RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.36434 en NL25.51260
V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en
(gemachtigde: mr. P. Loijenga).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 1 oktober 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Op 22 juli 2025 heeft eiser de minister in gebreke gesteld, omdat de minister niet tijdig op zijn aanvraag heeft beslist. Op 6 augustus 2025 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag (NL25.36434).
De minister heeft met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 de aanvraag afgewezen als ongegrond. De minister heeft eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (NL25.51260).
Op 10 november 2025 heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het alsnog genomen besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser gevraagd om de uitspraak van 10 november 2025 vervallen te verklaren. De rechtbank heeft dit gedaan bij uitspraak van 11 maart 2026.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
3. De rechtbank overweegt dat het eerste beroep, met kenmerk NL25.36434, is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. Voordat uitspraak op dit beroep is gedaan, heeft de minister alsnog beslist op de aanvraag. De rechtbank heeft eiser vervolgens gevraagd om gronden in te dienen als hij het niet eens is met het genomen besluit. Eiser heeft dat gedaan op 20 oktober 2025 in het beroep onder zaaknummer NL25.51260. De rechtbank heeft dat niet onderkend en de hiervoor onder 2.4 bedoelde uitspraak gedaan. Deze uitspraak is inmiddels vervallen verklaard.
Het beroep van eiser richt zich zowel tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag als tegen het alsnog genomen besluit.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
4. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
Op 13 oktober 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen. Omdat door de minister alsnog een besluit is genomen, bestaat er voor de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de minister alsnog een besluit op de aanvraag dient te nemen.
Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit is kennelijk niet-ontvankelijk.
Omdat de minister na het indienen van het beroep alsnog een besluit heeft genomen, is het beroep terecht ingediend, en moet de minister de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De te vergoeden proceskosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.
Het beroep tegen het alsnog genomen besluit
Het asielrelaas
5. Eiser stelt van Senegalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft Senegal verlaten, omdat hij problemen heeft gehad vanwege zijn homoseksualiteit. Hij heeft tijdens een feestje gezoend met [een man] . Hij is toen betrapt door [een andere man] . Hij haalde meerdere mensen erbij en eiser kwam uiteindelijk bij de politie terecht en is door de politie verhoord. Er was geen bewijs tegen eiser en hij mocht gaan. Eisers vader zei dat hij niet zou accepteren dat zijn zoon homoseksueel is. Zijn vader en een oom van eiser bedreigden eiser met de dood.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Nationaliteit, identiteit en herkomst;
2. Eisers problemen in Senegal met de politie en zijn naasten omdat hij homoseksueel is.
De minister heeft het eerste asielmotief geloofwaardig geacht, maar het tweede niet. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser zijn verklaringen over zijn gestelde problemen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotief volledig onderbouwen. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, waardoor eiser met zijn verklaringen zijn asielrelaas niet alsnog geloofwaardig heeft gemaakt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Zienswijze
7. De rechtbank overweegt dat een enkele verwijzing in het beroepschrift naar de zienswijze zonder daarbij aan te geven in hoeverre de minister in het bestreden besluit onvoldoende of onjuist op de zienswijze is ingegaan, geen gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Geloofwaardigheid verklaringen van eiser
8. De rechtbank stelt vast dat de minister conform WI 2019/17 en aan de hand van voorbeelden heeft gemotiveerd waarom hij van mening is dat het verhaal van eiser niet authentiek en gedetailleerd is. Eiser stelt hier alleen en ongemotiveerd tegenover dat zijn verklaringen passen bij zijn referentiekader en niet van hem had mogen verwacht dat hij gedetailleerder kon verklaren. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Uit het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen blijkt dat de minister het referentiekader van eiser kenbaar heeft betrokken. De minister heeft betrokken dat eiser tot zijn achttiende levensjaar naar school is geweest, heeft gewerkt in een drukkerij en vrienden had waarmee hij sprak. Ook heeft de minister in de beoordeling betrokken dat romantische relaties een onbespreekbaar onderwerp waren in eisers familie. De rechtbank acht daarbij relevant dat in het gehoor uitgebreid is doorgevraagd en dat eiser meermaals de gelegenheid heeft gehad om inzicht te geven in zijn beleefwereld. De rechtbank is met de minister van oordeel dat hij dit onvoldoende heeft gedaan. Ook heeft de minister zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser inconsistent heeft verklaard over de periode dat hij achter zijn homoseksualiteit kwam. De rechtbank stelt vast dat eiser de inconsistentie niet bestrijdt en ook niet aangeeft op welke manier zijn referentiekader bij deze tegenwerping van belang is. De rechtbank oordeelt dat de minister de seksuele geaardheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk.
Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit is ongegrond. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, omdat de minister pas na het verstrijken van de beslistermijn en na indiening van het beroep op de aanvraag heeft beslist.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.C. ten Hoopen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.