ECLI:NL:RBDHA:2026:9852

ECLI:NL:RBDHA:2026:9852

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer AWB 25/17059, AWB 25/18643, AWB 25/17071 en AWB 25/17085
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beroepen tegen beëindiging opvang in de Rotterdamse LVV. Meervoudige kamer. Bed-bad-brood. Concreet aanbod voor opvang in de VBL. Geen schending artikel 4 van het Handvest. Beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2026 in de zaken tussen

[naam eiser 1] ,

[naam eiser 2] ,

[naam eiser 3] ,

[naam eiser 4] ,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 25/17059, AWB 25/18643, AWB 25/17071 en AWB 25/17085

V-nummer: [V-nummer 1]

V-nummer: [V-nummer 2]

V-nummer: [V-nummer 3]

V-nummer: [V-nummer 4]

tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

(gemachtigden: mr. J.V. de Kort en mr. R.E. van Deijck).

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de opvang van eisers in de Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV) te Rotterdam. Eisers kregen tot 1 januari 2025 opvang in de Rotterdamse LVV. Deze opvang bestond in de kern uit bed, bad en brood. Eisers zijn het niet eens met de beëindiging van hun opvang. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de feitelijke opvang van eisers heeft kunnen beëindigen.

In totaal hebben 23 vreemdelingen beroep ingesteld tegen de beslissing om de LVV-opvang te beëindigen. Deze uitspraak ziet op de beroepen van vier vreemdelingen aan wie verweerder, na de beëindiging van de LVV-opvang, een concreet aanbod heeft gedaan voor opvang in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel. De rechtbank heeft vandaag ook uitspraak gedaan op de beroepen van zestien andere vreemdelingen aan wie geen concreet aanbod is gedaan voor opvang in de VBL. Die uitspraak staat geregistreerd onder zaaknummers AWB 25/17178 e.a. Voorts heeft de rechtbank vandaag uitspraak gedaan op het beroep van een vreemdeling van wie het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Die uitspraak is geregistreerd onder zaaknummer AWB 25/17183. De rechtbank heeft vandaag in nog twee ‘Rotterdamse LVV-zaken’ uitspraken gedaan, geregistreerd onder zaaknummers AWB 25/18125 en AWB 25/17145. In die zaken komt de rechtbank tot het oordeel dat die vreemdelingen geen procesbelang (meer) hebben bij het beroep.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vier beroepen ongegrond zijn en de bestreden besluiten (dus) in stand blijven. De beëindiging van de opvang van eisers is niet in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Hoewel eisers aannemelijk hebben gemaakt dat de beëindiging van hun LVV-opvang in beginsel in strijd komt met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), is verweerder er in geslaagd om alle twijfel daarover weg te nemen. Hiervoor is beslissend dat verweerder eisers een concreet alternatief voor opvang heeft aangeboden, namelijk een plek in de VBL en eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat die opvang voor hen niet geschikt of feitelijk niet toegankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij brieven van 8 oktober 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam namens verweerder aan eisers meegedeeld dat de opvang in de LVV zal worden beëindigd per 1 januari 2025 (beëindigingsbrieven).

Eisers hebben bezwaar tegen de beëindiging van hun opvang gemaakt. Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.

Bij uitspraken van 19 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:21486) en 9 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:223) heeft de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorzieningen te treffen toegewezen en bepaald dat verweerder ervoor moet zorgen dat eisers gebruik kunnen maken van 24-uurs (basis)opvangvoorzieningen tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij besluiten van 21 augustus 2025 en 12 september 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Wel heeft verweerder aan hen een concreet aanbod voor opvang in de VBL gedaan.

Eisers hebben allen tijdig afzonderlijk beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.

Bij uitspraak van 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:18589) heeft de voorzieningenrechter de verzoeken van eisers toegewezen en bepaald dat verweerder ervoor moet zorgen dat zij gebruik kunnen maken van 24-uurs (basis)opvangvoorzieningen tot vier weken na de uitspraak op de beroepen.

Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een algemeen verweerschrift en vier individuele verweerschriften.

Eisers hebben een reactie ingediend op het algemene verweerschrift. Daarnaast hebben eisers schriftelijk gereageerd op de individuele verweerschriften.

De rechtbank heeft de beroepen, tezamen de beroepen van de andere negentien vreemdelingen, op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, mr. W.G. Fischer. Aan de zijde van eisers zijn verder verschenen: [persoon A] , [persoon B] (Stichting ROS), [persoon C] en [persoon D] (NAS). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. J.V. de Kort en mr. R.E. van Deijck. Aan de zijde van verweerder zijn verder verschenen: [persoon E] (Ministerie van Asiel en Migratie), [persoon F] (Ministerie van Asiel en Migratie), [persoon G] (Immigratie en Naturalisatiedienst; IND), [persoon H] (Dienst Terugkeer en Vertrek; DT&V), [persoon I] (DT&V) en [persoon J] (Centraal Orgaan opvang asielzoekers; COa).

Inleiding

3. De LVV is als een pilot gestart in 2019 en is een landelijk netwerk van begeleidings- en opvangvoorzieningen voor vreemdelingen zonder verblijfsrecht of recht op rijksopvang. De LVV staat ook wel bekend als de ‘bed, bad, brood-regeling’. Vreemdelingen ontvangen hierbij onderdak, voedsel, de mogelijkheid zich te wassen en een toelage (leefgeld). De LVV is een samenwerkingsverband tussen de Rijksoverheid en de gemeenten Amsterdam, Eindhoven, Groningen, Utrecht en Rotterdam. Dit samenwerkingsverband is tot stand gekomen na de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de toenmalige staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de rechtsvoorganger van verweerder) overeengekomen Samenwerkingsafspraken Landelijke Vreemdelingen Voorzieningen (ondertekend op 29 november 2018). In Rotterdam werd de opvang in de LVV uitgevoerd door Stichting ROS en het Leger des Heils.

4. Verweerder heeft op 5 september 2024 per kamerbrief kenbaar gemaakt dat de LVV per 1 januari 2025 zal worden beëindigd. Verweerder heeft vervolgens op 10 september 2024 het Convenant met de gemeente Rotterdam opgezegd per 1 januari 2025. Bij Besluit van 29 november 2024 heeft verweerder bepaald dat het Mandaatbesluit en machtiging LVV met ingang van 1 januari 2025 wordt ingetrokken.

5. Bij de beëindigingsbrieven van 8 oktober 2024 zijn eisers geïnformeerd dat hun opvang in de LVV per 1 januari 2025 wordt beëindigd. Eisers hebben tegen de beëindiging van de LVV-opvang per 1 januari 2025 – hetgeen is aan te merken als een feitelijke handeling zoals bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) – bezwaar gemaakt.

De bestreden besluiten

6. Met de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de beëindiging van de LVV-opvang ongegrond verklaard. Aan de bestreden besluiten heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. De LVV-opvang vond plaats op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid. Bovendien is de LVV-voorziening als tijdelijke pilot ingevoerd. Eisers konden dus weten dat de LVV op enig moment zou eindigen en dat zij dan de opvang zouden moeten verlaten. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) volgt dat lidstaten in beginsel niet verplicht zijn om woonruimte of medische en sociale voorzieningen aan te bieden aan vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf of recht op rijksopvang. Beëindiging van de LVV-opvang leidt volgens verweerder niet tot schending van artikel 4 van het Handvest. Dit artikel wordt slechts geschonden indien sprake is van onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat ten aanzien van een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, die buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen om terecht zou komen in een toestand van verregaande materiële deprivatie. Daarvan is in Nederland geen sprake. Met het in Nederland bestaande stelsel wordt voldaan aan de minimumvereisten die worden gesteld door het Hof van Justitie en het EHRM om schending van artikel 4 van het Handvest te voorkomen. Vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf of recht op rijksopvang kunnen namelijk opvang krijgen in de VBL in Ter Apel, mits zij besluiten mee te werken aan hun terugkeer. Het vereiste dat de vreemdeling mee moet werken aan zijn vertrek is volgens verweerder niet in strijd met het Unierecht en Hofjurisprudentie. Dat is alleen anders als de vreemdeling de gevolgen van zijn handelen of nalaten niet zou kunnen overzien. Daarnaast bestaat er voor die vreemdelingen de mogelijkheid een buiten-schuldvergunning aan te vragen, kan er worden verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en voorziet artikel 10, tweede lid, van de Vw in een aanspraak op medisch noodzakelijke zorg. Dit tezamen vormt een dekkend stelsel waardoor vreemdelingen zonder verblijfsrecht of recht op rijksopvang niet buiten hun wil en persoonlijke keuzen om in een situatie in strijd met artikel 4 van het Handvest terecht zullen komen. Met de LVV heeft Nederland tijdelijk – onverplicht – méér voorzieningen geboden dan waartoe het Unierecht of de verdragen verplichten. Met de beëindiging van de LVV worden daarom geen Unierechtelijke of verdragsverplichtingen geschonden.

7. Verweerder heeft in de bestreden besluiten aan eisers een alternatieve opvangplek in de VBL aangeboden, omdat zij voldoende medewerking verlenen aan hun terugkeer, de gevolgen van hun handelen of nalaten niet overzien dan wel het voordeel van de twijfel op één van deze punten krijgen.

Beroepsgronden

8. Eisers stellen dat de grondslag voor de besluiten tot beëindiging van de opvang rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht, en dan met name de Terugkeerrichtlijn. Volgens eisers spreekt verweerder daarom ten onrechte van feitelijke handelingen in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw. Voorts voeren eisers aan dat in deze beroepsprocedures enkel de feiten en omstandigheden ten tijde van de feitelijke beëindiging van de opvang op 1 januari 2025 van belang zijn. Al hetgeen verweerder in de bezwaarfase aanvullend heeft betrokken, zoals het aanbod tot opvang in de VBL, is daarom niet relevant. Als verweerder alsnog onderdak wil bieden aan eisers, dan dient hij de primaire besluiten te herroepen en nieuwe besluiten te nemen. Eisers voeren verder – samengevat – aan dat de bestreden besluiten onrechtmatig zijn, omdat verweerder daarmee haar zorgplicht ten opzichte van hen heeft geschonden. Door het wegvallen van de 24-uursopvang die de LVV biedt wordt de ondergrens van artikel 4 van het Handvest, zoals geformuleerd in het Changu-arrest van het Hof van Justitie, niet meer gehaald. Eisers vrezen buiten hun wil en persoonlijke keuzen om op straat terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Zij zullen dan niet langer kunnen voorzien in hun meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over onderdak. Verweerder heeft eisers weliswaar opvang in de VBL aangeboden, maar heeft niet voor ieder van hen individueel bezien of de VBL geschikt is en of hij feitelijk toegang heeft tot de VBL. Eisers betwijfelen of de VBL voldoende zorgmogelijkheden kent. Daarbij blijkt uit informatie van het COa dat de VBL overbelast is; niet iedereen zal daar dus terecht kunnen. In die zin is de VBL dus een louter theoretisch aanbod.

Standpunt verweerder naar aanleiding van het beroep

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beëindigingsbrieven van 8 oktober 2024 kunnen worden opgevat als feitelijke handelingen in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw, en dat eisers daartegen dus bezwaar hebben kunnen maken en beroep hebben kunnen instellen. Verder stelt verweerder dat terecht in de bezwaarprocedure een ex nunc-beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van de op dat moment geldende feiten en omstandigheden. Tot slot handhaaft verweerder zijn in de betreden besluiten ingenomen standpunt dat de beëindiging van de opvang in de LVV in het geval van eisers niet in strijd is met artikel 4 van het Handvest.

Juridisch kader

10. Op grond van zowel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als artikel 4 van het Handvest mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De twee artikelen corresponderen met elkaar, wat gelet op artikel 52, derde lid, van het Handvest betekent dat deze bepalingen dezelfde inhoud en reikwijdte hebben. Hoewel de jurisprudentie van het EHRM in beginsel alleen naar artikel 3 van het EVRM verwijst en de jurisprudentie van het Hof van Justitie alleen naar artikel 4 van het Handvest, behelzen beide artikelen dus hetzelfde absolute verbod op onmenselijke en vernederende behandeling. Waar de rechtbank in het vervolg verwijst naar één van de twee artikelen, kan dus het andere artikel worden ingelezen.

Uit het arrest Changu van het Hof van Justitie volgt, voor zover van belang, dat zolang verwijdering van de betrokken derdelander niet heeft plaatsgevonden, de lidstaat:

moet zorgen voor dringende medische zorg en rekening moet houden met speciale behoeften van kwetsbare personen;

het uit artikel 4 van het Handvest voortvloeiende verbod van onmenselijke of vernederende behandeling in acht moet nemen.

Van een onmenselijke of vernederende behandeling is sprake wanneer een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt, wat afhangt van alle gegevens van de zaak. Dit volgt onder andere uit het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland.

Hiervan is volgens de arresten Changu en Jawo sprake wanneer de onverschilligheid van de lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire levensbehoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn mentale/fysieke gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.

In het arrest Changu heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat de artikelen 1, 4 en 7 van het Handvest, gelezen in samenhang met richtlijn 2008/115 (de Terugkeerrichtlijn), aldus moeten worden uitgelegd dat, zolang verwijdering nog niet heeft plaatsgevonden, de derdelander zich kan beroepen op de rechten die hem zowel door het Handvest als door artikel 14, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn worden gewaarborgd.

Beoordeling door de rechtbank

Het geschil

11. Vast staat dat de LVV als programma waarbij zowel opvang als andere voorzieningen aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen werd verleend, is beëindigd op 1 januari 2025. Het mandaat dat is verleend aan de gemeente Rotterdam is ingetrokken en het convenant is beëindigd. De beëindiging van de LVV als samenwerkingsverband maakt geen deel uit van het onderhavige geschil. Het geschil gaat over de rechtmatigheid van de feitelijke beëindiging van de opvang van eisers. Meer specifiek toetst de rechtbank of het beëindigen van de LVV-opvang van eisers in strijd is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.

Publiekrechtelijke grondslag

12. De rechtbank stelt vast dat eisers, doordat de beëindiging van de LVV-opvang door verweerder is opgevat als feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw, gebruik hebben kunnen maken van het recht om tegen de beëindiging van de opvang bezwaar te maken. Tegen de beslissing op bezwaar hebben zijn vervolgens beroep kunnen instellen. Zij hebben dus ten volle gebruik kunnen maken van hun recht op rechtsbescherming. Het klopt verder dat, zoals eisers stellen, de Nederlandse Vreemdelingenwet niet alleen de rechten van eisers bepaalt. Eisers vallen immers onder de Terugkeerrichtlijn en kunnen verder rechten ontlenen aan het Handvest en het EVRM. Verweerder heeft hier ook kenbaar aan getoetst in de bestreden besluiten. De wijze waarop verweerder dat heeft gedaan zal hierna worden beoordeeld door de rechtbank. De beroepsgrond over de publiekrechtelijke grondslag treft gezien het voorgaande in ieder geval geen doel.

Datum in geding

13. De rechtbank is het met eisers eens dat de beëindigingsbrieven van 8 oktober 2024 slechts een zeer beknopte toelichting bevatten. Verweerder heeft in die brieven geen (of in ieder geval niet kenbaar) rekening gehouden met de individuele omstandigheden van eisers. Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt er in bezwaar echter een heroverweging van het primaire besluit plaats. Dit betekent dat er op dat moment een ex-nunc beoordeling plaatsvindt, waarbij dus in beginsel rekening dient te worden gehouden met de feiten en omstandigheden op het moment van de heroverweging in bezwaar. Hierbij mag verweerder aanvullend of anders motiveren dan in het primaire besluit is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voorgaande dat verweerder wel degelijk ook feiten en omstandigheden van na de beëindigingsbrieven mocht betrekken bij de beoordeling in bezwaar en in de bestreden besluiten ook een aanvullende motivering mocht geven. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Bewijslastverdeling

14. De rechtbank leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat in zaken waarin er een beroep wordt gedaan op artikel 3 van het EVRM het in eerste instantie aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij/zij in een situatie zal belanden die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Als een schending van artikel 3 van het EVRM door de vreemdeling aannemelijk is gemaakt, dan is het aan verweerder om daarover alle twijfels weg te nemen. Artikel 3 van het EVRM heeft immers een absoluut karakter. Lidstaten kunnen de verplichtingen die uit dit artikel en daarmee ook uit artikel 4 van het Handvest voortvloeien, niet naast zich neer leggen.

Hebben eisers aannemelijk gemaakt dat beëindiging van de LVV-opvang in strijd is met artikel 4 van het Handvest?

15. De rechtbank leidt uit de dossiers af dat eisers zich allen kenmerken door (een meer of mindere mate van) lichamelijke, psychische, cognitieve en/of sociale kwetsbaarheid en, mede als gevolg daarvan, een gebrek aan voldoende zelfredzaamheid. Dit is ook (mede) de reden geweest dat zij (soms al jaren), naast begeleiding bij terugkeer, opvang in de LVV hebben gehad. Verder beschikken zij niet of nauwelijks over een sociaal netwerk waarop zij een beroep kunnen doen en mogen zij – overigens net als alle onrechtmatig verblijvende vreemdelingen – niet werken en hebben zij geen recht op sociale voorzieningen. Deze combinatie van omstandigheden maakt dat eisers allen volledig afhankelijk zijn van de overheid voor hun meest elementaire levensbehoeften: eten, zich wassen en beschikken over woonruimte. Verweerder heeft dit een en ander niet betwist. Dit betekent dat zij zeer waarschijnlijk op straat zullen belanden en verstoken zullen blijven van overige elementaire levensbehoeften (eten en wassen) als verweerder geen alternatieve opvangvoorziening aanbiedt. Hiermee hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aannemelijk gemaakt dat zij, gezien hun kwetsbare positie, als gevolg van de beëindiging van de LVV-opvang terecht zullen komen in een situatie die onder de ondergrens van artikel 4 van het Handvest zakt.

Het is vervolgens, gelet op de hiervoor genoemde bewijslastverdeling, aan verweerder om – voor ieder van eisers – alle twijfel over schending van artikel 4 van het Handvest weg te nemen. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder aan die bewijslast heeft voldaan.

Heeft verweerder elke twijfel over schending van artikel 4 van het Handvest weggenomen?

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie en het EHRM en in het bijzonder uit het arrest Changu volgt dat het aan de lidstaat is om te voorkomen dat mensen die op het grondgebied van de lidstaat verblijven zich in een door artikel 4 van het Handvest verboden situatie bevinden. Dat in de Nederlandse Vreemdelingenwet illegaal verblijvende vreemdelingen op grond van het Koppelingsbeginsel (artikel 10, eerste lid, van de Vw) worden uitgesloten van verstrekkingen en voorzieningen, ontslaat verweerder niet van die (Unierechtelijke) verplichting. Voor de onderhavige zaken houdt dit concreet in dat verweerder ten opzichte van eisers de zorgplicht heeft om zich ervan te vergewissen dat de beëindiging van de opvang in de LVV niet tot gevolg heeft dat zij, buiten hun wil en persoonlijke keuzen om, terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hen niet in staat stelt te voorzien in de meest elementaire levensbehoeften of hen in een toestand brengt die onverenigbaar is met de in artikel 1 van het Handvest beschermde menselijke waardigheid.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet verweerder aan zijn bewijslast indien hij aannemelijk maakt en deugdelijk motiveert dat eisers na de beëindiging van de opvang in de LVV nog altijd in de meest elementaire levensbehoeften kunnen voorzien. Dit kan hij bijvoorbeeld doen door ten aanzien van ieder van eisers op individuele basis deugdelijk te motiveren dat hij/zij in zijn elementaire levensbehoeften kan voorzien, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een bestaand sociaal vangnet. Ook kan verweerder dit doen door het aanbieden van een alternatieve opvangvoorziening, die in elk geval bestaat uit onderdak, de gelegenheid tot wassen en voldoende eten en drinken (bed-bad-brood). Dit hoeft in beginsel geen opvang te zijn die gelijkwaardig is aan de eerder geboden opvang in de LVV.

In het geval van eisers heeft verweerder in de bestreden besluiten een concreet aanbod gedaan voor opvang in de VBL. Uit de dossiers blijkt verder dat verweerder in de bezwaarfase actief contact heeft gezocht met een aantal eisers om de overdracht naar de VBL vorm te geven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met dit concrete aanbod in beginsel aannemelijk heeft gemaakt dat eisers door de beëindiging van hun LVV-opvang niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zullen komen te verkeren. In de VBL hebben eisers immers de beschikking over de meest elementaire levensbehoeften: bed, bad en brood.

De rechtbank ziet in wat eisers in beroep hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de voorzieningen in de VBL dusdanig ongeschikt zijn voor eisers vanwege hun medische of andere omstandigheden dat niet aan de minimumvereisten wordt voldaan. In de VBL is medische zorg beschikbaar en volgens verweerder kan zo nodig elders behandeling worden verkregen, ook buiten de gemeentegrenzen van Westerwolde. Voor zover eisers tijdens hun verblijf in de LVV een beroep hebben gedaan op zorg- en hulpverlening in de regio Rotterdam, laat dat onverlet dat de zorgmogelijkheden bij een verblijf in de VBL voldoende toereikend zijn om een situatie in strijd met artikel 4 van het Handvest te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers verder niet aannemelijk gemaakt dat de VBL voor hen feitelijk niet toegankelijk is vanwege onvoldoende capaciteit. Hierbij is van belang dat ter zitting door [persoon J] , locatiemanager van de VBL, uitdrukkelijk is bevestigd dat er voldoende opvang voor eisers beschikbaar is in de VBL. Toegelicht is dat er 235 opvangplekken zijn in de VBL, waarvan er 170 plekken bezet zijn. De heer [persoon J] heeft bovendien ter zitting nog toegelicht dat, mocht er onverhoopt toch geen plek zijn voor eisers in de VBL, er alternatieve opvang zal worden geregeld of andere vreemdelingen zullen worden overgeplaatst zodat er alsnog een plek beschikbaar komt in de VBL. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze mededelingen en toezegging te twijfelen.

Concluderend overweegt de rechtbank als volgt. Met het aan eisers in de bestreden besluiten gedane concrete aanbod voor opvang in de VBL heeft verweerder ten aanzien van ieder van eisers alle twijfel over een schending van artikel 4 van het Handvest weggenomen. De VBL voldoet aan de minimumnormen om een schending van artikel 4 van het Handvest te voorkomen. De hiertoe aangevoerde beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

17. De beroepen zijn gezien het voorgaande ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, voorzitter, en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. C.E. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?