RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/17183
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en
(gemachtigden: mr. J.V. de Kort en mr. R.E. van Deijck).
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de opvang van eiser in de Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV) te Rotterdam. Eiser kreeg tot 1 januari 2025 opvang in de Rotterdamse LVV. Deze opvang bestond in de kern uit bed, bad en brood. Eiser is het niet eens met de beëindiging van zijn opvang. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het ten aanzien van eiser genomen besluit.
In totaal hebben 23 vreemdelingen beroep ingesteld tegen de beslissing om de LVV-opvang te beëindigen. Deze uitspraak ziet op het beroep van een vreemdeling van wie het bezwaar tegen de beëindiging van zijn LVV-opvang niet-ontvankelijk is verklaard door verweerder. De rechtbank heeft vandaag ook uitspraak gedaan op de beroepen van zestien vreemdelingen aan wie verweerder, na de beëindiging van de opvang, geen concreet aanbod heeft gedaan voor opvang in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) in Ter Apel. Die uitspraak is geregistreerd onder zaaknummers AWB 25/17178 e.a. Verder is vandaag uitspraak gedaan op de beroepen van vier andere vreemdelingen aan wie wel een concreet aanbod is gedaan voor opvang in de VBL. Die uitspraak is geregistreerd onder zaaknummers AWB 25/17059 e.a. De rechtbank heeft vandaag in nog twee andere ‘Rotterdamse LVV-zaken’ uitspraken gedaan, geregistreerd onder zaaknummers AWB 25/18125 en AWB 25/17145. In die zaken komt de rechtbank tot het oordeel dat die vreemdelingen geen procesbelang (meer) hebben bij het beroep.
In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat eiser wel degelijk procesbelang had bij zijn bezwaar tegen de beëindiging van zijn opvang in de LVV. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij brief van 8 oktober 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam namens verweerder aan eiser meegedeeld dat de opvang in de LVV zal worden beëindigd per 1 januari 2025 (beëindigingsbrief).
Eiser heeft bezwaar tegen de beëindiging van zijn opvang gemaakt. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 19 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:21486) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van (onder andere) eiser toegewezen en bepaald dat verweerder ervoor moet zorgen dat eiser gebruik kan maken van 24-uurs (basis)opvangvoorzieningen tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Bij besluit van 21 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:18589) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van (onder andere) eiser toegewezen en bepaald dat verweerder ervoor moet zorgen dat hij gebruik kan maken van 24-uurs (basis)opvangvoorzieningen tot vier weken na de uitspraak op de beroepen.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een algemeen verweerschrift en een individueel verweerderschrift dat specifiek ziet op eiser.
Eiser heeft een reactie ingediend op het algemene verweerschrift. Daarnaast heeft eiser schriftelijk gereageerd op het individuele verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de beroepen van de andere 22 vreemdelingen, op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. W.G. Fischer. Aan de zijde van eiser zijn verder verschenen: [persoon A] , [persoon B] (Stichting ROS), [persoon C] en [persoon D] (NAS). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. J.V. de Kort en mr. R.E. van Deijck. Aan de zijde van verweerder zijn verder verschenen: [persoon E] (Ministerie van Asiel en Migratie), [persoon F] (Ministerie van Asiel en Migratie), [persoon G] (Immigratie en Naturalisatiedienst; IND), [persoon H] (Dienst Terugkeer en Vertrek; DT&V), [persoon I] (DT&V) en [persoon J] (Centraal Orgaan opvang asielzoekers; COa).
Inleiding
3. De LVV is als een pilot gestart in 2019 en is een landelijk netwerk van begeleidings- en opvangvoorzieningen voor vreemdelingen zonder verblijfsrecht of recht op rijksopvang. De LVV staat ook wel bekend als de ‘bed, bad, brood-regeling’. Vreemdelingen ontvangen hierbij onderdak, voedsel, de mogelijkheid zich te wassen en een toelage (leefgeld). De LVV is een samenwerkingsverband tussen de Rijksoverheid en de gemeenten Amsterdam, Eindhoven, Groningen, Utrecht en Rotterdam. Dit samenwerkingsverband is tot stand gekomen na de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de toenmalige staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de rechtsvoorganger van verweerder) overeengekomen Samenwerkingsafspraken Landelijke Vreemdelingen Voorzieningen (ondertekend op 29 november 2018). In Rotterdam werd de opvang in de LVV uitgevoerd door Stichting ROS en het Leger des Heils.
4. Verweerder heeft op 5 september 2024 per kamerbrief kenbaar gemaakt dat de LVV per 1 januari 2025 zal worden beëindigd. Verweerder heeft vervolgens op 10 september 2024 het Convenant met de gemeente Rotterdam opgezegd per 1 januari 2025. Bij Besluit van 29 november 2024 heeft verweerder bepaald dat het Mandaatbesluit en machtiging LVV met ingang van 1 januari 2025 wordt ingetrokken.
5. Bij de beëindigingsbrief van 8 oktober 2024 is eiser geïnformeerd dat de opvang in de LVV per 1 januari 2025 wordt beëindigd. Eisers heeft tegen de beëindiging van de LVV-opvang per 1 januari 2025 – hetgeen is aan te merken als een feitelijke handeling zoals bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) – bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
6. Verweerder heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser op 8 november 2024 klinisch was opgenomen in Antes Kliniek Rotterdam Alexander en hij dus voor de beëindiging van de LVV op 1 januari 2025 al geen gebruik meer maakte van de LVV-opvang. In verband met de klinische opname is aan eiser uitstel van vertrek verleend tot 8 november 2025 op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 en had eiser rechtmatig verblijf. De beëindiging van de LVV-opvang had voor eiser dus geen feitelijke betekenis. Volgens verweerder ontbrak daarom ten tijde van het bestreden besluit procesbelang.
Beroepsgronden
7. Eiser voert aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hiertoe stelt hij dat de feiten die zijn weergegeven in het bestreden besluit niet juist zijn. Eiser verblijft namelijk al geruime tijd weer in de LVV-opvang. Hij is daar meteen weer teruggekeerd na ontslag uit de kliniek. Er was daarom wel sprake van procesbelang.
Standpunt verweerder
8. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft bij zijn beroep en verzoekt de rechtbank daarom het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens verweerder is niet relevant dat eiser inmiddels weer in de LVV-opvang verblijft op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2025, omdat hij beslissend vindt dat eisers verblijf in de LVV al was geëindigd voor de beëindiging van de LVV op 1 januari 2025. Subsidiair stelt verweerder dat terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang in beroep
9. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn (primaire) standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat eiser geen procesbelang heeft.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat procesbelang het belang is dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft in beginsel belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
Niet in geschil is dat eisers klinische opname is geëindigd, dat hij op dit moment feitelijk (weer) gebruik maakt van de opvang in de LVV en dat hij wenst dat die opvang wordt voortgezet. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de beëindiging van de LVV-opvang. Het beroep is dus ontvankelijk. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
10. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zij overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser op 1 januari 2025 niet in de LVV-opvang verbleef, omdat hij in een kliniek was opgenomen. De conclusie die verweerder hieraan verbindt, namelijk dat de beëindiging van de opvang in de LVV per 1 januari 2025 geen feitelijke betekenis had voor eiser, kan niet worden gevolgd. Eiser heeft immers toegelicht dat hij altijd het plan had om na de klinische opname terug te keren naar de opvang in de LVV. Naar gesteld had eiser hier ook toezeggingen over ontvangen. Hoewel niet valt vast te stellen in hoeverre en door wie die toezeggingen zijn gedaan, acht de rechtbank wel aannemelijk dat die zijn gedaan, alleen al omdat eiser na zijn klinische opname daadwerkelijk feitelijk is teruggekeerd naar de opvang in de LVV. Verder is van belang dat ter zitting namens eiser is toegelicht dat eiser – los van onderdak – tijdens de opvang in de LVV ook gebruik maakt van begeleiding die wordt geboden door of via onder andere Stichting ROS. Beëindiging van de opvang heeft dus ook tot gevolg dat de aanvullende begeleiding stopt voor eiser. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiser ten tijde van het bestreden besluit wel degelijk belang had bij beoordeling van de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang per 1 januari 2025, zodat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat het in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder dient bij het nieuw te nemen besluit ook rekening te houden met de uitspraken van vandaag van deze rechtbank en zittingsplaats, AWB 25/17178 e.a. en AWB 25/17059 e.a. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.
De rechtbank acht het nodig om op grond artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verweerder ervoor zorgdraagt dat de huidige, op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2025 aan eiser geboden opvang gecontinueerd wordt op kosten van verweerder tot vier weken na het nieuwe besluit op het bezwaar van eiser.
Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De rechtbank kent geen punt toe voor het verschijnen ter zitting. De zaak is op de zitting behandeld tegelijk met de zestien LVV-beroepen die de rechtbank bij uitspraak van vandaag, AWB 25/17178 e.a., gegrond heeft verklaard en in die uitspraak is reeds een vergoeding toegekend vanwege de aanwezigheid van eiser gemachtigde ter zitting.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 augustus 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- treft op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening inhoudende dat verweerder ervoor zorgdraagt dat de huidige opvang van eiser gecontinueerd wordt op kosten van verweerder tot vier weken na het nieuwe besluit op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, voorzitter, en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. C.E. Bos, leden, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.