Beschikking op het op 16 december 2024 ingekomen verzoek van:
[de vader]
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Fakiri te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
Op 20 januari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt na wijziging:
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Feiten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 2] .
Beoordeling
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van art. 1:253c BW eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van een kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Dit verzoek wordt op grond van het tweede lid van voornoemd artikel slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vader stelt ter onderbouwing van zijn verzoek dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is. Er zijn geen redenen om daarvan af te wijken. De communicatie tussen partijen verloopt weliswaar moeizaam, maar de vader is bereid om daaraan te werken. Bovendien is er geen enkele aanwijzing dat hij het nemen van gezagsbeslissingen zal belemmeren.
Volgens de moeder is er geen grond voor gezamenlijk gezag. De communicatie tussen partijen is ernstig verstoord. De vader maakt herhaaldelijk verwijten richting de moeder en pogingen tot overleg leiden vrijwel altijd tot conflicten. Hierdoor zijn partijen niet in staat om gezamenlijk belangrijke beslissingen te nemen over de kinderen. Ook vreest de moeder dat, indien de vader mede met het gezag wordt belast, een reëel risico bestaat dat hij haar bij het nemen van gezagsbeslissingen onnodig zal belemmeren.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is echter wel vereist de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over de kinderen te belasten afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Zij hebben allebei een andere kijk op de ontstane situatie en maken elkaar over en weer verwijten. De draagkracht van de moeder ten aanzien van het contact met de vader is op dit moment zeer beperkt. Dat maakt dat het op dit moment niet mogelijk is om in gezamenlijk overleg beslissingen over de kinderen te nemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment een reëel risico bestaat dat de kinderen klem en verloren zullen raken tussen de ouders indien de ouders het gezag gezamenlijk zouden uitoefenen. De rechtbank verwacht niet dat de huidige situatie binnen afzienbare tijd voldoende zal verbeteren.
Omdat de rechtbank het verzoek tot gezamenlijk gezag zal afwijzen, zal zij in het vervolg spreken van een omgangsregeling.
Omgang
De ouders zijn het erover eens dat de kinderen ieder weekend bij de vader zullen verblijven, maar zijn het niet eens over de exacte dagen en tijden en de haal- en brengregeling.
De moeder wil dat de kinderen van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven. Op deze wijze worden de overdrachtsmomenten beperkt. De moeder is vanwege gezondheidsredenen niet in staat om de kinderen te halen of te brengen.
De vader wil dat de kinderen van zaterdagochtend tot zondagavond bij hem verblijven, waarbij de moeder de kinderen naar de vader brengt en de vader hen terugbrengt. De vader moet op vrijdag werken, waardoor hij de kinderen niet zelf kan ophalen. De vrijdagmiddag is dus alleen mogelijk als de moeder de kinderen naar de vader brengt. Daarnaast acht de vader het niet in het belang van de kinderen dat zij tot maandag naar school bij hem verblijven. Het is in de spits anderhalf uur rijden van de woning van de vader naar de school van de kinderen. Dat is te vermoeiend voor de kinderen. Bovendien moet de vader al om 07.00 uur op zijn werk zijn. Verder ervaart de vader de communicatie tijdens de overdrachtsmomenten niet als conflictueus.
De rechtbank overweegt dat het in het belang van de kinderen is om tijd met hun vader door te brengen. Daar komt bij dat de moeder heeft aangegeven dat zij de zorg voor de kinderen, mede vanwege haar gezondheid, als zwaar ervaart en daarin ontlast wil worden door de vader. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de kinderen iedere vrijdag vanuit school bij de vader zullen verblijven. De oma vaderszijde heeft aangegeven dat zij de kinderen niet langer wil ophalen bij de moeder vanwege de verstoorde communicatie. Aangezien de moeder niet aanwezig zal zijn op de school van de kinderen, gaat de rechtbank ervan uit dat de oma vaderszijde de kinderen op kan halen. Als dat niet mogelijk blijkt, is het de verantwoordelijkheid van de vader om te regelen dat de kinderen uit school worden opgehaald. Zoals ook de Raad op de zitting heeft aangegeven, is een reistijd van anderhalf uur voorafgaand aan een schooldag niet in het belang van de kinderen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de kinderen tot zondagmiddag bij de vader zullen verblijven. De vader moet de kinderen om 16.00 uur bij de moeder brengen.
De vader heeft op de zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de verdeling van de vakanties zoals de moeder die heeft verzocht. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder daarom toewijzen.
Informatieregeling
De vader vraagt ook om vastlegging van een informatieregeling ex artikel 1:377b BW. De moeder heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom als op de wet gegrond, onweersproken en in het belang van de kinderen toewijzen.
Kinderalimentatie
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Nu uit de stukken van de vrouw blijkt dat de man in de afgelopen periode geld heeft overgemaakt aan de vrouw zal de rechtbank de onderhavige alimentatie vaststellen per datum beschikking.
Partijen zijn het over een aantal aspecten eens en zoals ter zitting besproken zal de rechtbank in dit kader de alimentatieberekeningen van de zijde van de vrouw als uitgangspunt nemen.
Partijen zijn het er over eens dat de behoefte van de kinderen op basis van de gegevens van 2023, het jaar van uiteengaan van partijen, geïndexeerd naar 2025 per maand € 1.651,- bedraagt. Inmiddels dient dit bedrag naar 2026 te worden geïndexeerd. De rechtbank komt alsdan uit op een behoefte van afgerond € 1.728,- per maand.
Partijen zijn het voorts eens over het voor de draagkracht van de man te hanteren inkomen van de man, te weten inkomen op grond van de jaaropgave 2025 van € 41.453,- en een te verwachten winst uit onderneming van € 50.000,-. Partijen zijn het voorts eens over het voor de draagkracht te hanteren inkomen van de vrouw, te weten € 50.376,-.
Zoals ter zitting besproken gaat het tussen partijen met name om de schulden en de mate waarin deze bij de alimentatieverplichting betrokken moeten worden. Daarnaast is in geschil of het forfaitaire woonbudget bij de man in aanmerking moet worden genomen, nu de man op dit moment bij familie, woont.
De rechtbank acht in principe het forfaitaire woonbudget redelijk, nu deze beschikking bedoeld is voor de langere termijn en de rechtbank het redelijk acht dat de man in staat wordt gesteld om, conform het forfaitaire woonbudget, op zoek te gaan naar eigen woonruimte waar hij de kinderen ook kan ontvangen.
De rechtbank komt alsdan op de schulden.
De vrouw heeft in haar draagkrachtberekening een post aflossing van schulden opgenomen ter hoogte van € 357,- per maand. Dit betreft kennelijk de schuld ter zake van de DUO. De rechtbank gaat er gelet hierop vanuit dat de vrouw deze aflossing aannemelijk acht.
De man heeft gesteld dat naast de DUO schuld rekening moet worden gehouden met de schulden betreffende de studie die hij heeft gevolgd, kennelijk in het kader van zijn dienstverband, à € 24.458,- (per november 2025), een aantal belastingschulden van, gelet op productie 12, in totaal € 3.120,-, een verkeersboete van € 322,- en familieschulden.
De rechtbank overweegt dat de schuld aan de werkgever door de vrouw in beginsel niet is betwist. De status van de belastingschulden en de verkeersboete is voor de rechtbank onduidelijk, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. De rechtbank constateert voorts dat partijen het er kennelijk over eens zijn dat de man diverse, grote schulden heeft uitstaan bij familieleden van de vrouw ofwel als gevolg van gokken ofwel voor het ondersteunen van bedrijfsactiviteiten van de man, ofwel beide. Partijen zijn naar de vrouw heeft gesteld over een betalingsregeling hieromtrent in overleg geweest. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat dit in 2023 in ieder geval een schuld van € 70.000,- betrof. Partijen verschillen vervolgens van mening in hoeverre de man zich aan de hieraan verbonden aflossingsverplichtingen heeft gehouden; de man stelt dat hij in ieder geval aan de moeder van de vrouw € 11.000,- voldaan heeft.
De rechtbank overweegt dat ten aanzien van deze laatste schulden veel onduidelijk is gebleven. Echter, gelet op de orde van grootte van deze schulden, ongeacht de exacte grootte en de precieze aflossingen, acht de rechtbank het onrealistisch om geheel aan het bestaan van een aanzienlijke schuldenlast voorbij te gaan. Daarbij geldt dat tevens de gestelde studieschuld aanleiding is tot het aannemen van een aflossingsverplichting in dezen. De rechtbank zal in redelijkheid uitgaan van een totale aflossingsverplichting van € 800,- per maand.
Dit betekent bij een netto besteedbaar inkomen van de man € 4.990,- per maand, conform bijgevoegde berekening, dat de draagkracht van de man voor kinderalimentatie uitkomt op € 968,- per maand.
De rechtbank becijfert de draagkracht van de vrouw, gelet op het bovengenoemde inkomen en kindgebonden budget, conform bijgevoegde berekening op € 743,- per maand.
Dit betekent dat de gezamenlijke draagkracht € 1.711,- niet geheel volstaat voor de kosten van de kinderen (€ 1.728,-). Dit betekent dat de man zijn gehele draagkracht dient aan te wenden.
Ten aanzien van de zorgkorting zal de rechtbank gelet op de te bepalen omgangsregeling een percentage van 25% hanteren. De zorgkorting bedraagt dan € 424,- per maand. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel.
De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 545,- per maand (€ 968,- -/- € 424,-), derhalve afgerond € 272,- per kind per maand.
Beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek van de vader om hem mede met het ouderlijk gezag te belasten;
bepaalt dat de minderjarigen:
bij de vader zullen zijn:
- iedere vrijdagmiddag vanuit school tot zondagmiddag 15.00 uur, waarbij geldt dat de vader verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de kinderen;
bepaalt ten aanzien van de vakanties en feestdagen als volgt:
bepaalt dat de moeder eenmaal per maand aan de vader alle (medische) documenten, afkomstig van derden, die op de kinderen betrekking hebben, stuurt;
bepaalt de door de man met ingang van heden te betalen alimentatie voor de minderjarigen op € 272,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 maart 2026.