[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Keijzerwaard te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J. van Steensel te Den Haag.
Procedure
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/689077 / FA RK 25-5633 (bodem):
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het F9-formulier van 10 februari 2026 van de advocaat van de vader, met bijlage.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/692959 / FA RK 25-7715 (art. 223 Rv):
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 16 oktober 2025 van de advocaat van de vader, met bijlage;
- het verweerschrift;
- het F9-formulier van 2 februari 2026 van de advocaat van de vader, met bijlagen;
- het F9-formulier van 3 februari 2026 van de advocaat van de moeder;
- het F9-formulier van 6 februari 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlage;
- het F9-formulier van 10 februari 2026 van de advocaat van de vader, met bijlage.
De minderjarige [de minderjarige] heeft zich schriftelijk uitgelaten over de verzoeken.
Op 4 februari 2026 is de behandeling van de zaak in de voorlopige voorzieningenprocedure op de zitting van deze rechtbank gestart. Deze zaak is aangehouden om enerzijds de moeder de gelegenheid te geven zich bij te laten staat door haar advocaat en anderzijds zodat onderhavige zaken gevoegd op de zitting van deze rechtbank kunnen worden behandeld.
De voorzetting van de (mondelinge) behandeling van de zaak in de voorlopige voorzieningenprocedure gecombineerd met de behandeling van de zaak in de bodemprocedure heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Hierbij zijn verschenen:
Van de zijde van zowel de vader als de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
In beide procedures:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te
[geboorteplaats] , hierna: [de minderjarige] .
Verzoek en verweer
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/689077 / FA RK 25-5633 (bodem):
De vader verzoekt:
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/692959 / FA RK 25-7715 (art. 223 Rv):
De vader verzoekt:
- de moeder te bevelen om, samen met [de minderjarige] , binnen twee maanden na afgifte van de beschikking terug te verhuizen naar [plaats 1] , binnen een straal van tien kilometer van de basisschool van [de minderjarige] , te weten [school] , gelegen aan de [adres 1] , bij gebreke waarvan te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader zal zijn;
- een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [de minderjarige] , zoals omschreven onder punt 19 van het verzoekschrift, althans gelijk aan het verzoek in de bodemprocedure;
- althans een zodanige regeling als de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht, met bepaling dat de moeder, voor iedere keer dat zij de vastgestelde omgangsregeling niet nakomt, een dwangsom van € 500,- zal verbeuren voor iedere dag of gedeelte van de dag dat zij geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;
- voorwaardelijk, indien en voor zover de moeder niet binnen de in verzoek I genoemde termijn is terugverhuisd naar [plaats 1] binnen de genoemde straal van de school van [de minderjarige] , te bepalen dat [de minderjarige] eens per twee weken van vrijdagmiddag na school tot zondagmiddag 17.00 uur bij de moeder zal verblijven en de overige dagen bij de vader;
- de verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen zoals omschreven onder punt 20 van het verzoekschrift;
- de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Bodemprocedure
Gezag
- wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform het tweede lid van voornoemd artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
- inhoudelijke beoordeling
De vader verzoek hem met het gezamenlijk gezag te belasten en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Voor de verhuizing van de moeder met [de minderjarige] voerden partijen samen een co-ouderschap uit. De vader heeft getoond goed voor [de minderjarige] te kunnen zorgen. De moeder maakt allerlei ongefuneerde verwijten richting de vader. Er liggen geen rapportages, geen verklaringen van hulpverlening en geen concrete voorbeelden waaruit blijkt dat gezamenlijke gezagsuitoefening over [de minderjarige] niet mogelijk is. Dat de communicatie tussen de ouders gebrekkig is, is onvoldoende om het verzoek van de vader af te wijzen.
De moeder voert verweer. Tussen de ouders ontbreekt iedere vorm van samenwerking en constructief overleg. Zij hebben een andere visie als het gaat over school, medische aangelegenheden en de opvoeding van [de minderjarige] . Dit leidt tot aanhoudende discussies, waar ook [de minderjarige] mee wordt belast. De vader ondermijnt het gezag van de moeder. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders bij toewijzing van het verzoek van de vader.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over kinderen gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
Het is de rechtbank onvoldoende gebleken dat de ouders niet tot overleg in staat zijn. Zij hebben op de eerste zitting immers afspraken gemaakt over de omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Deze afspraken hebben zij vervolgens in onderling overleg aangepast. Daarnaast noemt de moeder in haar stukken een aantal voorbeelden van problemen, op basis waarvan de vader geen gezag over [de minderjarige] moet toekomen. De rechtbank acht deze voorbeelden, (onder meer) ten aanzien van het televisie- en filmkijken en het dieet van [de minderjarige] , onvoldoende onderbouwd. Daarbij merkt de rechtbank op dat, zelfs als deze voorbeelden waar zijn, deze onvoldoende zijn om te concluderen dat de ouders geen afspraken kunnen maken. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen.
Door deze gezagswijziging zal de rechtbank hierna spreken van een zorgregeling.
Ouderschapsbemiddeling
Zoals op de zitting besproken acht de rechtbank het van belang dat de ouders hun communicatie verbeteren (en vooral ook dat zij duidelijk tegen elkaar zijn). In dat kader hebben de ouders verklaard deel te willen nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling en om (zo mogelijk) een ouderschapsplan op te stellen. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank overweegt daarbij dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie geen eindrapportage behoeft in te dienen bij de rechtbank en ook geen eindrapportage aan de Raad behoeft toe te zenden, maar alleen aan de ouders. De rechtbank zal de zaak namelijk niet aanhouden, maar zal op alle verzoeken van de ouders een eindbeslissing geven. Het is aan de ouders om gedurende het traject de communicatie te verbeteren en waar nodig samen tot nadere afspraken te komen.
Terugverhuizing - voorwaardelijke wijzing hoofdverblijfplaats
Omdat de bodemprocedure en de voorlopige voorzieningenprocedure gecombineerd op de zitting zijn behandeld, heeft de vader zijn verzoek in de bodemprocedure – zo begrijpt de rechtbank – als volgt aangevuld: de vader verzoekt voorwaardelijk de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen, voor het geval dat de moeder niet binnen twee maanden na het afgeven van deze beschikking is terugverhuisd naar [plaats 1] .
De moeder heeft tegen deze (mondelinge) aanvulling bezwaar gemaakt, omdat toelating hiervan volgens haar in strijd is met de goede procesorde.
De rechtbank gaat voorbij aan het bezwaar van de moeder en overweegt daartoe als volgt. Materieel gezien was het verzoek van de vader – inhoudende dat de moeder moet terugverhuizen naar [plaats 1] , bij gebreke waarvan de hoofdverblijfplaats bij de vader zal zijn – bij de moeder bekend. Dit blijkt uit de pleitnota van de advocaat van de moeder, waarin daarop wordt gereageerd. De moeder heeft zich niet alleen kunnen voorbereiden op het verzoek, maar heeft dat ook daadwerkelijk gedaan. Van een schending van de goede procesorde is aldus geen sprake. Daarom zal de rechtbank hierna overgaan tot de inhoudelijke behandeling van het aanvullend verzoek van de vader.
- inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal beoordelen of de moeder als ouder met eenhoofdig gezag had mogen verhuizen met [de minderjarige] van [plaats 1] naar [plaats 2] en zo nee, of zij gehouden is terug te verhuizen.
De moeder heeft kort samengevat het volgende aangevoerd. Het huurcontract van de woning van de moeder liep af. De moeder kon, anders dan in [plaats 1] , op korte termijn een woning krijgen in [plaats 2] . Omdat niet eerder een zorgregeling was overeengekomen, werd ook geen zorgregeling gefrustreerd door de verhuizing. De vader ziet [de minderjarige] nog steeds regelmatig en de moeder zal het contact tussen hen niet in de weg staan.
Volgens de vader ontbreekt iedere noodzaak voor de verhuizing naar [plaats 2] . Daarnaast maakt de verhuizing uit [plaats 1] de week-op-week-af regeling die partijen feitelijk uitvoerden onmogelijk. Het is in het belang van [de minderjarige] dat deze regeling wordt hervat en dat hij weer naar zijn eigen vertrouwde omgeving in [plaats 1] gaat.
De rechtbank overweegt dat bij een beoordeling in genoemd kader een belangenafweging wordt gemaakt. Hierbij worden alle relevante omstandigheden van het geval in acht genomen. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. In de eerste plaats heeft de moeder niet, althans onvoldoende, betwist dat er tussen de ouders een week-op-week-af regeling bestond. De verhuizing maakt, zo is ook de rechtbank van oordeel, de uitvoering van deze regeling onmogelijk en belemmert daarmee het contact tussen [de minderjarige] en de vader. Hierdoor komt het belang van [de minderjarige] bij contact met zijn vader in geding. Voorts is [de minderjarige] door de verhuizing naar [plaats 2] uit zijn vertrouwde omgeving gehaald, dat wil zeggen weg van zijn vriendjes, school, en zwemmen. Ook in die zin wordt het belang van [de minderjarige] geschaad. Daar staat tegenover het belang van de moeder. De rechtbank is niet gebleken van enig relevant belang bij de verhuizing naar [plaats 2] . Zoals op de zitting besproken, gaat de rechtbank ervan uit dat de verhuizing van de moeder een opwelling is geweest. Immers, de moeder heeft nog steeds een baan in de Haagse regio, en geen baan, netwerk, of nieuwe partner in [plaats 2] . De enige reden dat de moeder naar [plaats 2] is gegaan, is dat daar woonruimte is.
De rechtbank komt bij de afweging van de belangen van de vader en [de minderjarige] enerzijds, en het belang van de moeder anderzijds, tot het oordeel dat de moeder geen gerechtvaardigd belang had om naar [plaats 2] te verhuizen. Tegenover de grote belangen van [de minderjarige] en de vader staan nagenoeg geen belangen aan de zijde van de moeder.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande ook geen gerechtvaardigd belang aanwezig om daar te blijven. Van haar kan dan ook worden verlangd dat zij terugverhuist naar [plaats 1] .
Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of zij aanleiding ziet de hoofdverblijfplaats (voorwaardelijk) bij de vader te bepalen, als stok achter de deur om de terugverhuizing van de moeder en [de minderjarige] te bewerkstelligen.
Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij al op zoek is naar een woning in [plaats 1] . Wel maakt zij bezwaar tegen het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats (voorwaardelijk) bij hem te bepalen, omdat zij altijd de hoofdverzorger van [de minderjarige] is geweest.
Zoals overwogen acht de rechtbank het van groot belang dat [de minderjarige] terugkeert naar zijn vertrouwde omgeving in [plaats 1] en dat het contact met de vader conform de week-op-week-af regeling wordt hersteld. De rechtbank zal daarom de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] uiterlijk per 1 augustus 2026 bij de vader bepalen, onder de voorwaarde dat de moeder niet vóór 1 augustus 2026 met [de minderjarige] is terugverhuisd naar [plaats 1] . Daarbij merkt de rechtbank op dat zij er mede gelet op het verhandelde ter zitting vanuit gaat dat de moeder aan die voorwaarde kan voldoen. Gelet op de week-op-week-af regeling die de ouders voorheen uitvoerden, ziet de rechtbank ook overigens geen bezwaren tegen een bepaling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader.
Zorgregeling
- wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.
- inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat zowel [de minderjarige] als de ouders gebaat zijn bij het vastleggen van een duidelijke zorgregeling. De moeder heeft niet, althans onvoldoende, betwist dat er tussen de ouders een week-op-week-af regeling bestond. De rechtbank acht het zoals hierboven overwogen in het belang van [de minderjarige] dat deze regeling wordt hervat, zodra de moeder is terugverhuisd naar [plaats 1] . Met het oog hierop zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen, in die zin dat [de minderjarige] in de even weken bij de vader is en in de oneven weken bij de moeder, met een wisselmoment op maandagochtend naar school. Hierbij geldt dat [de minderjarige] in de week dat hij bij ene ouder is van woensdagmiddag na school tot donderdagochtend naar school bij de andere ouder is. Deze regeling gaat in na de terugverhuizing van de moeder, althans uiterlijk per 1 augustus 2026.
Voor de tussentijd, althans tot uiterlijk 1 augustus 2026, zal de rechtbank een weekend regeling bepalen, nu dit gelet op de afstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] het hoogst haalbare is, en deze regeling kennelijk reeds door partijen wordt uitgevoerd. De rechtbank zal daarbij bepalen dat vader [de minderjarige] op vrijdag uit [plaats 2] ophaalt en moeder [de minderjarige] op zondag bij vader weer ophaalt.
Voor het geval de moeder per 1 augustus 2026 niet is terugverhuisd naar [plaats 1] , zal de rechtbank een weekendregeling bepalen conform de bovenstaande weekendregeling, met dien verstande dat [de minderjarige] alsdan om de week een weekend bij de moeder zal zijn, met gespiegelde haal- en brengregeling.
Ten aanzien van de vakanties- en feestdagen zal de rechtbank geen regeling vastleggen. Zij gaat ervan uit dat de ouders tijdens het traject Ouderschapsbemiddeling in onderling overleg tot een verdeling hiervan zullen komen; waarbij de rechtbank opmerkt dat partijen hier al zeer dicht bij elkaar zitten.
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Omdat de rechtbank in de bodemprocedure, mede gelet op het aanvullende verzoek van de vader, een beslissing neemt over dezelfde onderwerpen als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.
Proceskosten
Gelet op het karakter van de onderhavige procedures ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren.
Beslissing
De rechtbank:
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/692959 / FA RK 25-7715 (art. 223 Rv):
*
wijst de verzoeken af;
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/689077 / FA RK 25-5633 (bodem):
*
bepaalt dat de vader voortaan samen met de moeder wordt belast met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ;
*
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader per 1 augustus 2026, onder de voorwaarde dat de moeder niet per 1 augustus 2026 met [de minderjarige] is (terug)verhuisd naar [plaats 1] ;
*
bepaalt tot de moeder is terugverhuisd naar [plaats 1] , althans tot uiterlijk 1 augustus 2026, een weekendregeling, in die zin dat [de minderjarige] om de week van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur bij de vader zal zijn, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdag haalt bij de moeder en de moeder [de minderjarige] op zondag bij de vader weer ophaalt;
*
bepaalt per 1 augustus 2026, in het geval de moeder is terugverhuisd naar [plaats 1] , een week-op-week-af regeling, in die zin dat [de minderjarige] in de even weken bij de vader is en in de oneven weken bij de moeder, met een wisselmoment op maandagochtend naar school. Hierbij geldt dat [de minderjarige] in de week dat hij bij ene ouder is van woensdagmiddag na school tot donderdagochtend naar school bij de andere ouder is;
*
bepaalt per 1 augustus 2026, in het geval de moeder dan niet is terugverhuisd naar [plaats 1] , een weekendregeling, in de zin dat [de minderjarige] om de week van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur bij de moeder zal zijn, waarbij de moeder [de minderjarige] op vrijdag haalt bij de vader en de vader [de minderjarige] op zondag bij de moeder weer ophaalt;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de moeder] , (de moeder)
wonende te [adres 2] ,
en
[de vader] , (de vader)
wonende te [adres 3] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.