[eiser] , eiser,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).
Inleiding
1. Eiser heeft op 5 maart 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2025 buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft dat beroep met de uitspraak van 17 juli 2025 gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Verweerder heeft vervolgens met het bestreden besluit van 11 december 2025 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft op 18 december 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek ingediend tot het treffen van voorlopige voorziening.
Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat betrekt de rechtbank bij haar beoordeling?
2. Eiser is geboren op [datum] 1988 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft eerder, op 3 juni 2021, een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de criminele organisatie die aan hem en zijn schoonfamilie drugs hebben geleverd om naar Nederland te vervoeren. Eiser is bedreigd door zijn schoonfamilie, omdat zij hem verwijten dat zijn schoonvader en zwager, samen met hemzelf, in 2019 in Nederland zijn opgepakt en veroordeeld vanwege het vervoeren van drugs. Daarnaast heeft eiser aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en in Suriname vreest voor discriminatie. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 19 april 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Volgens verweerder is eisers homoseksuele gerichtheid geloofwaardig, maar volgt daaruit niet dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging. De gestelde bedreiging door eisers schoonfamilie vindt verweerder niet geloofwaardig. Bij de afwijzing van de aanvraag heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en hem een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd. Het beroep tegen dit besluit is op 16 december 2024 gegrond verklaard door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, met instandlating van de rechtsgevolgen. Met de ongegrondverklaring van het hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 10 februari 2025 is het besluit in rechte vast komen te staan.
Op 5 maart 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vreest voor problemen met zijn familie. Dit vanwege zijn echtscheiding, zijn homoseksuele geaardheid, zijn afvalligheid van het hindoeïsme en zijn bekering tot het Jehova geloof. Vanwege zijn aanhouding in 2019 vreest hij voor de drugsbende en zijn veiligheid in Suriname. De Surinaamse politie en douane werken namelijk samen met drugsorganisaties.
Wat staat er in het bestreden besluit?
3. Verweerder heeft eisers opvolgende asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Daarbij heeft verweerder de volgende asielmotieven van het relaas als relevant aangemerkt:
Problemen met eisers familie wegens zijn echtscheiding;
Problemen met eisers familie wegens zijn bekering tot Jehova’s getuige.
De gestelde afvalligheid van het hindoeïsme wordt niet als zelfstandig asielmotief beoordeeld, omdat het motief voor en het moment van de afvalligheid niet duidelijk is te onderscheiden van de gestelde bekering tot Jehova’s getuige. Eisers homoseksuele geaardheid wordt niet meegenomen, omdat dit in zijn eerdere aanvraag is beoordeeld.
Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig.
De geloofwaardig bevonden asielmotieven worden door verweerder niet zwaarwegend genoeg bevonden. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Suriname geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Het eerste asielmotief, namelijk de problemen met eisers familie wegens zijn echtscheiding, is niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Voor wat betreft het tweede asielmotief erkent verweerder dat eiser mogelijk problemen zal krijgen met zijn familie wegens zijn geloof, maar verweerder vindt dit onvoldoende zwaarwegend om te spreken van een gegronde reden om te vrezen voor vervolging in Suriname in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Verweerder stelt zich ook op het standpunt dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eisers problemen met zijn familie wegens zijn echtscheiding zijn onvoldoende zwaarwegend om een dergelijk risico aan te nemen.
Verweerder heeft de asielaanvraag vervolgens afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw, omdat het een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Daarbij heeft verweerder gewezen op het op 19 april 2024 opgelegde terugkeerbesluit, waarin is opgenomen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en terug moet keren naar Suriname. Ook heeft verweerder gewezen op het op diezelfde datum opgelegde zware inreisverbod van 10 jaar.
Had verweerder eisers vrees voor de drugsbende als asielmotief moeten beoordelen?
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn vrees voor de drugsbende niet heeft aangemerkt als asielmotief. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag wilde hij hierover verklaren, maar werd hij afgekapt door de hoormedewerker. Hierdoor is hij dichtgeklapt, terwijl hij meer over dit motief had willen spreken. Dit klemt temeer omdat hij deze vrees juist heeft benoemd bij het indienen van de opvolgende asielaanvraag. Dat hij pas in de zienswijze naar aanleiding van het voornemen de naam heeft genoemd van de man die hem de koffers met drugs heeft gegeven en hem heeft begeleid naar het vliegveld, komt voort uit angst. Pas nu deze man is vermoord, durft hij over hem te spreken. Dit is ook niet geheel vreemd, omdat hieruit blijkt dat een afrekening in het criminele circuit zo is geschied. Verweerder had hem op dit punt (aanvullend) moeten horen.
De rechtbank constateert dat eiser bij het indienen van zijn opvolgende asielaanvraag op 5 maart 2025 zijn vrees voor de drugsbende niet naar voren heeft gebracht. Wel heeft eiser in de brief van 8 maart 2025, die is aangehecht bij de zienswijze tegen het voornemen tot het buiten behandeling laten van de aanvraag, kenbaar gemaakt dat hij bij eerdere gehoren niet uitgebreid de kans heeft gehad om te verklaren over zijn veiligheid in Suriname vanwege de aanhouding in 2019. Daarbij heeft hij zijn vrees voor de drugsorganisatie naar voren gebracht en verzocht om een interview om uit te leggen welke problemen hem te wachten staan in Suriname. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft hij naar voren gebracht dat de justitie in Suriname samenwerkt met drugsorganisaties. In reactie hierop heeft de hoormedewerker gezegd dat hij eiser duidelijk wil maken dat deze problemen reeds door de IND zijn beoordeeld en daarom wil vragen of er iets is dat hij nog niet eerder bij de IND kenbaar heeft gemaakt. Het onderwerp vrees voor de drugsbende is daarna niet meer aan bod gekomen in het gehoor. In de zienswijze van 8 december 2025 heeft eiser vervolgens naar voren gebracht dat hij onlangs nieuwe informatie heeft verzameld ten aanzien van zijn vrees voor de drugsbende en dat dit (opnieuw) dient te worden betrokken in de besluitvorming.
Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit gelet op het voorgaande onzorgvuldige voorbereid en niet deugdelijke gemotiveerd. Immers was het verweerder door de brief van 8 maart 2025 bekend dat eiser de kans wilde krijgen om te verklaren over zijn vrees voor de drugsbende. In de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Zwolle, is dit ook al overwogen. Desondanks heeft verweerder hem daartoe in het gehoor opvolgende aanvraag niet in de gelegenheid gesteld. Daarom slaagt deze beroepsgrond. Volledigheidshalve merkt de rechtbank daarbij op dat het (eventueel) opnieuw horen van eiser niet betekent dat daarmee vaststaat dat sprake is van een nieuw element of bevinding zoals bedoeld in Werkinstructie SUA “WI 2023/7 Opvolgende asielaanvragen”. Het is aan verweerder om daar naar aanleiding van het horen een standpunt over in te nemen en, indien wordt aangenomen dat daarvan sprake is, te onderzoeken wat dit betekent voor de beoordeling van de asielaanvraag.
Had verweerder eisers afvalligheid als zelfstandig asielmotief moeten beoordelen?
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn afvalligheid van het hindoeïsme niet als apart asielmotief heeft beoordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde afvalligheid niet als zelfstandig asielmotief beoordeeld hoeft te worden. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat sprake is van één proces en niet van twee duidelijk te onderscheiden fasen. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij door wil gaan als Jehova’s getuige en het Hindoe-geloof los wil laten. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat eiser, ook desgevraagd ter zitting, niet heeft kunnen toelichten wat het voor de beoordeling van de asielaanvraag had uitgemaakt als eisers afvalligheid apart van zijn bekering was beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder het zware inreisverbod moeten opheffen?
6. Eiser betwist dat verweerder het zware inreisverbod heeft kunnen handhaven. Ten onrechte heeft verweerder niet betrokken dat hij de drugs enkel heeft vervoerd omdat hij in het nauw werd gedreven door zijn schoonfamilie.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Daarbij betrekt zij dat eiser Nederland en de Europese Unie nog niet heeft verlaten en alleen al daarom niet aan de voorwaarden voor opheffing, zoals uiteengezet in artikel 6.5b, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoet. Wat eiser in dit kader heeft aangevoerd kan aan die conclusie niet afdoen. De beroepsgrond slaagt niet.
Wat is de conclusie?
7. Gelet op wat hiervoor in overweging 4.2 is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en komt voor vernietiging in aanmerking.
Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het in overweging 4.2 geconstateerde gebrek te herstellen. Hierbij is van belang dat toepassing van de bestuurlijke lus eraan kan bijdragen dat deze procedure sneller wordt afgerond. Dat herstellen kan, nadat eiser opnieuw is gehoord over zijn vrees voor de drugsbende, met een aanvullende motivering of voor zover nodig, met een nieuwe beslissing na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.E.L. Grooten, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.