. Bovendien is op de zitting naar voren gebracht dat de reguliere aanvraag van eiser is afgewezen.
20. Nu de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van beschermingswaardig familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, heeft de minister heeft in het bestreden besluit geen belangenafweging hoeven maken.7 De minister heeft op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, een inreisverbod moeten opleggen, nu er aan eiser in een eerdere procedure ook een terugkeerbesluit is opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
21. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
7 Zie in dit kader de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.