ECLI:NL:RBDHA:2026:9925

ECLI:NL:RBDHA:2026:9925

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer NL26.9706
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin/Roemenië. Interstatelijk vertrouwensbeginsel en hardheid. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.9706

(gemachtigde: mr. D.J. Keiman),

en

(gemachtigde: mr. M. Smeulders)

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 19 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser, mr. D.J. Keiman, laten weten dat een kantoorgenoot ter zitting zal verschijnen en de zaak zal waarnemen. Deze kantoorgenoot is mr. M. Krikke.

De rechtbank heeft het verzoek, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.9707, op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, een waarnemer van de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

Eiser stelt de Nepalese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 10 oktober 2025 ingediend.

Uit onderzoek aan het paspoort van eiser blijkt dat Roemenië een visum en verblijfstitel aan eiser heeft verleend met een geldigheidsduur van 13 augustus 2025 tot 12 augustus 2026. Hoewel het visum van eiser op het moment van zijn asielaanvraag in Nederland niet meer geldig was, was het visum minder dan twee jaar verlopen en is niet gebleken dat eiser sindsdien het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Daarom heeft Nederland op 7 januari 2026 de autoriteiten van Roemenië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Roemenië heeft dit verzoek op 20 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening.

Het bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Roemenië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Roemenië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in behandeling te nemen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst naar het AIDA-rapport over Roemenië, update 2024 uit augustus 2025, waaruit volgt dat er onder meer een afname van beslismedewerkers, hoge afwijzingspercentages en signalen van weigering van toegang zonder inhoudelijke beoordeling zijn. Volgens eiser duidt dit op structurele tekortkomingen. Eiser stelt dat er een reëel risico op een ondeugdelijke asielbeoordeling bestaat en indirect refoulement, in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest.

Ook stelt eiser dat verweerder onvoldoende kenbaar en deugdelijk toepassing heeft gegeven aan de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft verklaard dat hij in Roemenië meerdere keren is mishandeld en met de dood is bedreigd. Volgens eiser betreffen deze verklaringen concrete, persoonlijke en ernstige omstandigheden. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2938 en 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2970, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In de uitspraken van deze rechtbank van 29 januari 2026, zittingsplaats Utrecht, ECLI:NL:RBDHA:2026:1555, en van 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23399, is dit bevestigd.

Gelet hierop is het aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Roemenië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Roemeense autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Roemenië overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Roemenië. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in het geval dat eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Met de verwijzing naar het AIDA-rapport over Roemenië (Update 2024) van augustus 2025 heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Roemeense asielsysteem. De door eiser aangehaalde omstandigheden uit het AIDA-rapport geven onvoldoende blijk dat de problemen dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Roemenië op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Zo wijst eiser op een afname van beslismedewerkers, terwijl uit hetzelfde AIDA-rapport (pagina 14) tevens blijkt dat het aantal asielaanvragen is gedaald. Ten aanzien van de hoge afwijzingspercentages ziet de rechtbank geen informatie in het rapport om aan te nemen dat er op dit punt onderscheid wordt gemaakt tussen Nepalese asielzoekers en asielzoekers met andere nationaliteiten. Verder zijn er geen andere aanwijzingen naar voren gebracht waaruit blijkt dat er sprake is van discriminatie ten aanzien van Nepalese asielzoekers. De omstandigheid dat er signalen van weigering van toegang zonder inhoudelijke beoordeling zijn, is door eiser onvoldoende concreet gemaakt. In dit kader is van belang dat de ervaringen van eiser met Roemenië niet zien op het Roemeense asielsysteem, omdat hij nooit asiel heeft aangevraagd. Dit betekent dat eiser niet kan verklaren over hoe de situatie als Dublinclaimant in Roemenië is.

Daar komt bij dat Roemenië het claimverzoek heeft geaccepteerd en hiermee garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eiser in Roemenië problemen ervaart in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen en hij meent dat Roemenië zich jegens hem niet houdt aan de internationale verplichtingen, ligt het op zijn weg om hierover bij de Roemeense autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Roemeense autoriteiten niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Hierbij is van belang dat Roemenië partij is bij het EVRM, waardoor eiser bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan klagen indien hij meent dat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder mag er dan van uitgaan dat eiser bij voorkomende problemen in Roemenië de bescherming van de Roemeense autoriteiten kan krijgen. Ook hiervoor geldt dat niet aannemelijk is gemaakt dat hulp vragen in Roemenië niet mogelijk is voor eiser. In het bestreden besluit van 20 februari 2026 heeft verweerder voldoende kenbaar de door eiser aangedragen omstandigheden uit het AIDA-rapport in de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië betrokken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de eerdergenoemde omstandigheden het oordeel niet anders maken dat alsnog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Roemenië een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo.

Op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdacht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Roemenië van een zodanige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken. De rechtbank meent dat verweerder de door eiser gestelde omstandigheid dat hij gedurende zijn verblijf in Roemenië is mishandeld en met de dood is bedreigd niet heeft hoeven aanmerken als een bijzondere individuele omstandigheid. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Nu van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië mag worden uitgegaan, kan worden gesteld dat eiser bij dergelijke voorkomende problemen zich tot de Roemeense autoriteiten kan wenden om bescherming in te roepen. Niet is gebleken dat de Roemeense autoriteiten eiser niet zouden willen of kunnen beschermen. De vrees van eiser voor represailles door zijn belagers maakt dit oordeel niet anders.

6. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar

Griffier

  • mr. E.P.S. Wessels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?