RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/701000 / JE RK 26-387
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen; de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.S. Bijsterbosch uit Maasdijk,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren uit Gilze,
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 10 maart 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 24 maart 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de ouder zonder gezag, te weten de vader. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
Op 13 maart 2026 heeft de moeder aan de rechtbank een e-mail bericht gestuurd, waarin zij heeft aangegeven mr. R.G. de Lange-Tegelaar te willen wraken. De wrakingskamer van de rechtbank heeft bij beslissing van 18 maart 2026 het wrakingsverzoek van de moeder kennelijk ongegrond verklaard en het wrakingsverzoek daarom afgewezen.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 10 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, die aan het dossier is toegevoegd.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat en stagiair [naam 1] als toehoorder;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 2] , namens de Raad;
- [naam 3] en [naam 4] namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
[minderjarige] verblijft bij haar vader.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 10 maart 2026.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder zonder gezag te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. De Raad maakt zich grote zorgen over de basisveiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . Veilig Thuis, de school, de wijkagent en de vader zien dat de moeder zichzelf en [minderjarige] isoleert. De moeder is zeer wantrouwend, ook in het bijzijn van [minderjarige] en is dan boos op de school en andere ouders. De moeder komt verward over en [minderjarige] kan geen onbelast contact hebben met haar leeftijdsgenootjes. De moeder heeft een belast verleden en is bekend met psychiatrische problematiek. Zij is gestopt met het innemen van medicatie. Er is al een half jaar weinig tot geen zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] ging ieder weekend naar de vader, maar heeft sinds 30 juli 2025 geen omgang meer met hem gehad. Sinds augustus 2025 gaat [minderjarige] niet meer naar school, omdat de school een nieuwe Veilig Thuis melding had gemaakt waar de moeder het niet mee eens was. Er zijn zorgelijke signalen over verwardheid en maatschappelijke teloorgang van de moeder. De moeder houdt het contact af met de GGZ, de huisarts, de politie, de woningbouw en Meldpunt Bezorgd. Ook de Raad mag niet bij de moeder binnen komen en met [minderjarige] in gesprek gaan. Het Sociaal Kernteam [regio] (SKT) en de huisarts hebben besloten om een Vooronderzoek Wet Verplichte GGZ (VWGGZ) te starten om te onderzoeken of er verplichte zorg is voor de moeder. Vanwege de ernst van de zorgen zijn een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Sinds 10 maart 2026 verblijft [minderjarige] bij de vader. Vanuit de rustige en veilige omgeving bij de vader, moet er een terugkeerplan voor bij de moeder worden gemaakt, waarbij het contact tussen [minderjarige] en haar familie en leeftijdsgenootjes bevorderd wordt. In de tussentijd moet de moeder focussen op haar persoonlijke problematiek. De jeugdbeschermer moet onderzoeken hoe [minderjarige] en de moeder veilig contact kunnen hebben, hoe het met [minderjarige] gaat en hulp bieden bij het verwerken van de recente gebeurtenissen. De Raad zal het beschermingsonderzoek en het onderzoek in het kader van gezag en omgang voortzetten.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling. Namens de moeder is aangegeven dat zij een bipolaire stoornis heeft, maar dat er geen sprake is van psychoses. De moeder is jarenlang stabiel geweest. De moeder is momenteel minder goed in staat om te relativeren, informatie te werken en instanties te vertrouwen. Ook heeft zij de neiging om controle te willen behouden. Dit komt door een overdracht van de zorg aan de huisarts, waarbij de moeder niet goed begeleid is, én verschillende stressvolle gebeurtenissen die van invloed zijn op haar psychische gesteldheid. De moeder wil benadrukken dat er geen enkel incident heeft plaatsgevonden waardoor [minderjarige] door de moeder in gevaar is gebracht. De moeder ontkent de zorgen niet, en zij wenst passende medicatie en ondersteuning. Namens de moeder is primair verzocht om afwijzing van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder wil dat [minderjarige] met passende ondersteuning -die nog niet is ingezet - weer bij haar kom te wonen. De moeder is bang dat [minderjarige] bij de vader wordt belast met volwassenenzaken en dat de vader een onjuist beeld van de moeder bij [minderjarige] schetst, waardoor de uithuisplaatsing bij de vader voor een verdere verwijdering tussen [minderjarige] en de moeder zorgt. Indien de machtiging tot uithuisplaatsing toch wordt toegewezen, verzoekt de moeder om een neutrale plaatsing, zodat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met zowel haar vader als haar moeder. Mocht het verzoek bij de vader worden toegewezen, dan is het van belang dat de Raad en de gecertificeerde instelling onderzoeken op welke wijze een terugkeer naar huis mogelijk is en moet hierop ingezet worden. Verder zegt de moeder desgevraagd dat zij wel heeft gezocht naar een passende school voor [minderjarige] , maar dit is door verschillende omstandigheden nog niet gelukt. De omgang tussen [minderjarige] en de vader is gestopt, omdat de moeder een omslag bij de vader voelde en zich na een incident niet meer veilig voelde. De moeder maakt zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader en vindt het kwalijk dat [minderjarige] tussen twee ouders inzit.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzochte. De vader deelt de zorgen van de Raad. De vader heeft heel voorzichtig gehandeld richting de moeder, maar toen de zorgen in 2025 steeds groter werden voelde hij zich genoodzaakt om een verzoek tot gezamenlijk gezag en het vaststellen van de vaste zorgregeling in te dienen. De vader hoopt dat de zorgen over de moeder binnen drie maanden zijn afgenomen, zodat [minderjarige] zo snel mogelijk weer bij de moeder kan wonen en de zorgregeling kan worden hervat. De vader staat niet achter een neutrale plaatsing van [minderjarige] bij een ander familielid. Bij de vader is er een bekende omgeving voor [minderjarige] . De vader praat niet slecht over de moeder en hij wil niet tussen hen in staan. De vader heeft geprobeerd om het contact met de moeder te behouden. Hij vindt het belangrijk dat er de komende periode zicht komt op de opvoedsituatie bij de moeder, dat er een behandelplan voor de moeder wordt opgesteld, en gekeken wordt hoe [minderjarige] terug kan naar de moeder en naar school. Hierbij moet zij contact kunnen behouden met de vader en met haar vriendinnen. Volgens de vader had [minderjarige] het naar haar zin op school.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Het gaat nu goed met [minderjarige] bij de vader. De gecertificeerde instelling zoekt dagbesteding voor [minderjarige] , waardoor zij weer kan wennen aan de schoolstructuur en leeftijdsgenootjes. Hierbij zal er eerst een-op-een worden gekeken naar de behoeftes van [minderjarige] en zal vervolgens het aantal dagen worden opgebouwd. Er zal ook steeds meer schoolwerk aangeboden worden. [minderjarige] heeft een lange periode geen onderwijs gehad en daarom kan zij beter eerst wennen aan structuur en regelmaat. Ook kan worden gekeken naar hoe [minderjarige] zich cognitief en sociaal-emotioneel ontwikkeld heeft. Het is de bedoeling dat [minderjarige] uiterlijk na de zomervakantie weer start op het regulier onderwijs. Het is nu niet mogelijk voor [minderjarige] om meteen te beginnen met onderwijs, omdat zij erg wantrouwend is naar scholen en hieromtrent veel spanning ervaart.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn grote zorgen over de persoonlijke problematiek van de moeder en het effect hiervan op [minderjarige] . [minderjarige] raakte steeds verder geïsoleerd. Zij was gewend om in het weekend naar de vader te gaan, maar had hem sinds 30 juli 2025 niet meer gezien. Ook is [minderjarige] na de zomer van 2025 niet meer naar school gegaan. De moeder is momenteel erg wantrouwend en [minderjarige] kan dit wereldbeeld overnemen. Gelet op het bovenstaande is er een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. Het is noodzakelijk dat er vanuit een rustige en vertrouwde opvoedsituatie wordt gekeken hoe het met [minderjarige] gaat en wat zij nodig heeft om zich weer positief te kunnen ontwikkelen. Dit kan de vader haar bieden en [minderjarige] heeft het fijn bij de vader. Ter zitting is gebleken dat het de intentie van alle betrokkenen is dat [minderjarige] tijdelijk bij de vader zal wonen en dat er zo snel mogelijk wordt toegewerkt naar een terugkeer van [minderjarige] naar de opvoedsituatie bij de moeder. Het is belangrijk dat de Raad de komende tijd onder meer onderzoekt onder welke voorwaarden dit mogelijk is. Doordat de moeder nu geen passende begeleiding krijgt, staat haar persoonlijke problematiek op de voorgrond. Het is noodzakelijk dat de moeder zich richt op het zoeken van hulpverlening voor haar persoonlijke problematiek, zodat zij weer stabiliseert en een beschikbare opvoeder voor [minderjarige] kan zijn. Het is van belang dat de gecertificeerde instelling ervoor zorgt dat [minderjarige] zo snel mogelijk dagbesteding heeft zodat daar onderzocht kan worden hoe zij zo snel mogelijk de overstap kan maken naar passend onderwijs in de regio. Ook moet de gecertificeerde instelling ervoor zorgen dat de moeder en [minderjarige] op een veilige wijze contact kunnen hebben.
Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht tot 10 juni 2026. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen tot 10 juni 2026.
De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 24 maart 2026 tot 10 juni 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder zonder gezag met ingang van 24 maart 2026 tot 10 juni 2026;
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. R.G. de Lange-Tegelaar, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.