ECLI:NL:RBDHA:2026:9869

ECLI:NL:RBDHA:2026:9869

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer NL25.14027
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel geloofwaardigheidsbeoordeling. Littekens en forensisch medisch onderzoek. Beroep gegrond; verweerder moet nieuw besluit nemen.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Samenvatting

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Kibuka als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft aan zijn asielrelaas, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat hij in Uganda lid is geweest van een politieke partij, namelijk de National Unity Platform (NUP). Hij is ook actief geweest voor deze partij. Hierdoor heeft eiser problemen ondervonden van mensen die voor de huidige regering werken. Hij is twee keer opgepakt en mishandeld, in 2017 en in 2020 en eiser stelt hier littekens van te hebben op zijn buik, armen en benen. Nadat zij eiser in mei 2022 weer wilden oppakken is hij ontsnapt. Eiser is ondergedoken. In december 2022 is hij weer telefonisch bedreigd. Uiteindelijk heeft eiser op 11 juni 2023 het land verlaten en is hij met een visum voor kort verblijf Nederland ingereisd. Standpunt van de minister

4. De minister heeft in het relaas van eiser de volgende asielmotieven onderscheiden:- zijn identiteit, nationaliteit en herkomst;- zijn problemen vanwege zijn lidmaatschap van de NUP en zijn activiteiten voor die politieke partij. 4.1 De minister heeft zich in het bestreden besluit, samengevat weergegeven, op het volgende standpunt gesteld. De minister volgt de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst. De minister gelooft ook dat eiser, die een echt bevonden kopie van zijn lidmaatschapskaart heeft overgelegd, lid is (geweest) van de NUP en dat hij activiteiten heeft verricht voor deze partij. De minister gelooft echter niet dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege die politieke activiteiten. Daarover heeft eiser volgens de minister onsamenhangend, onduidelijk en wisselend verklaard, onder meer over wie hem bedreigden, over de gestelde mishandelingen in 2017 en 2020, over de bedreigingen in 2022 en over de tegenstrijdige informatie over hem in het visumdossier. Het wel geloofwaardig geachte lidmaatschap van de NUP en de door hem verrichte activiteiten zijn op zichzelf volgens de minister onvoldoende om als vluchteling te worden aangemerkt of voor de conclusie dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Hierbij heeft de minister betrokken dat eiser sinds 2020 niet meer actief is geweest voor de NUP en de NUP inmiddels een grote legale partij is in Uganda. Om die reden wijst de minister de asielaanvraag van eiser af als ongegrond. Is het verweerschrift te laat ingediend en moet dit stuk daarom buiten beschouwing blijven?

5. Eiser heeft ter zitting gesteld dat het verweerschrift gelet op de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het te laat is ingediend.

De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om het verweerschrift wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hierbij is het volgende van belang. In de gronden van beroep van 24 april 2025 is de zienswijze van 28 november 2024 integraal herhaald met de stelling dat de minister hier niet gemotiveerd op is ingegaan en is verder nog kort verwezen naar prejudiciële vragen die door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, zijn gesteld over de geloofwaardigheidsbeoordeling neergelegd in Werkinstructie 2024/6. Eerst op 21 december 2025, drie dagen voor de zitting en daarmee binnen de tien dagen-termijn, is dit laatste betoog nader onderbouwd, waarin wordt verwezen naar rechtspraak over de geloofwaardigheidsbeoordeling en de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) vragen hierover. Vervolgens heeft de minister op 23 december 2025 een verweerschrift ingediend. Dit is kort voor de zitting, maar nu dit verweerschrift vrijwel volledig betrekking heeft op de door eiser, ook reeds te laat ingediende, nadere gronden over de geloofwaardigheidsbeoordeling, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiser hier niet meer op kon reageren en daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet blijven. Hierbij is ook van belang dat deze kwestie over de geloofwaardigheidsbeoordeling, alsook het standpunt van de minister hierover, reeds langere tijd in veel zaken onderwerp van geschil is geweest, wat blijkt uit de door partijen ingeroepen uitspraken. Ter zitting heeft eiser verder op het standpunt uit het verweerschrift gereageerd en is deze beroepsgrond besproken. De rechtbank zal het verweerschrift daarom meenemen in de beoordeling van het beroep. Het betoog slaagt niet.Geloofwaardigheidsbeoordeling in de Werkinstructie 2024/6

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het beroep moet worden aangehouden in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen die rechtbank Roermond heeft gesteld over de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling zoals opgenomen in Werkinstructie 2024/6. Hierbij is verwezen naar een uitspraak van onder meer deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025 en door de Afdeling in het kader van het daartegen ingestelde hoger beroep gestelde vragen. Eiser heeft verder ter zitting betoogd dat nu in de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling uitgangspunt is dat er objectieve en authentieke documenten moeten zijn, het gevolg is dat als die er niet zijn, de vreemdeling op achterstand staat. In dit geval zijn niet dergelijke documenten overgelegd en heeft de minister met louter subjectieve argumenten geconcludeerd dat eisers relaas ongeloofwaardig is

De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep om deze reden aan te houden en wijst dat verzoek daarom af. Op 10 juni 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank een oordeel gegeven over de nieuwe Werkinstructie 2024/6 en de vraag of deze strijdig is met de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank heeft daarin geoordeeld dat hoewel er situaties denkbaar zijn dat de beoordelingswijze beschreven in de werkinstructie tot strijd met het Unierecht leidt, dit niet in elke zaak het geval is. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van Werkinstructie 2024/6 onrechtmatig is geweest. Vervolgens is in die zaak beoordeeld of dat het geval was. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van die werkwijze en zal de onderhavige zaak dan ook niet aanhouden.

Voor zover eiser heeft betoogd dat reeds de toepassing van de werkinstructie maakt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling in de onderhavige zaak onjuist heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank het volgende. In voormelde uitspraak van 10 juni 2025 is onder meer overwogen dat de omstandigheid dat in dit nieuwe beleid in stap 2a eerst wordt beoordeeld of reeds voldoende objectieve en authentieke bewijsstukken zijn overgelegd om het aan de orde zijnde asielmotief reeds daarom aannemelijk te achten, op zichzelf niet maakt dat sprake is van verhoging van de bewijsmaatstaf, zolang maar in de beoordeling erna alle verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden worden betrokken en in samenhang worden beoordeeld. De ter zitting ingenomen stelling dat dit bij de beoordeling van eisers asielrelaas wel tot een hogere bewijsmaatstaf heeft geleid en dat uitsluitend subjectieve argumenten zijn gebruikt, is onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat al door de toepassing van de nieuwe werkwijze de geloofwaardigheidsbeoordeling onjuist is geweest. Het betoog slaagt niet.Herhaling zienswijze en de verwijzing van eiser naar de littekens op zijn lichaam7. Eiser heeft in de beroepsgronden de zienswijze van 28 november 2025 integraal herhaald en gesteld dat de minister hier niet gemotiveerd op is ingegaan. Ter zitting is desgevraagd aangegeven dat nu in het bestreden besluit uitsluitend subjectieve argumenten zijn gebruikt, niet anders kon worden gehandeld dan te volstaan met een herhaling van de zienswijze.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak een verwijzing naar de gronden in de zienswijze onvoldoende is om te leiden tot onrechtmatigheid van het besluit. Anders dan eiser betoogt is de minister in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. Het is dan aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op deze gronden volgens hem niet juist of toereikend is. Dit is voor vrijwel alle punten in de ingelaste zienswijze in dit geval onvoldoende gebeurd, door slechts te stellen dat hier onvoldoende op is ingegaan. In zoverre kan de verwijzing naar de zienswijze niet leiden tot een gegrond beroep.

Echter, dit is anders voor zover eiser heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende is ingegaan op zijn betoog in de zienswijze over zijn littekens. Bij het oordeel dat het in beroep aangevoerde wat betreft dit punt wel voldoende is, weegt de rechtbank mee dat niet valt uit te sluiten dat dit punt van belang kan zijn voor de beoordeling of de terugkeer van eiser naar Uganda in strijd is met het beginsel van non-refoulement.

Eiser heeft reeds in het aanmeldgehoor gewezen op diverse littekens die volgens hem het gevolg zijn van de mishandelingen die hij in 2017 en 2020 heeft ondergaan, nadat hij was opgepakt omdat hij lid is van de NUP. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij in 2017 hard in zijn buik is geschopt waardoor hij een operatie nodig had. Verder zijn de littekens volgens hem het gevolg van mishandeling met brandende plastic zakken, messen, strijkijzers en hij stelt dat zijn nagels zijn uitgetrokken. In de zienswijze, ingelast in het beroepschrift, heeft eiser erop gewezen dat de minister ten onrechte geen forensisch medisch onderzoek (fmo) heeft laten uitvoeren naar deze littekens. Volgens hem kan uit een dergelijk onderzoek worden afgeleid dat zij veroorzaakt zijn door specifieke mishandelingen waarover hij heeft verklaard.

De minister heeft in het bestreden besluit, en in het daarin ingelaste voornemen, hierover gesteld dat wat betreft het litteken op de buik eiser onvoldoende heeft kunnen verklaren over wat precies zijn verwondingen waren en dat de door hem overgelegde ontslagbrief van het ziekenhuis onvoldoende leesbaar is. Wat betreft de littekens op zijn armen en benen is in het bestreden besluit vermeld dat het tonen van littekens onvoldoende is om de gestelde mishandelingen te bevestigen, omdat de oorzaak van de littekens niet kan worden achterhaald.

De minister heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom hij in dit geval heeft afgezien van een fmo naar de littekens van eiser. Eiser heeft in meerdere stadia van zijn asielaanvraag gewezen op zijn littekens. Ook heeft hij uitgelegd op welke manier de letsels zijn ontstaan tijdens de mishandelingen. Daarnaast heeft de minister geloofwaardig gevonden dat eiser lid was van de NUP en dat hij deel heeft genomen aan politieke activiteiten en volgt uit landeninformatie dat leden van de NUP soms worden mishandeld of gemarteld. Voor zover in het bestreden besluit is gesteld dat littekens onvoldoende zijn om de gestelde mishandelingen te bevestigen, reeds omdat de oorzaak van de littekens niet kan worden achterhaald, is dit een onvoldoende motivering, nu een eventueel fmo juist iets over die oorzaak kan zeggen. Tijdens de behandeling ter zitting heeft de gemachtigde van de minister ter zitting verder gesteld dat, naast het ontbreken van een causaal verband met de gestelde mishandelingen, ook gelet op de andere tegenwerpingen er geen aanleiding was om een fmo aan te bieden. Allereerst stelt de rechtbank vast dat dit niet in het bestreden besluit is vermeld. Verder overweegt de rechtbank dat blijkens vaste rechtspraak artikel 18 van de Procedurerichtlijn de minister beoordelingsruimte geeft bij de bepaling of een fmo relevant is. Dit neemt echter niet weg dat de minister wel deugdelijk moet motiveren waarom een fmo niet relevant wordt geacht. De enkele stelling ter zitting dat hiervoor gelet op de andere tegenwerpingen geen aanleiding voor was, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Hierbij wijst de rechtbank erop dat de omstandigheid dat een vreemdeling op bepaalde punten summier of vaag verklaart, niet maakt dat zonder meer een fmo niet relevant is. Het betoog van eiser slaagt in zoverre.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens een motiveringsgebrek. De rechtbank realiseert zich dat de asielprocedure van eiser al lang duurt, maar ziet geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Het is nu aan de minister om hetzij deugdelijk te motiveren waarom een fmo niet relevant is, dan wel alsnog een fmo aan te bieden en op basis daarvan een nieuw besluit te nemen. De rechtbank zal de minister wel een termijn stellen voor een nieuw besluit. De minister moet binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit nemen, dan wel eiser mededelen dat hij beslist tot het aanbieden van een fmo. Als de minister beslist een fmo aan te bieden, dan moet de minister binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit nemen.

9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 26 februari 2025;

- draagt de minister op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit nemen, dan wel eiser mededelen dat hij beslist tot het aanbieden van een fmo;- als de minister beslist een fmo aan te bieden, dan moet de minister binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit nemen;- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman - Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?