ECLI:NL:RBDHA:2026:9865

ECLI:NL:RBDHA:2026:9865

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 09/292316-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor drie diefstallen door middel van braak, waarvan twee in vereniging. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een taakstraf van 160 uren, met aftrek van het voorarrest. Opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Gedeeltelijke hoofdelijke toewijzing van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.907,08, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/292316-25

Datum uitspraak: 24 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. van Stratum naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij in de periode van 11 oktober 2025 tot en met 12 oktober 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, snoepgoed, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming;

2

hij op of omstreeks 28 september 2025 te Rijswijk een of meerdere blikjes Red Bull, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [vereniging] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming;

3

hij op of omstreeks 1 november 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wisselgeld ter waarde van ongeveer 100 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan cafetaria [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming.

3. De bewijsbeslissing

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezenverklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025367866, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 179).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 10 april 2026;

Ten aanzien van feit 1

2. Het proces-verbaal van aangifte [aangever 1] , opgemaakt op 16 oktober 2025 (p. 27);

Ten aanzien van feit 2

3. Het proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , opgemaakt op 28 september 2025 (p. 16);

Ten aanzien van feit 3

4. Het proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , opgemaakt op 1 november 2025 (p. 24).

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij in de periode van 11 oktober 2025 tot en met 12 oktober 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, snoepgoed, dat aan [aangever 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2

hij op 28 september 2025 te Rijswijk meerdere blikjes Red Bull die aan [vereniging] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

3

hij op 1 november 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, enig goed, dat aan cafetaria [bedrijf] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht dat aan de verdachte geen (voorwaardelijke) gevangenisstraf wordt opgelegd, maar dat aan de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf wordt opgelegd met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie diefstallen door middel van braak, waarvan twee in vereniging. De verdachte heeft daarmee geen respect getoond voor het eigendom van anderen. Deze diefstallen hebben geleid tot hinder en financiële schade voor de ondernemers. Ter zitting heeft de verdachte hiervoor verantwoordelijkheid genomen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 maart 2026. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

De op te leggen straffen

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren passend en geboden, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert hoofdelijk een schadevergoeding van € 4.705,68, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade (€ 2.694,77 raam, € 450, - schoonmaak, € 1.167,53 handheld kassa, € 81,91 flessen sterke drank, € 4,98 flesjes sportdrank, € 9,48 gebak, € 7,90 snoeprepen en € 289,11 Westvlietbewaking).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, namelijk dat de BTW van de facturen moet worden afgetrokken en de vordering voor het overige kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht een lager bedrag toe te wijzen dan gevorderd, aangezien de grondslag van de tenlastelegging snoepgoed is en de andere posten niet voldoende onderbouwd zijn. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de BTW van de onderbouwende facturen af te halen.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten raam, schoonmaak, handheldkassa, flessen sterke drank, flesjes sportdrank, gebak, snoeprepen en Westvlietbewaking, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal een lager bedrag toewijzen dan gevorderd, omdat de benadeelde partij bij een aantal schadeposten nog niet de BTW in mindering heeft gebracht. De rechtbank zal daarom een bedrag toewijzen ter grootte van € 3.907,08, bestaande uit de volgende posten: € 2.227,08 raam, € 371,90 schoonmaak, € 964,90 handheld kassa, € 81,91 flessen sterke drank, € 4,98 flesjes sportdrank, € 9,48 gebak, € 7,90 snoeprepen en € 238,93 Westvlietbewaking.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 11 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.907,08, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 1] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van feit 2:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) MAANDEN;

bepaalt dat die straf, groot 2 (TWEE) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 160 (HONDERDZESTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 80 (TACHTIG) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.907,08 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

de schadevergoedingsmaatregel [aangever 1] ;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.907,08, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 39 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.J. van de Griend, voorzitter,

mr. F.C. Berg, rechter,

mr. T.A.B. Mentink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.J. van de Griend
  • mr. F.C. Berg
  • mr. T.A.B. Mentink

Griffier

  • mr. S.A.E. Tesson

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?