Beschikking op het op 11 oktober 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W. Hoebba te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. R.Y. Reckers.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 31 oktober 2024 van de IND;
- de brief van 30 november 2024, met bijlagen, van verzoeker;
- de brief van 31 maart 2025 van de IND;
- een e-mailbericht van 23 juni 2025 van verzoeker;
- een e-mailbericht van 5 augustus 2025 van verzoeker.
Op 12 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: mr. Hoebba namens verzoeker en R.Y. Reckers namens de IND. Verzoeker is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen.
Verzoek en het standpunt van de IND
Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de IND in de proceskosten.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Feiten
Beoordeling
In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Verzoeker stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan.
Verzoeker is op 13 januari 2006 erkend door [naam] , van Nederlandse nationaliteit, waardoor verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Tevens heeft verzoeker op de Nederlandse ambassade te Paramaribo een optieverklaring
op grond van artikel II eerste lid onder b van de Rijkswet tot wijziging van de RWN van 27 juni 2008, Stb. 270 (iwtr. 1 maart 2009) afgelegd. Verzoeker stelt nog in afwachting te zijn van een rapport van DNA-onderzoek waaruit blijkt dat [naam] zijn biologische vader is. Verzoeker stelt op grond van het voorgaande de Nederlandse nationaliteit te hebben verkregen.
De IND stelt zich op het standpunt dat de erkenning in 2006 door een man met de Nederlandse nationaliteit, op grond van de regelgeving zoals die toentertijd gold, niet tot gevolg heeft gehad dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De RWN kende een dergelijke bepaling toen niet. Verzoeker heeft ook een optieverklaring afgelegd op grond van artikel II eerste lid onder b van de Rijkswet tot wijziging van de RWN van 27 juni 2008. Verzoeker was op het moment van de erkenning dertien jaar oud. In dat geval dient bij het afleggen van de optieverklaring bewijs te worden overgelegd dat de erkenner ook de biologische vader is. Dit bewijs is in die procedure niet overgelegd. De optieverklaring is daarom niet in behandeling genomen. Niet gebleken is dat op het door verzoeker ingediende bezwaar al is beslist. De IND concludeert dat verzoeker ook aan de optieverklaring niet het Nederlanderschap kan ontlenen en bovendien niet is gebleken dat verzoeker op ander wijze de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op het moment van de erkenning van verzoeker door [naam] kende de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) geen bepaling waardoor een kind door erkenning door een Nederlandse man de Nederlandse nationaliteit verkrijgt. Verzoeker heeft dus niet de Nederlandse nationaliteit verkregen door de erkenning door zijn vader.
Evenmin heeft verzoeker de Nederlandse nationaliteit verkregen door de optieverklaring. Op grond van artikel 6 eerste lid en onder c RWN wordt de Nederlandse nationaliteit immers slechts verkregen als de optieverklaring gevolgd wordt door de bevestiging van die verkrijging door de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt. De optieverklaring is echter niet in behandeling genomen en niet gebleken is dat op het daartegen gerichte bezwaar al is beslist. Van een bevestiging van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit in de zin van artikel 6 derde lid RWN is dus niet gebleken.
Het vorenstaande betekent dat het verzoek moet worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, A. Emmens en A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2026.