RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.18083 (maatregel) en NL26.20584 (terugkeerbesluit en inreisverbod)
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2026 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op 29 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel is ook een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Ankomah. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst en de behandeling van het beroep aangehouden om partijen een nader standpunt te laten innemen. Partijen hebben op 14 april 2026 gereageerd.
Verweerder heeft op 16 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft op 17 april 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1984.
Waarover gaat deze uitspraak?
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of verweerder aan eiser een terugkeerbesluit heeft kunnen uitvaardigen en of verweerder aan eiser een maatregel heeft kunnen opleggen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De beroepen zijn ongegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Over bestreden besluit 1: het tergkeerbesluit en het inreisverbod
Heeft verweerder voldaan aan zijn informatieplicht?
3. Eiser voert aan dat uit het dossier niet blijkt of verweerder bij het terugkeerbesluit en inreisverbod een folder met vertaling heeft overgelegd. Het besluit kan daarom niet in stand blijven.
De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt hierover als volgt.
In artikel 12, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is bepaald dat de lidstaten op verzoek een schriftelijke of mondelinge vertaling verstrekken, in een taal die de betrokkene begrijpt of redelijkerwijze geacht kan worden te begrijpen, van de belangrijkste onderdelen van de in het eerste lid bedoelde besluiten in het kader van terugkeer, waaronder de informatie over de beschikbare rechtsmiddelen.
In het derde lid, laatste zin, is bepaald dat lidstaten algemene informatiebladen ter beschikking stellen waarin de belangrijkste onderdelen van het standaardformulier worden toegelicht in ten minste vijf van de talen die het meest worden gebruikt of het best worden begrepen door illegale immigranten die de betrokken lidstaat binnenkomen.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat aan eiser bij de uitvaardiging van het terugkeerbesluit en inreisverbod, geen informatiefolder is uitgereikt. In zijn reactie van 14 april 2026 heeft verweerder aangegeven dat uit navraag is gebleken dat een vreemdeling over (de rechtsgevolgen van) een terugkeerbesluit en een inreisverbod mondeling wordt geïnformeerd bij uitreiking van het besluit, als ook via een online informatiefolder, te bereiken op ind.nl/folder-terugkeerbesluit of door middel van het scannen van een qr code. Ook in deze zaak is eiser op deze manier op de hoogte gebracht van het besluit. Op pagina 5 van die folder staat in de Engelse taal uitgelegd wat zowel het terugkeerbesluit als het inreisverbod voor eiser betekenen. Ook is in die folder verwezen naar overige contactpunten waar eiser zich toe kan wenden, mocht hij meer vragen hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet verweerder hiermee aan de door de Terugkeerrichtlijn aangegeven werkwijze. Eiser heeft niet onderbouwd uit welke regelgeving een ander oordeel zou moeten volgen. Voor zover eiser in dit verband verwijst naar artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is de rechtbank van oordeel dat uit dit artikel geen informatieplicht voor verweerder volgt bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en inreisverbod. Dit artikel heeft betrekking op maatregelen van bewaring. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder gewezen op de mogelijkheid van kosteloze rechtsbijstand?
4. Eiser voert aan dat uit de Terugkeerrichtlijn volgt dat hij recht heeft op kosteloze rechtsbijstand. Hij is daar ten onrechte niet op gewezen. Sterker nog, uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaande aan het uitvaardigen van het terugkeerbesluit en inreisverbod blijkt dat verweerder aan hem heeft aangegeven dat hij zich op eigen kosten tot een raadsman kan wenden. Hierdoor is volgens eiser het verdedigingsbeginsel geschonden.
De rechtbank overweegt als volgt.
In artikel 13, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat op verzoek gratis de noodzakelijke rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging ter beschikking wordt gesteld, overeenkomstig de relevante nationale wetgeving of regels inzake rechtshulp, en kunnen bepalen dat op zulke gratis rechtsbijstand en/of vertegenwoordiging de voorwaarden van toepassing zijn als bedoeld in artikel 15, derde tot en met zesde lid van Richtlijn 2005/85/EG.
De rechtbank volgt eiser erin dat hij er ten onrechte niet op is gewezen dat hij gratis gebruik kan maken van rechtsbijstand en dat hij er foutief op is gewezen dat hij op zich op eigen kosten kan wenden tot een raadsman. Dit is weliswaar een gebrek, maar de rechtbank is van oordeel dat dit het terugkeerbesluit niet onrechtmatig maakt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Eiser heeft immers tijdig beroep in kunnen stellen tegen het besluit. De rechtbank passeert dit gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Is het terugkeerbesluit in strijd met het beginsel van non-refoulement?
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte het risico op refoulement niet heeft beoordeeld in het terugkeerbesluit. Weliswaar heeft eiser verklaard bij terugkeer naar zijn land van herkomst niets te vrezen te hebben, maar verweerder had dat wel kenbaar in zijn besluit moeten betrekken. Ook had verweerder moeten betrekken wat hem ambtshalve bekend is over eisers land van herkomst uit openbare informatiebronnen. Dat heeft verweerder ten onrechte niet gedaan.
De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat uit het terugkeerbesluit niet blijkt dat het risico op refoulement is beoordeeld. De rechtbank stelt ook vast dat zowel eiser als verweerder op zitting hebben verklaard dat bij terugkeer geen sprake is van een risico op refoulement. Sterker nog, eiser heeft verklaard graag zo snel mogelijk terug te willen. Ook ten tijde van zijn uitzetting heeft eiser zich niet alsnog op het standpunt gesteld dat hij bij terugkeer het risico loopt op refoulement. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder, door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit, het beginsel van non-refoulement niet heeft geschonden.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat het risico bestaat dat eiser zich zal onttrekken?
6. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd omdat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en omdat volgens verweerder het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat heeft verweerder gemotiveerd met de volgende gronden:
Zware gronden:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
Lichte gronden:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Omdat aan eiser een vertrektermijn is onthouden heeft verweerder ook een inreisverbod opgelegd.
Eiser voert aan dat er geen sprake is van risico op onttrekking en dat de gronden het terugkeerbesluit niet kunnen dragen. Hij heeft zich nooit aan het toezicht onttrokken, verweerder heeft daar onvoldoende onderzoek naar gedaan. Voorafgaande aan het opleggen van het terugkeerbesluit is hem geen enkele vraag gesteld over het toepassen van een lichter middel. Hem is ten onrechte een vertrektermijn onthouden.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser illegaal in Nederland verblijft. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat het risico bestaat dat eiser zich zal onttrekken aan het toezicht. Op zitting heeft verweerder lichte grond 4e laten vallen. Maar eiser heeft de zware gronden 3a, 3b en 3g en de lichte gronden 4c en 4d niet gemotiveerd betwist. Met deze gronden heeft verweerder voldoende grondslag geboden voor het terugkeerbesluit en heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw aan eiser een vertrektermijn kunnen onthouden. Bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit is een onderzoek naar de vraag of een lichter middel kan worden toegepast, niet aan de orde. De beroepsgrond slaagt niet.
Over bestreden besluit 2: de maatregel van bewaring.
7. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Zijn aan de maatregel voldoende gronden ten grondslag gelegd?
8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten; en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat om de meeste zware gronden aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. Dit geldt in ieder geval voor de zware gronden zoals die aan de maatregel die aan eiser is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de zware gronden 3a, 3b en 3g voldoende feitelijk toegelicht. Op zitting heeft verweerder lichte grond 4e laten vallen. De overige lichte gronden, 4c en 4d acht de rechtbank voldoende nader onderbouwd. Eiser heeft de juistheid van de gronden niet inhoudelijk betwist. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder deze gronden niet aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Met de zware en lichte gronden heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat het risico bestaat dat eiser zich zal onttrekken aan het toezicht.
Had verweerder een lichter middel moeten toepassen?
9. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat eiser voorafgaande aan het opleggen van de maatregel op 29 maart 2026 is gehoord. In dat gehoor is aan eiser gevraagd of er persoonlijke belangen of andere redenen zijn om in eisers geval een lichter middel toe te passen. Eiser heeft daarop geantwoord dat die er niet zijn en dat hij wil terugkeren naar zijn familie in Nigeria. Uit het bestreden besluit 2 blijkt dat verweerder dit heeft betrokken bij het opleggen van de maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hier geen aanleiding in hoeven zien om een minder dwingende maatregel toe te passen. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan en de juiste reisdocumenten en het daarom niet waarschijnlijk is dat hij zijn reis zal kunnen bekostigen en uit eigen beweging zal vertrekken. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder zich voldoende ingespannen?
10. Eiser voert aan dat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen om hem zo kort mogelijk na de strafrechtelijke detentie uit te zetten. Hij is namelijk al vanaf 10 maart 2026 in handen van verweerder. Op 21 maart 2026 heeft verweerder een terugkeerbesluit uitgevaardigd en vanaf dat moment had verweerder aan eisers vertrek moeten werken. Dit heeft verweerder ten onrechte niet gedaan. Eiser meent dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op zitting heeft verweerder erkend dat hij zich meer had kunnen inspannen. Maar dat maakt de maatregel niet meteen onrechtmatig. Er is dan nog ruimte voor een belangenafweging en die afweging valt volgens verweerder in zijn voordeel uit. De rechtbank volgt verweerder daarin. Daarbij acht de rechtbank van belang dat er voldoende gronden aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hieruit blijkt dat er sprake is van een onttrekkingsrisico. Ook betrekt de rechtbank in haar oordeel dat verweerder voortvarend heeft gehandeld vanaf de oplegging van de maatregel op 29 maart 2026. Op 1 april 2026 heeft er met eiser een vertrekgesprek plaatsgevonden. Ook is op 1 april 2026 de aanvraag voor het verstrekken van een laissez-passer (lp) ingediend en is deze op 2 april 2026 doorgezonden naar de Nigeriaanse autoriteiten. Voorts is er een vlucht geboekt voor 16 april 2026 en mocht deze vlucht niet doorgaan, dan was er voor 24 april 2026 een presentatie in persoon gepland bij de Nigeriaanse autoriteiten. Dit acht de rechtbank voldoende voortvarend. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er andere redenen om de maatregel onrechtmatig te achten?
11. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de maatregel van bewaring op enig moment tot aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Er is ook niet gesteld of gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers terugkeer.
Conclusie
12. Het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit is ongegrond. Ook het beroep tegen de maatregel is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.
Gelet op het in 4.3 geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit ongegrond;
- verklaart het beroep tegen de maatregel ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.