Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/034124-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 24 april 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ( [land] ),thans gedetineerd in de PI [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 27 maart 2026.
Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. D.F.R. de Vrught op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman mr. P.B. Spaargaren op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2. De inhoud van de vordering
De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 53.774,29 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3. De grondslag voor ontneming
De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof d.d. 23 september 2025 veroordeeld voor het medeplegen van identiteitsmisbruik, het medeplegen van computervredebreuk en het medeplegen van gewoontewitwassen.
Uit het arrest volgt dat de veroordeelde en zijn medeveroordeelde, [medeveroordeelde] , gedurende een periode van meer dan een jaar personen hebben geronseld om bankrekeningen ter beschikking te stellen waarop geldbedragen afkomstig van fraude werden gestort, waarna deze bedragen werden omgezet in cryptovaluta of contant werden opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat de in het ontnemingsrapport opgenomen geldbedragen betrekking hebben op deze geldstromen en daarmee op het bewezenverklaarde gewoontewitwassen.
De rechtbank zal de ontnemingsmaatregel daarom baseren op artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, met dien verstande dat de reeds verbeurdverklaarde geldbedragen in mindering kunnen worden gebracht op de betalingsverplichting.
De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 28 juni 2024. De conclusie van dit rapport is, dat het door de veroordeelde en zijn medeveroordeelde gezamenlijk wederrechtelijk verkregen voordeel € 53.774,29 bedraagt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 27 maart 2026 op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat de uitgangspunten voor de berekening niet juist zijn. De verdediging heeft aangevoerd dat de veroordeelde en zijn medeveroordeelde onderdeel uitmaakten van een groter crimineel netwerk waarin de opbrengsten van de fraude over meerdere betrokkenen werden verdeeld en dat slechts ongeveer 5 tot 10 procent van de fraudebedragen bij de veroordeelden terecht is gekomen.
Volgens de verdediging dient dit aandeel van 10 procent vervolgens tussen beide veroordeelden te worden verdeeld, waarbij voor de veroordeelde moet worden uitgegaan van 5 procent van het totale benadelingsbedrag.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.
1. Het in de strafzaak tegen de veroordeelde op 23 september 2025 gewezen arrest van het gerechtshof Den Haag.
Bewezen is verklaard, onder meer, dat:
1. hij in de periode van 6 februari 2023 tot en met 16 april 2024 in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten NAW-gegevens en/of (een) paspoort(gegevens) en/of IBAN en/of pincodes van meerdere personen te weten:
1. [naam 1] en;
2. [naam 2] en;
3. [naam 3] en;
4. [naam 4] en;
5. [naam 5] en;
6. [naam 6] en;
7. [naam 7] en;
8. [naam 8] en;
9. [naam 9] en;
10. [naam 10] en;
11. [naam 11] en;
12. [naam 12] en;
13. [naam 13] en;
14. [naam 14] en;
15. [naam 15] en;
16. [naam 16] en;
17. [naam 17] heeft gebruikt door met behulp van meerdere voornoemde persoonsgegevens
meerdere bankrekeningen te openen en/of klant van een bank te worden en/of accounts op een of meerdere crypto exchange(s) aan te maken en/of (vervolgens) van misdrijf afkomstig geld op een of meer van deze rekening(en) en/of account(s) te (laten) storten en/of op te (laten) nemen, met het oogmerk om de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;
2. hij in de periode van 6 februari 2023 tot en met 16 april 2024 in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk meermalenin (een gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten servers van de ING bank en andere banken met daarop de (beveiligde) internetbankieren omgeving gekoppeld aan de bankrekening van meerdere klanten van de ING bank en andere banken is binnengedrongen,
- met behulp van een valse sleutel, te weten door identiteitsfraude verkregen (inlog)gegevens van klanten van die ING bank en andere banken, zonder dat hij, verdachte, en zijn mededader gerechtigd waren tot het gebruik van die gegevens en
- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten door zich voor te doen als de rechtmatige klant/rekeninghouder van de ING bank en andere banken;
4.
hij in de periode van 6 februari 2023 tot en met 16 april 2024 in Nederland,tezamen en in vereniging
met een ander,
meermalen
(van) meerdere geldbedragende herkomst en de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerpen voorhanden had(den) en
voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of er van gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 28 juni 2024 is opgemaakt.
Oordeel van de rechtbank
Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel volgt dat op basis van aangiften die door middel van Device-ID’s en/of IP-adressen aan de veroordeelden kunnen worden gerelateerd een totale opbrengst van ten minste € 53.774,29 is behaald. De omvang van deze totale opbrengst als zodanig is door de verdediging ook niet betwist.
De verdediging heeft aangevoerd dat de veroordeelden slechts een beperkt percentage van deze bedragen hebben ontvangen. De rechtbank stelt vast dat deze stelling niet met concrete en verifieerbare gegevens is onderbouwd. Behalve enkele algemene verklaringen over een mogelijke verdeling van opbrengsten binnen een groter samenwerkingsverband zijn geen aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan kan worden vastgesteld welk deel van de opbrengst door anderen zou zijn ontvangen.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding het wederrechtelijk verkregen voordeel lager vast te stellen dan in het rapport is berekend en stelt het gezamenlijk wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 53.774,29.
Toerekening van het voordeel
Nu sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel dat gezamenlijk door de veroordeelde en zijn medeveroordeelde is verkregen, dient te worden beoordeeld welk deel daarvan aan de veroordeelde kan worden toegerekend.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de veroordeelde individueel over het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel heeft kunnen beschikken. De rechtbank zal daarom – anders dan is gevorderd door de officier van justitie – niet beslissen tot een hoofdelijke toerekening van het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel. Wat betreft de onderlinge verdeling tussen de veroordeelde en de medeveroordeelde, zijn geen concrete feiten of omstandigheden gebleken die een andere verdeling dan een gelijke verdeling rechtvaardigen.
De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom gelijkelijk over beide veroordeelden verdelen.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 26.887,15.
5. De vaststelling van de betalingsverplichting
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting dient te worden vastgesteld op een lager bedrag dan het door haar geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, nu rekening dient te worden gehouden met de waarde van eerder onherroepelijk verbeurdverklaarde geldbedragen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat bij de veroordeelde reeds geldbedragen zijn verbeurdverklaard die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van de bewezenverklaarde strafbare feiten. Deze bedragen dienen volgens de verdediging in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal bij het vaststellen van de betalingsverplichting rekening houden met in de strafzaak bij de veroordeelde in beslag genomen en verbeurd verklaarde geldbedragen. Op basis van het arrest van het gerechtshof stelt de rechtbank vast dat onder de veroordeelde in totaal € 5.470,30 in beslag is genomen en verbeurd is verklaard.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 26.887,15 - € 5.470,30 = € 21.416,85.
6. Het toepasselijke wetsartikel
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7. De beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 26.887,15;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 21.416,85 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 214 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. van Essen, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. V.K.M Hanssen en S.F. Schippers, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.