RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/700781 / JE RK 26-362
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.W. de Kruijf-Vermeij uit Den Haag,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats],
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1], namens de Raad;
[naam 2], namens de gecertificeerde instelling;
de vader;
- de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk.
2. De feiten
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
[minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 december 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 19 maart 2026.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening van pleegzorg te verlenen voor de duur van twee maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting heeft de Raad het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ingetrokken.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] is een kwetsbare baby die volledig afhankelijk is van haar verzorgers. Zij is tijdens de zwangerschap en in de periode daarna blootgesteld aan huiselijk geweld tussen de ouders. De ouders zijn naar alle waarschijnlijkheid onvoldoende beschikbaar geweest voor [minderjarige] en daardoor is zij te kort gekomen in haar emotionele behoeftes. De vader kampt met persoonlijke problematiek (ASS) en de moeder heeft moeite met het reguleren van haar emoties. Het lukt de ouders niet om hulpverlening in het vrijwillig kader voldoende te accepteren. Hoewel de ouders goed samenwerken met de gecertificeerde instelling zijn zij momenteel niet in staat om de zorgen zelfstandig weg te nemen.
4. De standpunten
Door en namens de ouders wordt ingestemd met het verzoek van de Raad. De vader heeft op eigen initiatief en kosten diagnostiek bij zichzelf ingezet en hij is gediagnosticeerd met ASS. Hij krijgt daar nu passende hulp voor. Het contact tussen de ouders is beter geworden. De moeder begrijpt nu beter waar het gedrag van de vader vandaan komt. De ouders profiteren van de ingezette hulp en vinden het fijn dat de hulpverlening in het gedwongen kader wordt doorgezet.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De kinderrechter ziet nog steeds een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. [minderjarige] is kwetsbaar en is op jonge leeftijd langdurig blootgesteld aan het huiselijk geweld tussen de ouders. Daarom acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling langer betrokken blijft. De kinderrechter spreekt haar complimenten uit richting de vader voor het zelfstandig inzetten van diagnostiek. De kinderrechter merkt op dat dit helpend is geweest voor het contact tussen de ouders en dat [minderjarige] hier ook van zal profiteren. Er is al veel hulpverlening ingezet door de gecertificeerde instelling en het is het van belang dat deze wordt doorgezet gelet op de terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders thuis. De kinderrechter vertrouwt erop dat de gecertificeerde instelling daarbij de juiste (opvoed)ondersteuning zal inzetten. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
Ter zitting heeft de Raad het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee maanden ingetrokken. De kinderrechter constateert daarom dat zij ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] geen beslissing meer hoeft te nemen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 18 maart 2026 tot 18 maart 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
stelt vast dat er ten aanzien van een machtiging tot uithuisplaatsing niets meer te beslissen valt.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026, in aanwezigheid van T.A.A. Hilhorst als griffier en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.