[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
UWV Bureau Tewerkstellingsvergunningen
(gemachtigde: mr. T.A. Meijer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om een tewerkstellingsvergunning.
Op 25 april 2024 heeft [werkgever] (de werkgever) voor eiser een tewerkstellingsvergunning aangevraagd voor de periode van 1 mei 2024 tot 26 april 2025. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 12 juli 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met het besluit van 7 oktober 2024 (bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om de tewerkstellingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Griffierecht
4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
Waar gaat deze zaak over?
5. Eiser heeft de Venezolaanse nationaliteit en heeft op 12 december 2019 in Nederland asiel aangevraagd. Die aanvraag is afgewezen. Deze afwijzing is definitief geworden met de uitspraak in hoger beroep op 15 november 2023.
6. Op 2 april 2024 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De werkgever heeft op 25 april 2024 een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning ingediend.
7. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de tewerkstellingsvergunning in paragraaf 8.2 van bijlage 1 bij de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (RuWav). De opvolgende asielaanvraag was namelijk nog niet 6 maanden in behandeling. Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn) biedt duidelijke aanknopingspunten dat deze wachttijd ook geldt bij een opvolgende asielaanvraag.
8. Eiser is het hier niet mee eens. Een redelijke uitleg van het Unierecht houdt in dat het recht op toegang tot de arbeidsmarkt herleeft door de opvolgende aanvraag. Dat eiser (opnieuw) 6 maanden geen toegang zou hebben tot de arbeidsmarkt, is in strijd met de menselijke waardigheid, het EU Handvest en artikel 17 van het Vluchtelingenverdrag. Eiser verwijst in dit verband ook naar arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 27 september 2012 en 14 januari 2021. De Opvangrichtlijn is onvoldoende duidelijk over de wachttijd in het geval van een opvolgende aanvraag. Het ligt daarom in de rede dat de rechtbank prejudiciële vragen stelt aan het HvJEU.
Heeft eiser procesbelang?
9. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of sprake is van procesbelang. Op de zitting is gebleken dat eiser inmiddels weer aan het werk is. In de periode van 1 mei 2024 tot 26 april 2025 heeft hij echter geen werkzaamheden kunnen verrichten. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij, als het beroep gegrond wordt verklaard, met het UWV in overleg wil gaan over een schadevergoeding voor de gemiste inkomsten. De rechtbank neemt aan dat eiser daarmee belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Had de minister (direct) een tewerkstellingsvergunning moeten verlenen?
10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat zijn recht op toegang tot de arbeidsmarkt direct herleefde op het moment van het indienen van zijn opvolgende asielaanvraag. De rechtbank licht dat als volgt toe.
In artikel 15 van de Opvangrichtlijn staat, voor zover relevant:
“1. De lidstaten zorgen ervoor dat verzoekers ten laatste negen maanden na de datum waarop het verzoek om internationale bescherming is ingediend, toegang hebben tot de arbeidsmarkt, indien de bevoegde instantie geen beslissing in eerste aanleg heeft genomen en de vertraging niet aan de verzoeker is te wijten.
2. (…)
3. De toegang tot de arbeidsmarkt wordt niet ongedaan gemaakt tijdens een beroepsprocedure, indien beroep tegen een negatieve beslissing in een normale procedure schorsende werking heeft, en wel tot het tijdstip van de kennisgeving van een negatieve beslissing over het beroep.”
Hieruit volgt dat de toegang tot de arbeidsmarkt ongedaan wordt gemaakt met een negatieve beslissing op het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Niet in geschil is dat dit in het geval van eiser is gebeurd met de uitspraak in hoger beroep op 15 november 2023. De tekst van de Opvangrichtlijn biedt geen aanknopingspunten dat het recht op toegang tot de arbeidsmarkt in het geval van een opvolgende asielaanvraag direct zou herleven. Anders dan eiser betoogt, is dat ook niet zonder meer in overeenstemming met de doelstellingen en context van de Opvangrichtlijn. De Opvangrichtlijn staat immers juist uitdrukkelijk beperkingen toe, zoals het hanteren van een wachttijd en het geven van voorrang aan EU-burgers en rechtmatig verblijvende derdelanders (artikel 15, eerste en tweede lid). De arresten van het HvJEU waar eiser op heeft gewezen, leiden niet tot een ander oordeel. Nu voldoende duidelijk is hoe het Unierecht moet worden uitgelegd en toegepast, is er geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de wachttijd bij een opvolgende aanvraag in strijd is met artikel 17 van het Vluchtelingenverdrag. Het UWV stelt terecht dat het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is, omdat eiser nog niet was erkend als vluchteling.
11. Het voorgaande betekent dat het UWV terecht is uitgegaan van een wachttijd van 6 maanden. Het UWV heeft ter zitting echter erkend dat die wachttijd al was verstreken op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. Dit betekent dat het UWV in het bestreden besluit ten onrechte bij de afwijzing van de aanvraag is gebleven omdat de wachttijd niet zou zijn verstreken. Het bestreden besluit kan daarom geen standhouden.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken de tijd.
Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft het UWV geen griffierecht aan hem te vergoeden. Nu het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 oktober 2024;
- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.