ECLI:NL:RBDHA:2026:9855

ECLI:NL:RBDHA:2026:9855

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 09/292323-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor drie diefstallen in vereniging door middel van braak en een poging tot diefstal door middel van braak, eveneens in vereniging. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 148 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en middelencontrole. Daarnaast oplegging van een taakstraf van 100 uren. Opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van de benadeelde partij. Gedeeltelijke hoofdelijke toewijzing van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.907,08, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/292323-25

Datum uitspraak: 24 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.S. de Gram naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 20 september 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een doos Kinderbueno, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan brasserie [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming;

2

hij in de periode van 11 oktober 2025 tot en met 12 oktober 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, snoepgoed, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming;

3

hij op of omstreeks 1 november 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wisselgeld ter waarde van ongeveer 100 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan cafetaria [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming;

4

hij op of omstreeks 1 november 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om goed/goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Rijswijkse Schouwburg, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming, een raam (in een deur) heeft geforceerd en/of de Rijswijkse Schouwburg is binnengeklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsbeslissing

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezenverklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025367866, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 179).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 april 2026;

Ten aanzien van feit 1

2. Het proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , opgemaakt op 25 september 2025 (p. 18);

Ten aanzien van feit 2

3. Het proces-verbaal van aangifte [aangever 1] , opgemaakt op 16 oktober 2025 (p. 27);

Ten aanzien van feit 3

4. Het proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , opgemaakt op 1 november 2025 (p. 24);

Ten aanzien van feit 4

5. Het proces-verbaal van aangifte [aangever 4] , opgemaakt op 1 november 2025 (p. 21).

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 20 september 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, enig goed, dat aan brasserie [bedrijf 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2

hij in de periode van 11 oktober 2025 tot en met 12 oktober 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, snoepgoed, dat aan [aangever 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

3

hij op 1 november 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, enig goed, dat aan cafetaria [bedrijf 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

4

hij op 1 november 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om enig goed dat geheel of ten dele aan Rijswijkse Schouwburg, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 178 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en meewerken aan middelencontrole. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en daarnaast geen voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf meer op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen in vereniging door middel van braak en een poging tot diefstal door middel van braak, eveneens in vereniging. De verdachte heeft daarmee geen respect getoond voor het eigendom van anderen. Deze (poging tot) diefstallen hebben geleid tot hinder en financiële schade voor verschillende ondernemers.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 april 2026. Hoewel de verdachte een uitgebreid justitieel verleden heeft, is hij afgezien van een vermogensdelict met betrekking tot een brom-/snorfiets niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

De op te leggen straffen

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en met de bijzondere voorwaarden zoals geëist door de officier van justitie. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 148 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en meewerken aan middelencontrole passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 100 uur passend en geboden.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.564, -, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 3.714, - aan materiële schade (€ 1.613, - noodvoorziening ruit en ruit opnieuw plaatsen, € 101, - kapotte kassalade, € 2.000, - omzet en startkas gestolen) en € 850, - aan immateriële schade (nieuw personeel moeten werven en trainen).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.613, - (noodvoorziening ruit en ruit opnieuw plaatsen), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering is ingediend door de natuurlijke persoon [aangever 2] en hij geen benadeelde partij is. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.613, - (noodvoorziening ruit en ruit opnieuw plaatsen), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Het oordeel van de rechtbank

Niet-ontvankelijkheid

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de rechtbank niet kan vaststellen dat de gevorderde schade van de benadeelde partij ziet op het onder 1 bewezenverklaarde feit. De factuur ziet immers op ruitschade, terwijl in de aangifte wordt verklaard dat men is binnengekomen via een deur. Er werd geen melding gemaakt van een gebroken ruit. Ook van de andere gevorderde posten kan de rechtbank niet vaststellen dat deze zien op het onder 1 bewezenverklaarde feit van 20 september 2025. De factuur vermeldt ook niet wanneer de noodvoorziening werd getroffen.

Proceskosten

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert hoofdelijk een schadevergoeding van € 4.705,68, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade (€ 2.694,77 raam, € 450, - schoonmaak, € 1.167,53 handheld kassa, € 81,91 flessen sterke drank, € 4,98 flesjes sportdrank, € 9,48 gebak, € 7,90 snoeprepen en € 289,11 Westvlietbewaking).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, namelijk dat de BTW van de facturen moet worden afgetrokken en de vordering voor het overige kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien [aangever 1] de vordering heeft ingediend namens de eenmanszaak [bedrijf 3] met het KVK-nummer [nummer 1] . Op de factuur van het glas en de schoonmaak staat op het KVK-nummer [nummer 2] van [vereniging] , een Vereniging, en niet het KVK-nummer van de eenmanszaak van [aangever 1] . Subsidiair heeft de verdediging verzocht tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, namelijk door de BTW van de onderbouwende facturen af te halen.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat [aangever 1] de gevorderde schadeposten - raam, schoonmaak, handheld kassa, flessen sterke drank, flesjes sportdrank, gebak, snoeprepen en Westvlietbewaking - voldoende heeft onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. Dat de tenaamstelling van enkele facturen niet overeenkomt met de eenmanszaak van de benadeelde partij, maakt dit niet anders. De rechtbank zal een lager bedrag toewijzen dan gevorderd, omdat de benadeelde partij bij een aantal schadeposten nog niet de BTW in mindering heeft gebracht. De rechtbank zal daarom een bedrag toewijzen ter grootte van € 3.907,08, bestaande uit de volgende posten: € 2.227,08 raam, € 371,90 schoonmaak, € 964,90 handheld kassa, € 81,91 flessen sterke drank, € 4,98 flesjes sportdrank, € 9,48 gebak, € 7,90 snoeprepen en € 238,93 Westvlietbewaking.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 11 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.907,08, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 1] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van feit 4:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 148 (HONDERDACHTENVEERTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 60 (ZESTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, [adres 2] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 100 (HONDERD) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 50 (VIJFTIG) DAGEN;

voorlopige hechtenis;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] ;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.907,08 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

de schadevergoedingsmaatregel [aangever 1] ;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.907,08, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 39 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.J. van de Griend, voorzitter,

mr. F.C. Berg, rechter,

mr. T.A.B. Mentink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.J. van de Griend
  • mr. F.C. Berg
  • mr. T.A.B. Mentink

Griffier

  • mr. S.A.E. Tesson

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?