ECLI:NL:RBDHA:2026:9913

ECLI:NL:RBDHA:2026:9913

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer NL25.34867
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

VK, regulier, geen verlenging verblijfsdocument EU, 8 EVRM onvoldoende gemotiveerd: onjuist peilmoment, andere dochter niet betrokken, enige mate van afhankelijkheid niet meegewogen, beroep gegrond.

Uitspraak

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.W. Aartsen),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Kuster).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om vernieuwing van haar verblijfsdocument EU.

Eiseres heeft op 29 februari 2024 een aanvraag ingediend voor vernieuwing van haar verblijfsdocument EU (als verzorgende ouder van haar Nederlandse dochter). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 februari 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Daarbij heeft de minister ook het standpunt ingenomen dat intrekking van het verblijfsrecht van eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Met het besluit van 10 juli 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, met haar dochters [persoon1] en [persoon2] , mr. F. Hoppenbrouwer als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, A. Ben Mohammed als tolk en de gemachtigde van de minister.

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en heeft de uitspraaktermijn verlengd met zes weken.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om vernieuwing van het verblijfsdocument EU aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

3. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat intrekking van het verblijfsrecht van eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Waar gaat deze zaak over?

4. Eiseres heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij verblijft in Nederland bij haar dochters [persoon1] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 en [persoon2] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, beide met de Nederlandse nationaliteit. Eiseres had een verblijfdocument als verzorgende ouder van haar (destijds minderjarige) dochter [persoon2] , op grond van artikel 20 van het VWEU.

5. De minister heeft de aanvraag om verlenging van het verblijfsdocument EU afgewezen, omdat volgens de minister niet is gebleken dat eiseres en [persoon2] – die nu meerderjarig is – zo afhankelijk van elkaar zijn dat zij op geen enkele manier van elkaar gescheiden kunnen worden. Verder komt eiseres volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister neemt in het bestreden besluit aan dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en [persoon2] . De minister volgt niet dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en [persoon1] , omdat de minister uit de stukken en de Basisregistratie Personen (BRP) niet kan opmaken dat zij de dochter van eiseres is. Ook is niet gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt, omdat de intrekking van het verblijfsrecht inbreuk maakt op het familie- en gezinsleven met [persoon2] en het privéleven van eiseres. Volgens de minister weegt het belang van de Nederlandse staat zwaarder dan het persoonlijke belang van eiseres en [persoon2] .

6. Eiseres stelt primair dat er een ruimere invulling moet worden gegeven aan art. 20 van het VWEU, en dat haar verblijfsdocument daarom vernieuwd moet worden. Subsidiair stelt eiseres dat ten onrechte geen familie- en gezinsleven is aangenomen tussen haar en [persoon1] . Verder is het economische belang van de Nederlandse staat ten onrechte in haar nadeel gewogen. Ook is niet duidelijk welk gewicht de minister toekent aan het intensieve gezinsleven, en (onder andere) de emotionele en financiële afhankelijkheid. Ook heeft de minister de ingangsdatum van haar afgeleide verblijfsrecht niet juist vastgesteld, en is daarmee ook uitgegaan van een kortere periode in de belangenafweging. Eiseres wijst ook op haar banden met Nederland: zij heeft onder andere een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en bezoekt maandelijks met haar dochters het graf van haar overleden echtgenoot. Ook [persoon2] en [persoon1] hebben hier hun sociale kring en studie. Verder is sprake van emotionele afhankelijkheid en medische omstandigheden: zij hebben een heftige periode achter de rug vanwege het overlijden van hun vader/echtgenoot in 2021, [persoon2] heeft narratieve exposure therapie gehad en bij eiseres is een depressieve stoornis en PTSS vastgesteld. Ook is volgens eiseres niet inzichtelijk welk gewicht uiteindelijk is toegekend in de belangenafweging aan de positieve punten (jongvolwassenheid, samenwonen, intensief gezinsleven, voldoende inkomen).

Verlenging verblijfsdocument EU

7. Uit het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 8 mei 2018 volgt dat het, als de EU-burger meerderjarig is, alleen in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar is dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat aan de betrokken derdelander een afgeleid verblijfsrecht moet worden verleend. Daarvan is sprake als betrokkene, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat daarvan niet is gebleken. Dat sprake is van sterke afhankelijkheid, en de de vader van [persoon2] is overleden, is niet afdoende. De rechtbank volgt ook niet dat de minister moet aansluiten bij de leeftijdsgrens van 21 jaar uit Richtlijn 2004/38/EU. Die richtlijn gaat over Unieburgers die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer en hun familieleden, en is in het geval van eiseres niet van toepassing. Uit de arresten van het HvJEU blijkt dat het bij een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van de VWEU gaat om minderjarige kinderen.

Familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar dochters

8. De rechtbank kan de beoordeling van de minister van het familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar dochters niet volgen. De rechtbank licht dit als volgt toe.

[persoon2]

In het bestreden besluit is – zonder nadere toelichting – familie- en gezinsleven tussen eiseres en [persoon2] aangenomen. In het verweerschrift stelt de minister dat het peilmoment van het familie- en gezinsleven ligt op de datum van de aanvraag en dat [persoon2] ten tijde van die aanvraag minderjarig was. Om die reden is in het bestreden besluit familie- en gezinsleven aangenomen, maar er wordt dus niet toegekomen aan een toets aan het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank volgt de minister hierin niet. Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 november 2024 is het peilmoment voor de beoordeling van het familie- en gezinsleven in reguliere gezinsherenigingszaken het moment van het besluit op de gezinsherenigingsaanvraag. In deze zaak gaat het om een ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM na afwijzing van verlenging van een verblijfsdocument op grond van artikel 20 van het VWEU. Bij die gang van zaken past ook dat het besluit op de aanvraag als peilmoment wordt genomen (en dat dus wordt uitgegaan van meerderjarigheid). De minister heeft op de zitting alleen verwezen naar een interne werkinstructie over het peilmoment en heeft niet kunnen toelichten waarom de uitspraak van de Afdeling in dit geval niet van toepassing is. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de minister in het primaire besluit zelf heeft getoetst aan het jongvolwassenenbeleid en bijkomende elementen van afhankelijkheid, en heeft geconcludeerd dat daarvan geen sprake is. Op de hoorzitting op 15 mei 2025 is gezegd dat eiseres wordt gevolgd dat [persoon2] wel onder het jongvolwassenenbeleid valt, en dat daarom sprake is van familie- en gezinsleven. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit inhoudt dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en [persoon2] omdat aan het jongvolwassenbeleid wordt voldaan. Anders dan de minister acht de rechtbank deze vaststelling wel van belang, omdat de minister dan in de belangenafweging in ieder geval de omstandigheden moet betrekken die ten grondslag liggen dat het jongvolwassenenbeleid.

Welke gevolgen dit heeft wordt hieronder bij de belangenafweging uiteengezet.

[persoon1]

Verder is in de bezwaarfase, tijdens de hoorzitting, ook [persoon1] aan de orde gekomen. In het bestreden besluit is “voor de volledigheid” opgemerkt dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en [persoon1] , omdat volgens de minister uit de stukken en de BRP niet blijkt dat zij de (biologische) dochter is. Van de raadpleging van het BRP heeft de minister geen stukken overgelegd. In beroep heeft eiseres een BRP-uittreksel overgelegd van 4 september 2025, waaruit blijkt dat [persoon1] de dochter is van eiseres. Zij heeft op de zitting toegelicht dat de BRP-inschrijving al is geregeld toen zij naar Nederland kwamen, en dus niet op een later moment is aangepast. Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van de minister, dat ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende duidelijk was dat [persoon1] de dochter was van eiseres, daarom onvoldoende gemotiveerd. Dat betekent ook dat er, gelet op de leeftijd van [persoon1] , een toets aan het jongvolwassenenbeleid had moeten plaatsvinden. Ook is in het bestreden besluit onduidelijk of is getoetst aan bijkomende elementen van afhankelijkheid vanuit de veronderstelling dat [persoon1] niet de biologische dochter, maar wel de pleegdochter is van eiseres.

De motivering van de minister dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en [persoon1] is dan ook onvolledig, zodat er op dit punt een gebrek kleeft aan het bestreden besluit.

Belangenafweging

9. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de belangenafweging niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Zoals in r.o. 8.1 en 8.2 is overwogen, kan de rechtbank de minister niet volgen in zijn beoordeling dat het jongvolwassenenbeleid niet op [persoon2] van toepassing is, en dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en [persoon1] . Dat betekent dat de belangenafweging ook onvoldoende gemotiveerd is. De minister is er in de belangenafweging immers vanuit gegaan dat eiseres familie- en gezinsleven met één dochter heeft (in plaats van twee), en heeft de situatie van [persoon1] in het geheel niet betrokken. Ook dient de minister de omstandigheden van het jongvolwassenenbeleid (zoals de jongvolwassen leeftijd en het niet in eigen onderhoud voorzien) te betrekken. Dat heeft de minister niet gedaan. Over [persoon2] is immers opgemerkt dat zij inmiddels meerderjarig is, niet meer afhankelijk is van eiseres en dat daarom van haar verwacht mag worden dat zij zich in Marokko vestigt of op afstand contact houdt. Daaruit blijkt niet dat rekening is gehouden met enige mate van afhankelijkheid. Ook de financiële/materiële afhankelijkheid is niet betrokken: er is niet gekeken of [persoon2] en [persoon1] , die nog bij eiseres wonen en volgens eiseres ook door haar onderhouden worden, zich zonder haar kunnen redden. Het betoog van de minister op zitting, dat de financiële afhankelijkheid, medische omstandigheden en emotionele banden onderdeel uitmaken van het (intensieve) gezinsleven en op die manier zijn betrokken, acht de rechtbank onvoldoende. Ook had de minister de overleden vader/echtgenoot moeten betrekken in het kader van de banden van eiseres en haar dochters met Nederland. Bij het nemen van een nieuw besluit kan de minister ook rekening houden met de medische stukken die in beroep zijn overgelegd, die ook (deels) zien op de gevolgen van dit overlijden voor eiseres en [persoon2] . De rechtbank stelt verder vast dat de minister in het verweerschrift de ingangsdatum van de afgeleide verblijfsvergunning van eiseres heeft vastgesteld op 8 november 2018, waarmee sprake is van een langere periode van rechtmatig verblijf.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 juli 2025;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr.S.J. Valk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 18 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?