RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/700502 / JE RK 26-335
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.M. Sent uit Amsterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. C.C.J. Diderich uit De Meern.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
- de reactie op het rapport van de Raad, met producties, van de advocaat van de vader van 12 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1], namens de Raad;
[naam 2], namen de gecertificeerde instelling;
de vader met zijn advocaat;
de moeder, via een digitale verbinding;
de advocaat van de moeder.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder op een voor de vader geheime locatie.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad motiveert het verzoek als volgt. Volgens de Raad is er sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op met gescheiden ouders. De kinderen worden al lange tijd belast met de onderlinge strijd tussen de ouders en hun visieverschillen over de opvoeding. De moeder geeft aan dwingende controle te ervaren vanuit de vader en stelt dat de vader de kinderen ook betrekt in zijn bedreigende uitspraken. Het veiligheidshuis heeft de moeder geadviseerd naar een veilige pek te gaan, waarvan de vader niet weet waar het is. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn daarom door de moeder meegenomen naar een opvang elders in het land, waardoor zij alles in een keer achter zich hebben moeten laten. Sinds de verhuizing is er geen contact meer met de vader. De Raad is van mening dat de zorgen die door de moeder worden geuit serieus genomen moeten worden. Toch vindt de Raad het ook belangrijk dat het contact tussen de vader en de kinderen op korte termijn hersteld wordt. Het lukt de vader en de moeder niet om samen te werken en de hulp in het vrijwillig kader (gezamenlijk) voldoende te accepteren. Om de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen is de inzet van hulpverlening in het gedwongen kader daarom noodzakelijk.
4. De standpunten
Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. De moeder geeft aan dat de langdurige dreiging vanuit de vader een grote impact heeft gehad op het leven van haar en de kinderen. De moeder stelt dat er sprake is van ernstige onveiligheid. De vader heeft doodsbedreigingen geuit richting de moeder en betrekt ook de kinderen in zijn dreigementen. Zij heeft zich lange tijd niet gehoord gevoeld door de hulpverlening. De moeder geeft aan dat communicatie met de vader over zaken die de kinderen betreffen niet of nauwelijks mogelijk is en dat de kinderen hiervan het slachtoffer zijn. De moeder heeft het idee dat de vader zaken bewust frustreert. De moeder merkt op dat de kinderen beide last hebben van psychische klachten. Zij hebben moeite met slapen en hebben last van nachtmerries en bedplassen. Deze klachten zijn afgenomen sinds het verblijf op de opvang. Ook vinden de kinderen het moeilijk om te praten met onbekenden. De moeder vindt het belangrijk dat er snel passende hulp wordt ingezet voor de kinderen en dat er een ervaren jeugdbeschermer betrokken wordt. De moeder merkt op dat de kinderen de vader missen en zij vindt het belangrijk dat de kinderen contact hebben met de vader, maar alleen als dit op een veilige manier kan.
Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzoek. De vader ontkent dat er vanuit zijn kant sprake is geweest van bedreigingen of agressie richting de moeder en de kinderen. De vader geeft aan dat het niet zijn intentie is om dwars te liggen bij zaken die de kinderen betreffen, maar dat hij vaak moeilijk in contact komt met de betrokken professionals en hulpverleners. De vader wil graag weer (fysiek) contact met zijn kinderen. De vader wil geen strijd met de moeder. Hij vindt het fijn als er een jeugdbeschermer betrokken wordt die de bestaande spanningen kan wegnemen. De vader geeft de kinderrechter in overweging om de ondertoezichtstelling voor een half jaar uit te spreken en het overige deel aan te houden om op die manier een vinger aan de pols te houden.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad.
5. De beoordeling
Relatieve bevoegdheid
Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige. Artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die gezag over hem/haar uitoefent. Indien beide ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft. De kinderen wonen bij de moeder die niet in het arrondissement van de rechtbank Den Haag woont, waardoor deze rechtbank op grond van de algemene bepalingen niet bevoegd zou zijn van het verzoek kennis te nemen en de zaak zou moeten verwijzen. Ter zitting is duidelijk geworden dat de vader en de moeder geen verwijzing wensen. Gelet op artikel 270, eerste lid, derde volzin, Rv acht de rechtbank Den Haag zich daarom in dit geval alsnog bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
De ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De kinderrechter stelt vast dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden al jarenlang belast met de onderlinge spanningen en de strijd tussen de ouders. De moeder geeft aan al langdurig slachtoffer te zijn van dwingende controle vanuit de vader. Hoewel de vader zich niet herkent in de beschuldigingen van de moeder, merkt de kinderrechter op dat deze signalen serieus moeten worden genomen. De moeder heeft bij de politie aangifte gedaan nadat zij van de partner van de vader had vernomen dat de vader doodsbedreigingen heeft geuit richting de moeder. Zij is toen op advies van het veiligheidshuis met de kinderen vertrokken naar een opvang op een voor de vader geheime locatie. [minderjarige 2] laat veel verdriet en frustratie zien op de opvang. [minderjarige 1] ontfermt zich over hem, wat niet passend is bij haar leeftijd. De kinderrechter vindt deze situatie zorgelijk. De vader heeft sinds de verhuizing geen contact gehad met de kinderen. Het contactherstel komt lastig van de grond omdat het inschatten van de veiligheidsrisico’s als complex wordt ervaren door de betrokken hulpverlening. De kinderrechter stelt vast de moeder niet afwijzend tegenover contact tussen de kinderen en de vader staat, mits dit contact veilig kan plaatsvinden. Er is behoefte aan duidelijke veiligheids- en bodemafspraken. Daarnaast acht de kinderrechter het van belang dat er hulpverlening wordt ingezet zodat er zicht komt op de klachten en de behoeften van de kinderen. Er moet ook snel zicht komen op een eventuele behandeling van de neurologische klachten van [minderjarige 1]. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken wordt die hulpverlening kan inzetten voor de kinderen en de ouders en daarover de regie voert. De inzet van hulpverlening in het gedwongen kader is noodzakelijk om de veiligheid, ontwikkeling en het welzijn van de kinderen te waarborgen. De kinderrechter merkt op dat het belangrijk is dat de ouders samenwerken met de gecertificeerde instelling en ook hulpverlening voor zichzelf inzetten, als dit door de gecertificeerde instelling noodzakelijk wordt geacht. Het is daarbij van belang dat de gecertificeerde instelling onafhankelijk blijft en dat de ouders toestemming verlenen voor de hulpverlening die de gecertificeerde instelling wil inzetten. Er is op dit moment nog geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar. Mede gelet daarop, acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de duur van een half jaar te kort. Een jaar is passend om de benodigde hulpverlening van de grond te krijgen. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van één jaar.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 18 maart 2026 tot 18 maart 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.