Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/022646-25
Datum uitspraak: 24 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 14 oktober 2025 en 10 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. L.A.R. Newoor naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij, in of omstreeks de periode van 29 november 2023 tot en met 25 januari 2025, te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met Stichting reintegratiekeuze, althans alleen (van) een geldbedrag van €411.734,- en/of bitcoins (met een aankoopwaarde van ongeveer €411.734,-), althans een of meer voorwerpen:
- de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den), en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Witwassen
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 28 september 2020 is de Stichting reintegratiekeuze (hierna: de stichting) opgericht. De verdachte is de enige bestuurder van de stichting en de stichting staat ingeschreven op het woonadres van de verdachte. De activiteit van de stichting is “lokaal welzijnswerk”. In werkelijkheid zijn er vanaf de oprichting tot in elk geval het einde van 2023 geen activiteiten door de stichting verricht.
Op 12 september 2023 heeft de verdachte een bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] geopend voor de stichting.
Vanaf 16 september 2023 vinden er transacties plaats met die rekening van de stichting, zoals een bijschrijving door verdachte zelf van € 20,- op 16 september 2023 vanaf haar privérekening bij de KNAB-bank, en een bijschrijving van € 1.500,- vanaf een rekening van Re-integratiekeuze B.V. waarvan verdachte samen met een vriendin, [naam 1] , mededirecteur en 70% aandeelhoudster is, eveneens op 16 september 2023. Op 17 september ’s avonds is er een contante opname bij een Geldmaat aan de Sneeuwbalstraat. Op 29 september 2023 zijn er weer bijschrijvingen door de Re-integratiekeuze BV.
Van 5 oktober 2023 tot en met 20 oktober 2023 zijn tussen [naam 2] en het emailadres van de verdachte berichten uitgewisseld, waarin voor de stichting een business account met Pro limits werd aangevraagd bij [naam 2] . [naam 2] beheert een platform voor de handel in cryptovaluta. In die periode heeft [naam 2] verdachte [verdachte] geïdentificeerd als gebruiker van het account op naam van de stichting. Deze identificatie vond onder meer plaats middels Nederlands paspoort met documentnummer [nummer] . Hiernaast heeft [naam 2] het eigendom van de stichting vastgesteld en gevraagd naar de bron van inkomen. Ook heeft [naam 2] gevraagd waarom de website niet werkt.
Kennelijk zijn de gevraagde documenten ter identificatie van verdachte en
de stichting verstrekt. Verder is het eigendom van de stichting kennelijk voldoende bewezen. Wat betreft de bron van inkomen van de stichting is aangegeven dat zij nu nog werken in Nederland en dat lokale overheid / gemeente de bron van inkomen is. Daarnaast was de website in onderhoud/renovatie volgens de verklaring aan [naam 2] .
In dezelfde periode van 5 tot en met 20 oktober 2023 vinden er diverse transacties plaats op de bankrekening van de stichting. Zo zijn er op 17 oktober 2023 diverse bijschrijvingen waaronder een bijschrijving van € 500,- van [naam 3] en een bijschrijving van verdachte’s familielid [naam 4] van € 1.000,- en vervolgens op dezelfde dag diverse contante opnames bij Geldmaat-automaten.
Ook wordt op 17 oktober 2023, dus in het zicht van het toegekend krijgen van een crypto-account bij [naam 2] , de limiet voor contante opnames met de pinpas van de rekening van de stichting verhoogd van € 1.000,- naar € 2.000,- en de limiet voor het doen van betalingen vanaf de rekening van de stichting verhoogd naar € 50.000,-.
Tussen 16 september 2023 en 2 december 2023 is er 38 keer ingelogd bij Mijn ING voor transacties en limietverhogingen voor contante opnames met de pinpas via het communicatiemiddel met Device ID: [ID 1] .
Tussen 16 september 2023 en 2 december 2023 is er 183 keer ingelogd bij Mijn ING voor transacties en de enige aangetroffen limietverhoging voor het doen van betalingen vanaf de rekening via het communicatiemiddel met Device ID: [ID 2] .
Kennelijk om te proberen of het mogelijk is om het account bij [naam 2] te gebruiken wordt op 22 oktober 2023 € 100,- bijgeschreven op de rekening van de stichting vanaf de privérekening van de verdachte bij de ING-bank en wordt op 22 oktober drie maal € 20,- overgemaakt naar een rekening van Clear Junction Limited met vermelding van dezelfde code als de code die voor het platform van [naam 2] gebruikt wordt. Op 23 oktober worden deze bedragen gestorneerd op de rekening van de stichting.
Op 23 oktober wordt vanaf de emailaccount van verdachte naar [naam 2] geschreven dat zij geld wil storten maar dat dit telkens geweigerd wordt. Zij moest veel documenten verschaffen voor het openen van deze rekening, maar het werkt niet. “Regards, [verdachte] ”
Op 23 oktober wordt vanaf de rekening van de stichting € 50,- overgemaakt naar Bank Frick (een bank in Liechtenstein die klanten toegang geeft tot cryptocurrency), met weer dezelfde code als die voor het account bij [naam 2] .
Op 30 oktober wordt vanaf het emailaccount van verdachte aan [naam 2] het bericht gestuurd dat het account functioneert.
Op 23 november 2023 wordt € 16.000,- overgemaakt naar de stichting door Re-integratiekeuze B.V.
Op 23 en 24 november 2023 is de limiet voor contante opnames met de pinpas telkens verhoogd van € 1.000,- naar € 5.000,-.
Van 24 tot en met 26 november wordt in negen opnames in totaal € 15.000,- opgenomen bij de Geldmaat aan de Sneeuwbalstraat.
Op 26 november 2023 wordt vanaf de rekening van de stichting € 980,- naar [naam 2] overgemaakt.
Op 29 november 2023 om 02.30 uur wordt er € 411.804,46 bijgeschreven op de rekening van de stichting vanaf een rekening op naam van [bedrijf] te Los Angeles. Deze bijschrijving past niet bij de activiteit van de stichting. [bedrijf] is slachtoffer geworden van factuurfraude. Vervolgens wordt op 29 november 2023 tussen 03.46 uur en 22.03 uur (in tien aparte overschrijvingen van telkens minder dan € 50.000,-) een totaalbedrag van € 411.734, - overgeboekt van de rekening van de stichting naar Payward lreland Ltd. ( [naam 2] ) naar de wallet met de eerder gebruikte code. Vervolgens wordt het geld overgeboekt naar andere bitcoin wallets.
Voor alle elf transacties van 26 november en 29 november 2023 is gebruik gemaakt van het communicatiemiddel met DEVICE ID [ID 1] , hetzelfde apparaat waarmee ook de pinpaslimieten werden verhoogd om geld op de rekening van de stichting contant op te kunnen nemen.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte de communicatie voor het voor de stichting openen van een account bij [naam 2] heeft gevoerd. De berichten zijn namelijk via [e-mailadres] verstuurd, als afzender bij de berichten staat de naam van de verdachte, er worden bedrijfsdocumenten (uittreksel Kamer van Koophandel van de stichting, bankafschrift [rekeningnummer 1] van de stichting, oprichtingsakte van de stichting en transactieoverzicht van [rekeningnummer 2] op naam van Reintegratiekeuze B.V.) en privédocumenten van de verdachte (paspoort, Verklaring Omtrent het Gedrag en bankafschriften van [rekeningnummer 3] , een rekening op naam van de verdachte) aangeleverd, er wordt specifieke informatie over de diensten en het verdienmodel van de stichting verstrekt en er wordt gezegd dat aan de website wordt gewerkt in antwoord op vragen vanuit [naam 2] . Op 20 oktober 2023 wordt het business account bij [naam 2] geverifieerd. Dat wil zeggen dat op naam van de stichting vanaf dan een account bij [naam 2] is geopend. Het is de verdachte geweest die beschikte over alle gevraagde informatie en het is niet aannemelijk geworden en ook bepaald onwaarschijnlijk dat ook iemand anders over al deze informatie beschikte, zoals het ook niet aannemelijk en bepaald onwaarschijnlijk is dat zij zelf niet de berichten van [naam 2] op haar emailaccount heeft ontvangen en beantwoord.
Wat voor de overtuiging daarbij een rol speelt is dat de bankrekening van de stichting kennelijk ook voor privédoeleinden van de verdachte wordt gebruikt, en dat heel vaak vanaf drie apparaten is ingelogd, waardoor het ongeloofwaardig is dat zij, zoals zij heeft verklaard, in de maanden voorafgaand aan de nachtelijke bijschrijving van € 411.804,46 nooit heeft gekeken naar de activiteiten op de rekening van de stichting en niets wist van alle transacties (behalve haar eigen overmaking van € 16.000,-) in die periode en dat zij ook niet wist van de verhoging van de limiet voor het overmaken van € 50.000,- op 17 oktober 2023. Bovendien werd kennelijk vanaf de privérekening van verdachte geld naar de stichting overgemaakt op 22 oktober 2023 om het functioneren van het zojuist op 20 oktober 2023 verkregen cryptoaccount te verifiëren, terwijl ook kort voor de ontvangst van de € 411.804,46 op 29 november 2023, namelijk op 26 november 2023, nog eens die werking werd beproefd met geld dat op 23 november 2023 volgens verdachte’s verklaring door haarzelf was overgemaakt van de rekening van Re-integratie B.V. naar de rekening van de stichting.
ING-Bank heeft alleen aan de verdachte de gegevens verstrekt voor het gebruik van de rekening van de stichting.
Op grond van het feit dat het bedrag van € 411.804,46 afkomstig is van een bedrijf in de Verenigde Staten dat geen enkele relatie met de stichting onderhield, de stichting geen activiteiten ontplooide en dat het door het bedrijf op de rekening is betaald doordat factuurfraude is begaan, staat vast dat het bedrag op de rekening van de stichting uit misdrijf afkomstig was.
De verdachte heeft voor het overmaken van het geld naar [naam 2] en alles wat daaraan voorafging een alternatief scenario naar voren gebracht waarin zij geen enkele rol in het openen van een account bij [naam 2] en het gebruikmaken van die account zou hebben gespeeld.
De verdachte heeft ter zitting van 14 oktober 2025 verklaard dat haar ex-partner [naam 5] het geld moet hebben witgewassen en dat hij toegang had tot haar (bedrijfs)papieren en inlogcodes. Zijzelf wist (op de bijschrijving van € 16.000,- die zij zelf had verricht na) niets van de transacties op de rekening van de stichting en niets van het openen van een crypto-account, en niets van de bijschrijving van € 411.804,46 en het overmaken van € 411.734,- naar [naam 2] en het omzetten daarvan in bitcoins en verder verplaatsen daarvan naar andere wallets. De behandeling van de zaak is toen aangehouden, zodat het Openbaar Ministerie de verklaring van de verdachte kon onderzoeken. Uit het nadere onderzoek blijkt dat de verdachte geen concrete persoons- en/of contactgegevens van haar ex-partner kon geven aan de politie en ook uit een integrale bevraging van politiesystemen [naam 5] op geen enkele manier voorkomt. Ook zijn er geen registraties in de politiesystemen van [naam 5-a] , [naam 5-b] of [naam 5-c] , andere spellingswijzen die de verdachte later heeft genoemd. Hierdoor is de verklaring van de verdachte niet concreet en verifieerbaar gebleken. Van deze persoon heeft verdachte geen foto’s of andere informatie verschaft die zijn bestaan aannemelijk maken, ondanks het feit dat zij gedurende tenminste negen maanden een liefdesrelatie hadden. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat het bepaald onwaarschijnlijk is dat een derde persoon zo intensief gebruik zou maken van het e-mailaccount van de verdachte, de beschikking zou hebben over al haar bedrijfs- en privé-documenten en bovendien gebruik kon maken van de bankrekening van de stichting, van de B.V. en van haar privé. Dit alles bovendien zonder dat de verdachte daar ten tijde van al deze handelingen gedurende de periode van het openen van de bankrekening van de stichting tot het overmaken van € 411.734,- aan [naam 2] ook maar iets van zou hebben gemerkt.
Van het alternatieve scenario is niets gebleken en het is gelet op het voorgaande een volstrekt onaannemelijk scenario.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen.
Verzoeken van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting van 10 april 2026 een aantal verzoeken gedaan aan de rechtbank:
- Ten eerste heeft de verdediging verzocht de processen-verbaal van het uitlezen van de telefoons van [naam 6] en de aangetroffen schermafbeelding op zijn telefoon toe te voegen aan dossier.
- Ten tweede heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie de opdracht te geven om te laten uitzoeken bij de ING welk apparaat hoort bij de Device ID [ID 1] .
- Ten derde heeft de verdediging verzocht om het alibi van de verdachte op 29 november 2023 te onderzoeken. Volgens de verdediging was de verdachte op 29 november 2023 aan het werk bij de gemeente in Goeree-Overflakkee en heeft zij daardoor niet de bedragen kunnen overmaken vanaf de Login locaties van Device ID [ID 1] , namelijk Alphen aan den Rijn en Amsterdam.
- Ten vierde heeft de verdediging verzocht om twee getuigen te horen bij de politie, namelijk [naam 3] (een vriendin van de verdachte) en [naam 7] (de zus van de verdachte). Zij zouden volgens de verdediging kunnen bevestigen dat de verdachte een partner had in die periode.
- Ten vijfde heeft de verdediging verzocht om het Openbaar Ministerie opdracht te geven om te onderzoeken of er camerabeelden zijn van (de omgeving van) de geldautomaat waar contant geld is opgenomen van de stichting. De verdachte ontkent bedragen te hebben opgenomen.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen de verzoeken van de verdediging.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 10 april 2026 besloten op de verzoeken van de verdediging te reageren per (tussen)vonnis. De rechtbank wijst de verzoeken van de verdediging af, aangezien de verzoeken in een laat stadium zijn ingediend en de verzoeken tot het doen van de hiervoor genoemde onderzoeken naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk zijn voor de beantwoording van de vragen bedoeld in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij, in de periode van 29 november 2023 tot en met 25 januari 2025, in Nederland, tezamen en in vereniging met Stichting reintegratiekeuze, (van) een geldbedrag van €411.734,- en bitcoins (met een aankoopwaarde van ongeveer €411.734,-):
- de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en de verplaatsing heeft verborgen en heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op die voorwerp(en) was/waren, en
- heeft verborgen en heeft verhuld wie die voorwerp(en) voorhanden had(den), en
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet
terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij veroordeling geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen aan de verdachte, maar een forse taakstraf, een geldboete en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met Stichting reintegratiekeuze schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk bedrag van € 411.734, - en bitcoins ter waarde van eenzelfde bedrag. De verdachte heeft hiervoor langere tijd meerdere handelingen verricht. Witwassen is een ernstig feit omdat daarmee het (vertrouwen in het) economisch verkeer wordt geschaad en omdat het bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Witwassen dekt de onderliggende strafbare feiten af en maakt dat de crimineel verkregen inkomsten besteedbaar worden. De verdachte heeft hieraan een belangrijke bijdrage geleverd.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 maart 2026. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.
De persoon van de verdachte
De verdediging heeft ter terechtzitting van 10 april 2026 verzocht een reclasseringsadvies op te laten stellen over de persoon van de verdachte. De officier van justitie heeft zich verzet tegen dit verzoek. De rechtbank heeft op de terechtzitting van 10 april 2026 besloten om op het verzoek te reageren per (tussen)vonnis. De rechtbank acht het niet noodzakelijk om een reclasseringsrapport over de persoon van de verdachte op te laten stellen en wijst het verzoek af.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor fraude als vertrekpunt genomen. Daarin staat als uitgangspunt voor een benadelingsbedrag tussen€ 250.000, - en € 500.000, - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden vermeld. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
medeplegen van witwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.C. Berg, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.