Beschikking op het op 14 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.V. Garib in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
volgens de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) geëmigreerd naar het buitenland.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 19 februari 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift van de vader strekt ertoe dat de vader voortaan met de moeder gezamenlijk wordt belast met het gezag over de kinderen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden welk recht van toepassing is op de vraag wie van rechtswege het gezag over de kinderen heeft. Artikel 16 eerste lid van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 bepaalt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen. Vaststaat dat de kinderen in Nederland, zijn geboren en hier hun gewone verblijfplaats hebben. De vraag wie van rechtswege het gezag over de kinderen heeft, wordt dan ook beheerst door Nederlands recht.
Omdat de ouders ten tijde van de geboorte van de kinderen niet waren getrouwd en geen aantekening hebben laten maken in het gezagsregister en de kinderen vóór 1 januari 2023 zijn geboren, stelt de rechtbank vast dat de moeder op grond van artikel 1:253b van het Burgerlijk Wetboek (BW) van rechtswege het eenhoofdig gezag uitoefent over de kinderen.
Vervolgens moet vervolgens de vraag worden beantwoord welke rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen en welk recht op het verzoek van toepassing is. Het verzoek betreft een geschil over het gezag en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter). Op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel IIter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Aangezien de kinderen de gewone verblijfplaats bij de vader in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht toepasselijk op onderhavig verzoek
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform het tweede lid van dit artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt om hem mede met het gezag over de kinderen te belasten. De vader stelt dat hij inmiddels al geruime tijd alleen zorgdraagt voor de kinderen. De moeder was gedurende de relatie niet betrokken of geïnteresseerd in de kinderen. Daarnaast was zij ook vaak weg van huis. De moeder heeft halverwege november 2024 de woning en het gezin verlaten. Aanvankelijk belde de moeder nog af en toe naar de kinderen, maar de afgelopen maanden is er vrijwel geen contact meer geweest.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en dat wat er op de zitting is besproken, is gebleken dat de moeder feitelijk geen invulling geeft aan het gezag over de kinderen. De vader heeft aangegeven dat er op heel onregelmatige basis contact is tussen de kinderen en hun moeder. De vader vermoedt dat de moeder naar Polen is gegaan. De afgelopen periode heeft de vader feitelijk alle gezagsbeslissingen over de kinderen alleen genomen, zonder dat hij gezag heeft. De moeder heeft een briefje geschreven waarin zij verklaart dat zij de vader de volledige rechten met betrekking tot beslissingen over de opvoeding van de kinderen en hun gezondheid geeft. Gelet op het voorgaande en het feit dat de moeder niet op de zitting is verschenen en geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank het verzoek van de vader om hem voortaan mede met het gezag over de kinderen te belasten als anderszins in hun belang toewijzen. De rechtbank wil daarbij haar complimenten uitspreken naar de vader. Hij heeft het naast zijn werk allemaal goed geregeld voor de kinderen waardoor zij zo min mogelijk last ondervinden van de situatie.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
BeslissingDe rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan aan de vader mede het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 maart 2026.