ECLI:NL:RBDHA:2026:9923

ECLI:NL:RBDHA:2026:9923

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer 26.10299
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Dublin Roemenië. Arrest C.K. Beroep gegrond. Mondelinge uitspraak.

Uitspraak

Feiten en omstandigheden

1. Eiser heeft op 13 augustus 2025 bij de minister een asielaanvraag ingediend. De minister heeft naar aanleiding van die asielaanvraag onderzoek in – onder meer – EU-Vis verricht op basis van de vingerafdrukken van eiser. Hieruit bleek dat Roemenië een visum heeft verleend aan eiser met een geldigheidsduur van 5 augustus 2025 tot 27 augustus 2025. Daarop heeft de minister bij de Roemeense autoriteiten een claim gelegd, die op 12 november 2025 is geaccordeerd op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.

2. De minister heeft een aanmeldgehoor gehouden met eiser op 4 januari 2026. Hier heeft eiser – samengevat, en voor zover voor het hier bestreden besluit van belang – het volgende verklaard. Eiser geeft aan dat hij continu in angst leeft en zelfmoordgedachtes heeft. Vanwege die gedachten over suïcide is hij naar een instituut gestuurd. Op de vraag of hij bezwaren heeft tegen een overdracht aan Roemenië geeft hij aan dat de gezondheidszorg in Nederland tientallen keren beter is dan in Roemenië. De behandeling die hij hier krijgt voor zijn geestelijke gesteldheid is erg goed. Eiser is in Nederland begonnen met deze behandeling. Eiser verklaart dat hij zichzelf iets zal aandoen als hij zal worden overgedragen aan Roemenië.

Bestreden besluit

3. De minister heeft met het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van de Vw 2000. De minister stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Er is volgens de minister geen reden om aan te nemen dat in Roemenië sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen, zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218). De minister gaat ervan uit dat Roemenië zich houdt aan de verschillende richtlijnen van het Europese asielrecht. In geval van voorkomende problemen dient eiser zich te wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Roemenië of de daarvoor aangewezen instanties. De minister heeft geen reden om aan te nemen dat deze eiser niet zouden helpen. De minister vindt tenslotte dat er geen reden is om de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht getuigt van een onevenredige hardheid. In de gestelde medische omstandigheden ziet de minister geen reden om de asielaanvraag in behandeling te nemen. Eiser heeft geen recente medische documenten of informatie overgelegd waaruit de door hem geschetste situatie blijkt. Indien eiser toestemming geeft, kan de minister op grond van artikel 32 van de Dublinverordening voorts relevante medische informatie uitwisselen met Roemenië. Het feit dat eiser medische zorg nodig heeft, op zichzelf niet genoeg. De minister mag erop vertrouwen dat de medische zorg in Roemenië hetzelfde is als in Nederland, en dat eiser ook toegang tot deze zorg heeft. Er zijn volgens de minister tenslotte evenmin aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen.

Standpunt eiser

4. Eiser voert aan dat de minister moet onderzoeken of en hoe een overdracht aan Roemenië mogelijk is en of dit in strijd zou komen met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij stelt dat hij onder medische behandeling staat en was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis (Parnassia groep). Nadat hij daar is weggegaan is hij op 16 april 2026 opnieuw opgenomen, omdat hij weer serieuze zelfmoordplannen had.

5. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser in beroep op 2 maart 2026 en 20 april 2026 nadere documenten overgelegd. Het betreft de navolgende stukken.

Ingediend op 2 maart 2026

Ingediend op 20 april 2026

Beoordeling

6. De rechtbank beoordeelt of de minister het bestreden besluit terecht heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden (de argumenten) van eiser.

Medische situatie

Standpunt van de minister

7. De rechtbank heeft de minister per brief van 4 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om te reageren op het onder 4 weergegeven betoog van eiser en de op 2 maart 2026 door eiser ingediende medische stukken.

8. In de brief van 17 maart 2026 heeft de minister zijn reactie gegeven. De minister stelt zich hierin op het standpunt dat hij onvoldoende aanleiding ziet om het Bureau Medische Advisering (BMA) te vragen een onderzoek op te starten, gelet op Werkinstructie 2021/3 (WI 2021/3). Uit de in beroep overgelegde medische stukken blijkt volgens de minister namelijk niet dat de overdracht aan Roemenië een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale toestand dat sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Uit de medische stukken blijkt dat eiser al jaren suïcidale gedachten heeft en dat één en ander de afgelopen tijd lijkt te zijn geluxeerd door een negatieve beslissing van het COa. Dit staat los van een toekomstige overdracht van eiser aan Roemenië. Hoewel de minister de gezondheidstoestand van eiser betreurt, is de gezondheidstoestand volgens de minister onvoldoende gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht. In dat geval wordt er, gelet op WI 2021/3, geen BMA-onderzoek opgestart. De minister benadrukt nog dat uit de overgelegde medische stukken blijkt dat in het geval van eiser ook geen sprake is van een gedwongen opname in een psychiatrische kliniek, maar van een vrijwillige opname.

9. Tijdens de zitting heeft de minister zich primair op het standpunt gesteld dat hij, ook met inachtneming van de op 20 april 2026 overgelegde stukken, geen reden ziet om BMA een advies te laten uitbrengen. Dit met name omdat het suïciderisico nog steeds onvoldoende is gerelateerd aan de overdracht aan Roemenië, aldus de minister. Daarnaast heeft de minister ter zitting aangegeven dat hij niet het subsidiaire standpunt inneemt dat de minister het BMA onderzoek zal laten doen naar de implicaties van de mogelijke overdracht op de gezondheidstoestand van eiser, gelet op het feit dat de uiterste overdrachtstermijn binnenkort afloopt en een BMA-onderzoek praktisch niet meer goed mogelijk is.

Beoordeling rechtbank

10. De rechtbank vat het onder 4 weergegeven betoog van eiser aldus op dat hij zich beroept op het arrest C.K. van het HvJ-EU van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127; het arrest C.K.) – en dat hij zich op het standpunt stelt dat de minister in dit kader nader onderzoek dient te doen.

11. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

12. Het HvJ-EU heeft in het arrest C.K. geoordeeld dat overdracht van een asielzoeker achterwege dient te blijven indien dit een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. Onder die omstandigheden zou die overdracht namelijk een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) vormen. Het HvJ-EU heeft in de paragrafen 75 en 76 van het arrest C.K. – verkort weergegeven – overwogen dat in de situatie dat de vreemdeling voornoemde gegevens overlegt, het aan de autoriteiten is om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen.

13. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen (zie de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7) dat uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Dergelijke gegevens kunnen ook in de rechterlijke fase worden overgelegd, waardoor op basis daarvan – alsnog – een vergewisplicht kan worden aangenomen voor de minister (zie de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:23). De vergewisplicht vereist vervolgens dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een betrokkene deugdelijk gemotiveerd wegneemt.

13. De hiervoor bedoelde vergewisplicht treedt – onder meer – in wanneer het risico dat een betrokkene suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. Zie in dat verband de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4) en 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2).

15. Volgens par. 5 van Werkinstructie (WI) 2021/3 moet een BMA-onderzoek worden opgestart als een betrokkene tijdens de Dublinprocedure een impliciet of expliciet beroep doet op het arrest C.K. of op de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, omdat er bij hem sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en hij aantoont dat hij onder actieve medische behandeling staat van een behandelaar/specialist. Als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, zal de minister dit risico door het BMA laten onderzoeken (WI 2021/3, pag. 3). Voor een betrokkene met suïcideneigingen, is in WI 2021/3 vermeld dat de betrokkene objectieve medische stukken van een behandelaar moet overleggen, die aantonen dat de behandelaar het risico dat een betrokkene suïcide zal plegen als gevolg van de overdracht als reëel inschat. In dit kader is voorts aangegeven dat wanneer een betrokkene recent een suïcidepoging heeft gedaan, die alleen is onderbouwd met een patiëntendossier van de huisarts of bijvoorbeeld een verslag van een intakegesprek bij de GGZ, dit voldoende is om een advies te vragen aan het BMA. De voorwaarde dat de vreemdeling onder actieve medische behandeling moet staan vervalt in dit geval. Wanneer door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel of verhoogd suïciderisico of waar dit onvoldoende is gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht, zal geen BMA-onderzoek worden opgestart (WI 2021/3, par. 5).

16. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde medische stukken – zoals weergegeven onder 5 – in voldoende mate heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand, en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, aannemelijk te maken. Hierbij is het volgende van belang

17. In het document dat is opgesteld door [naam] en [naam] wordt gesproken over een “psychotisch toestandsbeeld, mogelijk geluxeerd door slaapdeprivatie en PTSS klachten DD ihkv schizofreniforme”. Dit toestandsbeeld wordt bevestigd in de verklaring van C.E. Balm en N.M. van Gent. [naam] en [naam] meldden verder dat het suïciderisico als verhoogd wordt ingeschat bij het risicovolle gedrag dat eiser laat zien. In de verklaring van L. Valstar wordt daarnaast gesproken over “een reëel risico dat het bespreken van een mogelijke terugkeer naar Roemenië een toename van suïcidaliteit en hernieuwde verwarde denkbeelden kan uitlokken”. Uit de verklaring van Y.C. van der Zalm valt af te leiden dat eiser sinds ruim twee maanden voor 7 april 2026 opgenomen geweest is bij de Parnassia Groep wegens een psychotische ontregeling met suïcidaliteit. Ook is hierin vermeld dat eiser expliciet aangeeft dat bij een eventuele deportatie naar Roemenië de kans groot is dat hij zichzelf van het leven zal beroven, door het snijden van zijn polsen, dat hij erg bang is opnieuw psychotisch te worden en onvoldoende vertrouwen heeft in de psychiatrische zorg in Roemenië en dat de angst en wanhoop die hij ervaart resulteren in continue suïcidale gedachten.

18. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser voorts naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk verklaard dat met de frase dat “het huidige beeld mogelijk is geluxeerd door een negatieve beslissing van het COA” uit het document van [naam] en [naam] – gelet op het tijdpad – naar alle waarschijnlijkheid door deze medisch deskundigen is verwezen naar het voornemen in de onderhavige Dublinprocedure.

19. Uit de genoemde recente medische stukken, in onderlinge samenhang bezien, wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat er een serieus suïciderisico aan de orde is bij eiser en dat er op zijn minst enige causale relatie is tussen de voorgenomen overdracht aan Roemenië en het suïciderisico. Van belang is dat in elk geval één van de medisch deskundigen (L. Valstar) op 15 april 2026 daadwerkelijk heeft verklaard dat er een verhoogd risico is op suïcidaliteit als gevolg van de overdracht aan Roemenië. Voor zover de minister de waarde van deze verklaring op zitting heeft willen relativeren door te stellen dat het hier geen arts of behandelaar betreft, volgt de rechtbank de minister daarin niet. Uit de jurisprudentie van de Afdeling leidt de rechtbank af dat in dit kader een verklaring van een medisch deskundige benodigd is, en dat dit niet per se een arts of specialist hoeft te zijn (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303, 4 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:23 en 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845).

20. Tenslotte wijst de rechtbank erop dat in het geval van eiser sprake is van een (relatief) recente suïcidepoging, waarvan in verschillende stukken verslag wordt gedaan. Uit het document van 22 januari 2026 van [naam] en [naam] volgt dat eiser diezelfde dag als gevolg van waanbeelden naar het station is gelopen en op de rand van het perron is gaan staan, waarna de COa-locatiemanager hem daar net op tijd heeft kunnen weghalen. Ook L. Valstar spreekt in haar verklaring van 15 april 2026 van “concreet suïcidaal gedrag” in dit kader. Reeds deze suïcidepoging zou, gelet op Werkinstructie 2021/3, voor de minister aanleiding moeten zijn het BMA om advies te vragen.

21. Resumerend is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat sprake is van een psychisch ernstig zieke asielzoeker met concrete en actuele suïcideneigingen, die in elk geval gedeeltelijk gerelateerd kunnen worden aan de overdracht aan Roemenië. Onder deze omstandigheden had het op de weg van de minister gelegen om de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht aan Roemenië op de gezondheidstoestand van eiser weg te nemen. In het kader van die op de minister rustende vergewisplicht had hij het BMA om medisch advies moeten vragen. Door dit na te laten heeft de minister niet met de van hem te verwachten zorgvuldigheid gehandeld.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien omdat de minister opnieuw onderzoek moet doen naar de asielaanvraag van eiser. De rechtbank zal de minister opdragen opnieuw op de asielaanvraag te beslissen.

23. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026 door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 24 april 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.F.C.J. Mosheuvel

Griffier

  • mr. M.W. Venderbos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?