RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32932
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van eiser met terugwerkende kracht vanaf 22 mei 2018 ingetrokken. Ook heeft verweerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Ambtshalve heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning regulier verleend met ingang van 19 oktober 2019 onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1]’.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 19 september 2024 heeft eiser beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 12 februari 2026 en 16 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft daar op 13 februari 2026 en 18 februari 2026 op gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld gevoegd met het beroep in de zaak van [naam 2] (NL.24.24644). Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en is Burger van de Democratische Republiek Congo (DCR). Eiser is op 22 mei 2018 als uitgenodigd vluchteling vanuit een vluchtelingenkamp in Oeganda naar Nederland gekomen (hervestigingsprocedure). De reden voor de verlening van de vluchtelingenstatus aan eiser in Oeganda door de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) is dat geloofwaardig is geacht dat hij vanwege zijn genderidentiteit (transgender) en seksuele gerichtheid in de DRC risico zou lopen op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser is vervolgens in Nederland in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2. Op 9 maart 2023 is eiser gehoord door verweerder omdat er twijfels waren ontstaan over de reden waarom aan eiser asiel was verleend. Dit naar aanleiding van een door eiser in de hoedanigheid van referent ingediende aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ voor zijn (gestelde) echtgenote.
3. Op 27 juni 2023 heeft verweerder eiser op de hoogte gebracht van het voornemen om de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht in te trekken en tevens de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af te wijzen. Eiser heeft een zienswijze ingebracht. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
Het bestreden besluit
Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser in de asielprocedure onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van zijn aanvraag zouden hebben geleid. De door eiser gestelde genderidentiteit en seksuele gerichtheid heeft verweerder niet langer geloofwaardig geacht.
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is vervolgens afgewezen op grond van artikel 34 van de Vw, in samenhang gelezen met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Omdat intrekking van de verblijfsvergunning van eiser in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wegens het familie-/gezinsleven dat eiser uitoefent met zijn in Nederland wonende minderjarige zoon, is aan eiser ambtshalve een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw verleend.
De beroepsgronden
Eiser stelt voorop dat weliswaar ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM aan hem is verleend met ingang van 9 oktober 2019, maar dat hij er nog belang bij heeft op te komen tegen de beslissingen over zijn verblijfsrecht asiel omdat door de intrekking per 22 mei 2018 een verblijfsgat is ontstaan.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de reden voor de asielverlening niet langer geloofwaardig heeft geacht. Het overlijden van zijn ouders in 2009 is ten onrechte ongeloofwaardig geacht, alsmede de geweldsdelicten in DCR en Oeganda. Ter onderbouwing van zijn asielmotieven verwijst eiser naar de overgelegde documenten waaronder een medische verklaring van 7 augustus 2015, een bericht van de District Crime Intelligence Officer van Kaabong Police Station van 28 juli 2017 en de brief van de Refugee Committe aan de UNHCR van 31 mei 2016. De ingediende stukken en het Resettlement Registration Form (RRF) had verweerder in onderlinge samenhang moeten beoordelen. Volgens eiser blijkt hier voldoende uit dat de veiligheidsproblemen die eiser in Oeganda heeft ondervonden samenhangen met zijn (toegedichte) seksuele gerichtheid en genderidentiteit. Dat eiser op dit moment geen kenbare uiting geeft aan zijn gestelde genderidentiteit en seksuele gerichtheid kan verweerder hem niet tegenwerpen, gelet op de robuuste statusdeterminatie door UNHCR en het overnemen daarvan door verweerder destijds.
Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van slechts twee asielmotieven, namelijk dat eiser door zijn seksuele gerichtheid en genderidentiteit gevaar loopt in de DCR in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder had ook de traumata die eiser heeft ondervonden in Oeganda, los van de vraag waardoor deze traumata zijn ontstaan, als zelfstandig asielmotief moeten zien en als zodanig moeten beoordelen. Mocht verweerder eisers seksuele gerichtheid en genderidentiteit niet geloofwaardig vinden, dan is er hoe dan ook sprake van traumata opgelopen vanwege toegedichte homoseksualiteit. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar het RRF van 28 september 2017.
Voor zover verweerder meent dat er sprake is van tegenstrijdigheden in eisers verklaringen, maken deze tegenstrijdigheden niet dat de vaststelling van zijn vluchtelingenstatus door de UNHCR destijds niet klopte. Verweerder heeft deze mogelijke tegenstrijdigheden bovendien gesauveerd met het verlenen van de status, aldus eiser. Het is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om terug te komen van eerder geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden uit het UNHCR-onderzoek die ten grondslag hebben gelegen aan de asielverlening door verweerder, zonder dat verweerder bewijst dat de ondersteunende stukken en de vaststellingen door de UNHCR feitelijk onjuist zijn en dat verweerder bovendien bij de asielverlening niet op de hoogte was van deze informatie. Het is onzorgvuldig dat verweerder geen navraag heeft gedaan bij de UNHCR naar aanleiding van de door verweerder gestelde nieuwe informatie over de asielmotieven van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij deze procedure.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft nu hij vanaf 9 oktober 2024 in het bezit is van een EU-verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Op basis van deze vergunning heeft eiser een verzoek tot naturalisatie gedaan. Een eventueel eerder verblijfsgat – in de periode van 22 mei 2018 tot 9 oktober 2019 – is daardoor niet meer relevant.
Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de ingangsdatum van het verblijfsrecht op zich al voldoende is om procesbelang aan te ontlenen. Hij doet hierbij een beroep op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1105. Ook meent eiser dat hij procesbelang heeft omdat hij in het verleden toeslagen en een uitkering op grond van de Participatiewet heeft ontvangen die teruggevorderd kunnen worden over de periode dat hij eventueel geen rechtmatig verblijf had. Ook bij de opbouw van de AOW of pensioenopbouw is de duur van het rechtmatig verblijf van belang. Tot slot wijst eiser nog op het belang dat hij heeft bij het kunnen zuiveren van zijn naam. Hij bestrijdt immers dat hij gegevens heeft achtergehouden en onwaarheden heeft gesproken over zijn geaardheid en genderidentificatie.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eiser in de toekomst bij de vaststelling van zijn AOW-uitkering nadelige gevolgen kan ondervinden van een periode waarin hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en daarom geen AOW-recht heeft opgebouwd, hem al voldoende procesbelang geeft bij onderhavige procedure. Dit is weliswaar een indirect belang op de langere termijn, maar eiser heeft geen andere mogelijkheid dan dit verblijfsgat in deze procedure aan de orde te stellen. Dat het wegvallen van opgebouwd AOW-recht inherent aan de intrekking is, doet niet aan dit procesbelang af.
Incompleet dossier
7. Eiser heeft aangevoerd dat niet alle stukken in het dossier aanwezig zijn, waardoor de rechtbank het bestreden besluit niet kan controleren en het beroep alleen al om die reden gegrond is. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat inmiddels wel alle stukken in het dossier aanwezig zijn. Deze grond kan daarom verder onbesproken blijven.
Geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt waardoor niet langer uitgegaan kan worden van de geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid en genderidentiteit, zoals door de UNHCR aangenomen. Verweerder heeft hierbij onder meer informatie en verklaringen van eiser betrokken uit de hervestigingsprocedure door de UNHCR, informatie uit de aanvraagprocedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor eisers echtgenote [naam 2] en de rapportage Digitaal Onderzoek (IRN) van 22 december 2022. Verweerder heeft daarbij terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ5225, overwogen dat hij niet gehouden is het standpunt van de UNHCR te volgen, maar een eigen beoordeling mag maken. Voor het standpunt dat verweerder de nieuwe informatie had moeten voorleggen aan het UNHCR of daarover navraag had moeten doen bij het UNHCR, ziet de rechtbank geen grond.De rechtbank licht haar oordeel over verweerders beoordeling van de geloofwaardigheid hierna toe.
Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn relatie tot [naam 2]. Eiser heeft in 2018 een mvv-aanvraag ingediend voor [naam 2], waarbij hij stelt dat zij zijn zus is. Eiser zou sinds de dood van haar echtgenoot en eisers gestelde zwager, [naam 4], voor haar en haar kinderen hebben gezorgd. In de gehoren bij de UNHCR en het hervestigingsgehoor heeft eiser hen niet genoemd als familieleden. Ter onderbouwing van hun familieband heeft eiser een geboorteakte overgelegd van [naam 2] en de huwelijksakte van [naam 2] met [naam 4]. In beide aktes worden [naam 5] en [naam 6] als haar ouders genoemd. Eiser zelf heeft bij de UNHCR verklaard dat zijn ouders eveneens [naam 5] en [naam 6] zijn. De mvv-aanvraag is afgewezen door verweerder omdat de identiteit van [naam 2] en de familierechtelijke relatie met eiser onvoldoende waren aangetoond.
In 2022 heeft eiser opnieuw een mvv-aanvraag ingediend voor [naam 2] en haar kinderen, waaronder inmiddels ook een kind van eiser en [naam 2] samen ([naam 7]). Eiser heeft in deze aanvraag aangegeven dat [naam 2] zijn echtgenote is. Uit de overgelegde kopie van hun huwelijksakte blijkt dat zij in 2022 zijn getrouwd in Oeganda. Deze mvv-aanvraag is door verweerder afgewezen omdat onder meer de aanvraag onvoldoende met bewijsstukken was onderbouwd en niet aan het middelenvereiste werd voldaan. Eiser heeft in bezwaar verklaard dat [naam 2] zijn schoonzus was en dat zij was getrouwd met zijn halfbroer ([naam 4]). Toen hij het had over zijn zus bedoelde hij dus zijn schoonzus, iets dat past binnen het religieus/cultureel spraakgebruik, aldus eiser.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze verklaring terecht onvoldoende heeft geacht, gelet op de uitdrukkelijke vermelding in de eerste mvv-procedure dat [naam 2] de zus van eiser is en dat haar overleden echtgenoot zijn zwager was, en op de documenten die zijn overgelegd en waaruit blijkt dat eiser en [naam 2] dezelfde ouders hebben. Ook heeft eiser geen afdoende verklaring gegeven voor het feit dat op zijn huwelijksakte met [naam 2] ineens een andere vader van haar staat genoemd dan op haar geboorteakte en de akte van haar huwelijk met [naam 4]. Pas nadat eiser is geconfronteerd met deze verschillende namen, tijdens het gehoor op 9 maart 2023, heeft eiser zonder onderbouwing gesteld dat de in de eerste mvv-procedure overgelegde geboorteakte en huwelijksakte fouten bevatten. De enkele stelling dat [naam 2] ervoor heeft gekozen om zijn ouders als haar eigen ouders op de genoemde aktes te laten registreren, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten, alleen al omdat niet valt in te zien dat [naam 2] zelf zou kunnen kiezen wie ze als haar ouders op haar officiële geboorte- en huwelijksakte geregistreerd wil zien.
Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over onder meer zijn ouders en broers. Eiser heeft bij de UNHCR verklaard dat zijn ouders in 2009 zijn gedood door de FDLR, waarna eiser met zijn broers en zussen en zijn neef [naam 8] bij een tante ging wonen. Eiser en [naam 8] kregen een relatie met elkaar en dit werd ontdekt door een van zijn jongere broers. Eiser en [naam 8] moesten daarop het huis verlaten, omdat de familie de relatie niet accepteerde en zij het risico liepen te worden gedood. Ze gingen vervolgens naar een vriend van eiser in Goma, maar ook daar kregen ze problemen vanwege hun homoseksuele relatie. Zij besloten daarop naar Oeganda te vertrekken.
Uit het IRN-onderzoek heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank terecht, kunnen concluderen dat de ouders van eiser niet overleden zijn en dat eiser contact met hen heeft. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder zich onder meer gebaseerd op de verschillende sociale media-accounts van eiser en [naam 2]. Op één van de accounts zijn onder meer foto’s geplaatst van de bruiloft van eiser met [naam 2], waar het bruidspaar met een man op de foto staat, die door [naam 2] wordt aangeduid als de vader van eiser. Diezelfde man staat in de vriendenlijst van eiser als [naam 5], de naam van zijn vader. Ook zijn er foto’s aangetroffen van eiser met een vrouw die zijn zoontje [naam 7] vasthoudt en uit de onderschriften bij de foto blijkt dat de vrouw de moeder van eiser is.
Via de Facebookaccounts van eiser heeft verweerder eveneens de Facebookaccounts gevonden van de broers van eiser, [naam 9] en [naam 10], over wie eiser tijdens het gehoor van 9 maart 2023 heeft verklaard dat hij geen contact meer met hen had.
Eiser heeft tijdens het gehoor van 9 maart 2023 verklaard dat de man en de vrouw die in het IRN-onderzoek zijn aangeduid als zijn ouders, niet zijn ouders maar [naam 11] en [naam 12] zijn. De vader van [naam 11] en de vader van eiser zouden broers zijn. Hij had [naam 11] en [naam 12] uitgenodigd op zijn bruiloft als getuigen, hoewel zij uiteindelijk niet als zodanig zijn opgetreden omdat zij niet de Oegandese nationaliteit hebben. Eiser heeft verder verklaard dat de naam [naam 5] ook de naam van zijn overgrootvader was en dat zodoende ook [naam 11] deze naam kon gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser deze uitleg niet aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van de mannen die in het IRN-rapport als [naam 9] en [naam 10] zijn aangeduid, heeft eiser verklaard dat dit niet zijn broers zijn, maar twee vrienden, [naam 13] en [naam 14], uit het vluchtelingenkamp. Eiser heeft geen verklaring kunnen geven over waarom deze mannen zichzelf op Facebook [naam 9] en [naam 10] noemen, waarom zij op Facebook connectie hebben met onder andere [naam 5] en zij elkaar onderling ook als broer /vader aanduiden en waarom zij op Facebook connectie hebben met [naam 2]. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder nader onderzoek moest doen naar de door eiser overgelegde kopieën van vier stempassen (van de man die zich op Facebook identificeert als [naam 5], zijn vrouw [naam 12], [naam 13] en [naam 14]) nu het kopieën betreffen, zodat geen uitspraak gedaan kan worden over de echtheid. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding eiser te volgen in zijn standpunt dat verweerder een DNA-onderzoek zou moeten faciliteren en financieren om aan te tonen dat de man uit het IRN-onderzoek ([naam 11]) niet eisers vader is. Daargelaten of het op verweerders weg ligt dit aan te tonen, heeft verweerder terecht opgemerkt dat een DNA-onderzoek niet wegneemt dat eiser niet met overtuigende verklaringen of bewijsstukken heeft aangetoond dat zijn ouders en broers niet meer in leven zijn en dat hij daarover onjuiste gegevens heeft verstrekt. Evenmin maakt – zoals verweerder terecht opmerkt – een DNA-test eisers gestelde genderidentiteit en seksuele gerichtheid geloofwaardig.
Verweerder heeft kunnen overwegen dat de genoemde tegenstrijdigheden ernstig afbreuk doen aan de algehele geloofwaardigheid van de door eiser afgelegde verklaringen. Hoewel het (gestelde) overlijden van de ouders van eiser niet direct ten grondslag heeft gelegen aan de asielverlening door de UNHCR, is de rechtbank verder van oordeel dat verweerder de tegenstrijdige verklaringen die eiser hierover heeft afgelegd wel aan hem heeft kunnen tegenwerpen. Over het overlijden van eisers ouders heeft eiser immers verklaard bij de UNHCR en dit was volgens eiser het startpunt van een reeks gebeurtenissen die uiteindelijk hebben geleid tot de asielverlening.
Verweerder volgt eiser niet langer in zijn verklaringen dat zijn genderidentiteit vrouw is en dat hij zich seksueel aangetrokken voelt tot mannen. Verweerder werpt eiser in dit verband mede tegen dat hij zich niet gedraagt als homoseksueel en transgender, terwijl eisers genderidentiteit en seksuele gerichtheid wel de kern voor de asielverlening is geweest. Eiser heeft bij de UNHCR verklaard dat hij homoseksueel is, dat hij zich vrouw voelt en zichzelf [naam 15] noemt. Sindsdien is eiser getrouwd met [naam 2] en heeft hij twee kinderen gekregen; zoon [naam 7] samen met [naam 2] in Oeganda en zoon [naam 1] bij [naam 16] in Nederland. Over zijn transitie van man naar vrouw heeft eiser bij het gehoor van 9 maart 2023 verklaard dat hij zich in Nederland [eiser] noemt, dat hij zich uiterlijk als een man presenteert en dat hij zijn vrouw-zijn beleeft door seksueel contact met mannen. Hij is in het voorjaar van 2020 wel bij zijn huisarts geweest om de transitie te bespreken, maar hij staat nog niet op een wachtlijst hiervoor. Verweerder vindt het opvallend dat eiser de dag na het gehoor dat plaatsvond omdat vragen waren gerezen over de reden voor de asielverlening, op één van zijn Facebookaccounts zijn profielnaam heeft veranderd in [naam 17] en de foto’s van zijn bruiloft met [naam 2] heeft verwijderd. Verweerder volgt eiser niet in zijn verklaring dat hij door het contact met [naam 2] heeft ontdekt dat hij biseksueel is en dat hij – naast deze relatie – in Nederland ook een relatie heeft met een man, [naam 18], en dat hij daarvoor een relatie had met een man uit Noorwegen, [naam 13].
Eiser voert aan dat verweerder niet aan eiser kan tegenwerpen dat hij geen kenbare uiting geeft aan zijn gestelde genderidentiteit en seksuele gerichtheid, gelet op de robuuste statusdeterminatie door UNHCR en het overnemen daarvan door verweerder destijds. Dat eiser onvoldoende vorderingen maakt ten aanzien van de transitie mag verweerder ook niet aan hem tegenwerpen, omdat dat vaststellingen van medische aard zijn. Eiser voert verder aan dat hij met de eerder door hem overgelegde documenten zijn gestelde genderidentiteit en gestelde seksuele gerichtheid en de daardoor ondervonden problemen heeft aangetoond.
De rechtbank is het met eiser eens dat het ‘zich tonen of gedragen’ als heteroseksuele man niet betekent dat iemand dit ook is. Dit neemt echter niet weg dat het aan eiser is om zijn gestelde seksuele gerichtheid en genderidentiteit aannemelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. Verweerder heeft daarbij allereerst kunnen betrekken dat eiser tegenstijdig heeft verklaard, waardoor niet langer uitgegaan kan worden van het standpunt van de UNHCR. De rechtbank verwijst hiervoor naar punt 8.1 tot en met 8.3.3.
Verder heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser zijn gestelde relaties met [naam 18] en [naam 13] niet heeft onderbouwd. De foto’s van eiser, zittend met een man (volgens eiser [naam 18]) op de bank en met zijn arm om hem heen, heeft verweerder daartoe onvoldoende kunnen achten. Eiser weet verder niet de achternaam van [naam 18], kan geen screenshots laten zien van hoe het gestelde contact met [naam 18] via de datingapp Badoo tot stand is gekomen of screenshots van WhatsApp-gesprekken met [naam 18]. Dat eiser geen toegang meer heeft tot deze gesprekken omdat zij elkaar hebben geblokt hebben op WhatsApp nadat de relatie is geëindigd, komt voor eigen risico van eiser. Over de door eiser eerder overgelegde documenten heeft verweerder overwogen dat Bureau Documenten geen uitspraak heeft gedaan over de echtheid daarvan zodat de documenten geen overtuigend bewijs vormen voor de stellingen van eiser. Verweerder heeft de documenten wel inhoudelijk betrokken in zijn beoordeling. Verweerder heeft wat betreft de inhoud van de documenten op goede gronden overwogen en per document toegelicht dat – kort samengevat – daaruit niet blijkt dat de genoemde (veiligheids)problemen samenhangen met eisers gestelde genderidentiteit en seksuele gerichtheid, en dat er niet van de inhoud van de documenten kan worden uitgegaan nu de verklaringen van eiser ongeloofwaardig zijn en op punten niet te rijmen zijn met de inhoud van de overgelegde documenten. Wat betreft de aanval op eisers gezin en de verkrachting van zijn stiefdochter heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet heeft onderbouwd dat er een verband is met zijn seksuele geaardheid. Verder heeft verweerder op goede (en door eiser niet concreet bestreden) gronden kunnen overwegen dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat zijn huwelijk met [naam 2] is gesloten uit zelfbescherming of onder druk.
De beroepsgrond slaagt niet.
Traumata als zelfstandig asielmotief
Eiser stelt onder verwijzing naar het RRF dat sprake is van traumata die zijn ontstaan vanwege zijn seksuele gerichtheid en genderidentiteit. Gelet op deze gestelde samenhang en nu de seksuele gerichtheid en genderidentiteit niet ten onrechte door verweerder niet langer geloofwaardig zijn bevonden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder primair niet langer hoefde uit te gaat van de geloofwaardigheid van de traumata.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de gestelde traumata vanwege toegedichte homoseksualiteit niet als zelfstandig asielmotief beoordeeld hoefden te worden. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat het RRF, waaruit volgens eiser blijkt dat hij traumata heeft opgelopen vanwege toegedichte homoseksualiteit, is opgesteld naar aanleiding van de verklaringen van eiser. Uit het RRF blijkt niet dat de verklaringen van eiser objectief geverifieerd zijn. Verweerder hoeft daarom niet zonder meer uit te gaan van de inhoud van het RRF. Daarnaast heeft verweerder terecht opgemerkt dat hij een eigen beoordeling mag maken. Verweerder overweegt wat betreft de problemen die eiser zou hebben ondervonden niet ten onrechte dat eiser wel stelt dat die samenhangen met zijn gestelde seksuele geaardheid/genderidentiteit, maar dat hij dit niet heeft onderbouwd. Niet ten onrechte overweegt verweerder (kort samengevat) dat de door eiser gestelde samenhang niet blijkt uit de door eiser overgelegde documenten dan wel dat daarin een andere toedracht is vermeld. De rechtbank verwijst wat betreft deze documenten en de bewijskracht daarvan verder naar wat zij hiervoor onder 8.4.3 heeft overwogen. Met betrekking tot de door eiser overgelegde verklaring van de District Crime Intelligence Officer van Kaabong Police Station van 28 juli 2017, waarin is vermeld dat eiser is aangevallen door mensen die hem ervan verdenken homoseksueel te zijn, overweegt de rechtbank daarnaast dat zij hieruit niet kan opmaken waarop deze informatie is gebaseerd. Verweerder heeft verder terecht overwogen dat de algemene landeninformatie die in het RRF is vermeld, gaat over de situatie in de DRC en Oeganda in het algemeen en geen onderbouwing is van de door eiser gestelde ondervonden problemen. Gelet op dit alles heeft verweerder er dan ook niet van hoeven uitgaan dat sprake is van traumata vanwege toegedichte homoseksualiteit.
De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtszekerheid
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld met de intrekking van eisers asielvergunning. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan verweerder immers de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekken als de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt en tegenstrijdig heeft verklaard waardoor niet langer uitgegaan kan worden van de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven, is verweerder bevoegd om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken.
Dat verweerder na een hervestigingsprocedure een asielvergunning had verleend aan eiser, waarbij destijds is uitgegaan van de beoordeling van de UNHCR, maakt dat niet anders. Verweerder doet hierbij terecht een beroep op de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2013, waaruit volgt dat verweerder niet gehouden is om het standpunt van de UNHCR te volgen. Het ging in deze zaak weliswaar om de verlening van een asielvergunning en niet zoals in geval van eiser om een intrekking, maar nu zowel de intrekking als de verlening van een asielvergunning een zelfstandige bevoegdheid is van verweerder, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder geen gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid. Bovendien zijn de intrekkingsgronden zoals opgenomen in paragraaf C2/10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) (zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit) op grond van paragraaf C1/4.10.4 van de Vc ook van toepassing op een vreemdeling die in het kader van hervestiging een verblijfsvergunning asiel voor Nederland heeft ontvangen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.